ECLI:NL:RBOBR:2026:7561

ECLI:NL:RBOBR:2026:7561

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer 26/1409, 26/1463 en 26/1462
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

De rechtbank bekrachtigt op verzoek van de gemeenteraad de onteigeningsbeschikking ten behoeve van de Gebiedsontwikkeling Eindhoven Noordwest Brainport Industries Campus. De rechtbank ziet een wijziging van deze beschikking ten opzichte van de ontwerpbeschikking (waardoor een groter deel van het perceel van belanghebbende wordt onteigend) als een ondergeschikte wijziging en acht een tweede terinzagelegging van een ontwerpbeschikking niet nodig. Het onteigeningsbelang is gegeven met het op dezelfde datum vastgestelde TAM-Omgevingsplan waarmee aan de te onteigenen percelen functies worden toegekend die de uitbreiding van het bedrijventerrein en het wegennet mogelijk maken.

Uitspraak

de gemeenteraad van de gemeente Eindhoven, (verder: gemeenteraad)

(gemachtigden: mr. I.S. Termaat, mr. J.B.M. Hagelaars en mr. P.J. Berndes).

Aan de procedure hebben deelgenomen

mr. E. van Leeuwen, uit ’s-Gravenhage (verder: belanghebbende 1);

[naam] , uit Best (verder: belanghebbende 2), (gemachtigde mr. A.A.M. van Hoorn)

de gemeente Eindhoven, onteigenaar (gemachtigden: mr. I.S. Termaat en mr. P.J. Berndes).

Inleiding

1. De gemeenteraad heeft de rechtbank op 8 mei 2026 verzocht om op grond van artikel 16.93, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow) een onteigeningsbeschikking gedeeltelijk te bekrachtigen. Het verzoek tot bekrachtiging is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/1409. De onteigeningsbeschikking heeft betrekking op 10 percelen. Het verzoek om bekrachtiging heeft bij indiening betrekking op percelen 2, 6, 7 en 8 (de percelen).

Belanghebbende 1 en 2 hebben bedenkingen ingediend. Deze zaken zijn geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/1462 (belanghebbenden 1) en SHE 26/1463 (belanghebbenden 2).

De gemeenteraad heeft gereageerd op deze bedenkingen. Belanghebbenden hebben een repliek ingediend. De gemeenteraad heeft een dupliek ingediend.

De gemeenteraad heeft op 15 juni 2026 het verzoek om bekrachtiging van percelen 6 en 8 ingetrokken. De onteigeningsbeschikking is niet gewijzigd.

De rechtbank heeft het verzoek om bekrachtiging en de bedenkingen op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Namens de gemeenteraad waren mr. J.B.M. Hagelaars en mr. P.J. Berndes als gemachtigden aanwezig, vergezeld door ing. [naam] en [naam] . Belanghebbende 1 was aanwezig vergezeld door [naam] . Belanghebbende 2 en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Het verzoek tot bekrachtiging

2. De gemeente Eindhoven wenst binnen de Gebiedsontwikkeling Eindhoven Noordwest Brainport Industries Campus (hierna: "BIC") te realiseren. BIC moet ruimte (gaan) bieden aan hoogwaardige bedrijvigheid in de hightech maakindustrie. BIC bestaat uit een zuidelijk deel en een noordelijk deel. Hiertoe heeft de gemeenteraad het TAM-omgevingsplan "BIC Noord —ASML en wegenstructuur" (het TAM-Omgevingsplan) op 10 maart 2026 vastgesteld. Dit is ook de grondslag voor de onteigeningsbeschikking.

Om BIC te kunnen realiseren en de wegenstructuur te kunnen uitbreiden is volgens de gemeenteraad vereist dat 10 percelen door de gemeente worden verworven, waaronder het gehele perceel A4778 (groot: 16.850 m2), (perceel 7) in eigendom van belanghebbende 2 en een deel van perceel A4232 ter grootte van 515 m2 (perceel 2), voor 1/3e deel in eigendom van belanghebbende 1.

De gemeenteraad heeft de onteigeningsbeschikking voorbereid met toepassing van artikel 16.33b van de Ow en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemeenteraad heeft een ontwerp-onteigeningsbeschikking met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende een periode van zes weken vanaf 4 december 2025

ter inzage gelegd. In deze ontwerp-beschikking was de gemeenteraad voornemens om een kleiner deel (14 m2) van perceel 2 te onteigenen. De belanghebbenden hebben een zienswijze ingediend tegen de ontwerp-onteigeningsbeschikking.

De gemeenteraad heeft op 10 maart 2026 de onteigeningsbeschikking gewijzigd vastgesteld en deze op 1 april 2026 ter inzage gelegd. De gemeenteraad heeft besloten 10 percelen ter onteigening aan te wijzen op de naam van de gemeente Eindhoven en de rechtbank Oost-Brabant te verzoeken om dit besluit gedeeltelijk te bekrachtigen.

De gemeenteraad heeft op grond van artikel 16.93, eerste lid, van de Ow de rechtbank op 8 mei 2026 verzocht om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen voor zover het betreft percelen 2, 6, 7 en 8.

Toetsingskader

3. Onteigening is het instrument waarmee de overheid eigendomsrechten op onroerende zaken kan ontnemen, waardoor de onroerende zaak tot het eigendom van de onteigenaar gaat behoren. In artikel 11.5 van de Ow staan de drie voorwaarden voor onteigening. Uit die bepaling blijkt dat een onteigeningsbeschikking alleen kan worden gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving (onteigeningsbelang) en als de onteigening noodzakelijk en urgent is.

In artikel 16.107 van de Ow is de hiermee samenhangende ambtshalve basistoets van de rechtbank opgenomen. Het gaat om een ambtshalve toetsing, die ook wordt uitgevoerd als de ingebrachte bedenkingen daar geen aanleiding toe geven en ook wanneer er geen bedenkingen zijn ingebracht. Deze basistoets omvat vier aspecten. Ongeacht of tegen de onteigeningsbeschikking bedenkingen zijn ingebracht, wijst de rechtbank het verzoek in ieder geval af als de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid, het onteigeningsbelang ontbreekt, de noodzaak ontbreekt of de urgentie ontbreekt. Het eerste onderdeel van de basistoets betreft de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking. De rechter toetst of deze voorbereiding volgens de wettelijke vormvoorschriften van de Ow en de Awb is verlopen. Het gaat om de voorgeschreven eisen aan de terinzagelegging en kennisgeving van de ontwerpbeschikking die als minimale waarborgen voor de rechthebbenden moeten worden beschouwd en waarvan strikte naleving noodzakelijk is. De andere drie onderdelen van de basistoets betreffen de criteria van een onteigeningsbelang, de noodzaak en de urgentie. Aan deze criteria moet worden voldaan op het moment waarop het bevoegd gezag de beschikking geeft en moet ook worden voldaan op het moment waarop de bestuursrechter de bekrachtiging uitspreekt. Als aan een of meer van deze drie criteria niet wordt voldaan, dan wijst de rechter het verzoek tot bekrachtiging af. De bedenkingen van belanghebbenden hebben betrekking op de noodzaak en de urgentie voor onteigening. Deze onderdelen van de basistoets zal de rechtbank bespreken met de bedenkingen van belanghebbenden.

Aan belanghebbenden (in de zin van artikel 1:2 van de Awb) wordt de gelegenheid geboden hun argumenten tegen de onteigeningsbeschikking aan de rechter voor te leggen in de vorm van een bedenking. Deze door de belanghebbenden ingediende bedenkingen kunnen de rechtbank aanleiding geven om aanvullend op de basistoets een rechtmatigheidstoets van de onteigeningsbeschikking voor een bepaalde rechthebbende op basis van de omstandigheden van het geval te verrichten.

Toets ontvankelijkheid bekrachtigingsverzoek

4. De rechtbank acht het bekrachtigingsverzoek ontvankelijk, omdat het tijdig is ingediend en voldoet aan de indieningsvereisten uit artikel 16.93, tweede en derde lid, van de Ow.

Het oorspronkelijke verzoek heeft geen betrekking op percelen 1, 3, 4, 5, 9 en 10. De gemeenteraad heeft aangegeven dat het verzoek niet langer betrekking heeft op de onteigening van de percelen 6 en 8. De rechtbank begrijpt deze mededeling aldus dat de gemeenteraad het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking gedeeltelijk heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank staat het de gemeenteraad vrij om het verzoek tot bekrachtiging hangende de procedure gedeeltelijk in te trekken. Artikel 16.93 van de Ow en artikel 16.113 van de Ow staan hieraan niet in de weg. Artikel 16.108 van de Ow biedt de rechtbank de mogelijkheid om een verzoek gedeeltelijk toe te wijzen en een onteigeningsbeschikking gedeeltelijk te bekrachtigen. Niet valt in te zien waarom het niet mogelijk zou zijn om een verzoek om bekrachtiging tijdens de procedure te wijzigen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat artikel 16.113, tweede lid, van de Ow betrekking heeft op de onteigeningsbeschikking en niet op het verzoek om bekrachtiging daarvan. Nu het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking geen betrekking meer heeft op percelen 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 zal de rechtbank de onteigeningsbeschikking slechts gedeeltelijk kunnen bekrachtigen. De rechtbank zal hierna beoordelen of het resterende deel van de onteigeningsbeschikking in aanmerking komt voor bekrachtiging.

De wettelijke vormvoorschriften

5. De rechtbank stelt vast dat de ontwerp-onteigeningsbeschikking per 4 december 2025 met de bijbehorende stukken zes weken ter inzage heeft gelegen en dat van deze terinzagelegging tijdig kennisgeving is gedaan in het Gemeenteblad. Hetzelfde geldt voor de onteigeningsbeschikking.

6. Belanghebbende 1 merkt op dat de ontwerp-onteigeningsbeschikking haar niet is toegezonden voorafgaand aan de terinzagelegging van de ontwerpbeschikking. Dit is niet zorgvuldig, in strijd met artikel 3:13 van de Awb en in strijd met het fair-playbeginsel. Zowel de toezending als de terinzagelegging vonden namelijk plaats op 4 december 2025.

De gemeenteraad heeft dit erkend bij de beantwoording van de zienswijzen en stelt dat belanghebbende 1 niet feitelijk is benadeeld. Belanghebbende 1 heeft alle relevante stukken gekregen. Zij heeft op tijd een zienswijze ingediend en voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt naar voren te brengen.

De rechtbank stelt vast dat de onteigeningsbeschikking niet aan belanghebbende 1 en 2 is toegezonden voorafgaand aan de terinzagelegging. Dit is in strijd met artikel 3:13 van de Awb. De Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 8 juli 2026 overwogen dat artikel 6:22 van de Awb kan worden toegepast in de bekrachtigingsprocedure. De omstandigheid dat de bestuursrechter de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking ambtshalve moet toetsen op grond van artikel 16.107, aanhef en onder a, van de Ow staat hier niet aan in de weg. De rechtbank maakt uit het logboek op dat onderhandelingen met belanghebbende 1 en 2 ruimschoots voor de datum van terinzagelegging van de ontwerpbeschikking zijn begonnen, zodat zij toen al op de hoogte waren van de wens van de gemeente Eindhoven om (een deel van) hun perceel te verwerven. Belanghebbende 2 is bij de onderhandelingen vooraf medegedeeld dat de ontwerpbeschikking ter inzage zou worden gelegd (uiteindelijk op een latere datum). Belanghebbende 1 is weliswaar niet van tevoren bij de onderhandelingen geïnformeerd over de terinzagelegging maar er is onderhandeld voorafgaand aan terinzagelegging van de ontwerpbeschikking met de gemachtigde van belanghebbende 1 en de overige eigenaren van perceel 2. Naar het oordeel van de rechtbank zijn belanghebbenden niet benadeeld door dit vormgebrek.

7. Belanghebbende 1 wijst op de wijziging in de onteigeningsbeschikking ten opzichte van het ontwerp. Het te onteigenen deel van perceel 2 is vergroot van 14 m² naar 515 m². Er is geen sprake van een ondergeschikte wijziging. Volgens belanghebbende 1 was terinzagelegging van een nieuwe ontwerp-onteigeningsbeschikking vereist. Zij verwijst naar rechtspraak van de Afdeling van 11 maart 2015.

De gemeenteraad heeft het te onteigenen deel vergroot omdat deze wijziging noodzakelijk is gebleken gedurende de uitwerking van de plannen. Ook in het TAM -omgevingsplan heeft een groter deel van perceel 2 een gewijzigde bestemming gekregen in verband met de gewijzigde locatie van een busbaan. Gelet op de beschikbare ruimte was er geen alternatief om die busbaan ergens anders te leggen. Volgens de gemeenteraad verplicht de Ow, noch de Awb tot een hernieuwde voorbereidingsprocedure als uitsluitend de omvang van de te onteigenen gronden wijzigt. Er is geen sprake van een wezenlijke verandering van het besluit: de onteigening ziet nog steeds op hetzelfde perceel, is ingegeven door hetzelfde plan, kent dezelfde bestemming en hanteert dezelfde waarderingssystematiek. De benodigde 515 vierkante meter beslaat slechts 1,3 procent van het totale perceeloppervlak in dezelfde noordoostelijke hoek als oorspronkelijk beoogd. Belanghebbende 1 is hierover geïnformeerd en is tijdig, nog voor de vaststelling van de beschikking, een aangepast aanbod gedaan. Belanghebbende 1 is hierdoor volgens de gemeenteraad niet in haar belangen geschaad.

De rechtbank overweegt dat het in beginsel, na het ter inzage leggen van een ontwerpbesluit, niet meer geoorloofd is om een aanvraag te wijzigen en aan te vullen, zonder dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd. Dit is enkel anders wanneer de wijziging van ondergeschikte aard is of aannemelijk is dat derden daardoor niet worden benadeeld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat per geval moet worden beoordeeld of sprake is van wijzigingen van ondergeschikte aard.De rechtbank past deze rechtspraak toe op de (voorbereiding van) de onteigeningsbeschikking.

De rechtbank acht het wijzigen van het aantal vierkante meters in dit geval van ondergeschikte aard. Er is geen sprake van een wezenlijk ander omgevingsplan en ook niet van een wezenlijk andere onteigeningsbeschikking. Hoewel belanghebbende 1 terecht opmerkt dat de oppervlakte van het te onteigenen deel van het perceel met een aantal factoren wordt vergroot, neemt de te onteigenen oppervlakte in absolute zin relatief weinig toe in verhouding tot het overige deel van perceel 2. Er zijn geen wezenlijke aanpassingen aangebracht. Er zijn geen wezenlijk andere rapporten aan de wijziging ten grondslag gelegd. De wijziging noodzaakte niet tot een herbeoordeling van alternatieven of varianten. De vergroting van de oppervlakte kan weliswaar gevolgen hebben voor de hoogte van de schadeloosstelling maar ook dit noodzaakt niet tot een tweede terinzagelegging van de ontwerpbeschikking. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat partijen overeenstemming hebben over de prijs per vierkante meter. Bovendien blijkt uit het logboek dat belanghebbende 1 op de hoogte was van de behoefte aan een groter deel van perceel 2 voor het einde van de zienswijzentermijn voor de ontwerpbeschikking en dat zij de gemeenteraad voor het nemen van de onteigeningsbeschikking in een aanvullende brief heeft gewezen op haar bezwaren. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende 1 of de overige eigenaren van perceel 1 door de wijziging in de definitieve onteigeningsbeschikking zijn benadeeld.

8. De rechtbank concludeert dat de onteigeningsbeschikking niet geheel is voorbereid volgens de wettelijke voorschriften maar dat belanghebbenden, voor zover sprake is van een schending, hierdoor niet zijn benadeeld. Hierin is geen aanleiding om het verzoek om bekrachtiging af te wijzen.

Het onteigeningsbelang

9. Ingevolge artikel 11.5, onder a, van de Ow kan een onteigeningsbeschikking alleen worden gegeven als de aan te wijzen onroerende zaken nodig zijn voor het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Er dient dus sprake te zijn van een onteigeningsbelang. Van een onteigeningsbelang is onder andere sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving onder uitsluiting van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer, mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan. Op basis van dit omgevingsplan moet voldoende duidelijk zijn welke vorm ontwikkeling, gebruik of beheer wordt beoogd, en dat die vorm afwijkt van de bestaande vorm.

De gemeenteraad heeft het TAM-Omgevingsplan ten grondslag gelegd aan de onteigeningsbeschikking. In het omgevingsplan zijn de navolgende functies toegedeeld: 1. De functie "Bedrijf', 2. de functie "Natuur - 1", en 3. de functie "Verkeer".

Tegen het TAM-Omgevingsplan zijn beroepen ingediend bij de Afdeling. Het TAM-Omgevingsplan is nog niet onherroepelijk, maar is wel in werking getreden.

10. Belanghebbende 1 is van mening dat de onteigeningsbeschikking onzorgvuldig en prematuur is voorbereid. De beschikking is genomen direct na vaststelling van het TAM omgevingsplan (in dezelfde vergadering) zonder enige reflectie of uitwerking. De wijziging in de benodigde grondoppervlakte van perceel 2 toont aan dat de noodzakelijke afwegingen en plannen nog niet zijn uitgekristalliseerd. Onteigening mag niet worden ingezet zolang wezenlijke onzekerheden bestaan over de omvang of noodzaak van de grondinname. Het TAM-omgevingsplan is nog niet onherroepelijk dus staat niet vast dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zowel belanghebbende 1 als belanghebbende 2 stellen daarnaast dat de geplande onteigening primair het private commerciële belang van ASML dient en dus niet het algemeen belang. Het enkele bestaan van economische voordelen en kennisdeling is volgens haar onvoldoende om onteigening te rechtvaardigen; de maatregel moet proportioneel zijn. De gemeenteraad heeft niet onderbouwd waarom de uitbreiding van ASML juist op deze locatie noodzakelijk is en onteigening rechtvaardigt.

Volgens de gemeenteraad is met het vaststellen van het TAM-Omgevingsplan, het onteigeningsbelang gegeven gelet op artikel 11.6 van de Omgevingswet. Voor zover belanghebbenden argumenten aanvoert over (het gebrek aan) een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dan wel weging van alternatieven, zullen zij die argumenten moeten aanvoeren in de beroepsprocedure tegen het TAM-Omgevingsplan, en niet in deze bekrachtigingsprocedure. De gemeenteraad stelt juist dat er wél een publiek belang is, omdat de ontwikkeling kortgezegd de Brainport-regio en de samenwerking in de hightechsector versterkt. Bij de vaststelling van het TAM-Omgevingsplan is uitgebreid gemotiveerd dat er sprake is van een maatschappelijk wenselijke ontwikkeling. Verder is het niet ongebruikelijk of onwenselijk dat er private partijen betrokken zijn bij (planologische) ontwikkelingen, die uiteindelijk het algemeen belang dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een onteigeningsbelang. Het vastgestelde TAM-Omgevingsplan maakt een ontwikkeling en gebruik van de fysieke leefomgeving mogelijk die niet wordt geboden in het daarvoor geldende bestemmingsplan. Met het TAM-Omgevingsplan worden aan de te onteigenen percelen onder andere de functies ‘Verkeer’ en ‘Bedrijf’ toegekend. Dit zijn functies die de uitbreiding van het bedrijventerrein en het wegennet mogelijk maken. Een nadere uitwerking van deze functies is hiertoe niet vereist. Daarmee is het onteigeningsbelang gegeven. Artikel 11.6 Ow vereist slechts dat het omgevingsplan is vastgesteld. De beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een weging van eventuele alternatieven zal moeten plaatsvinden in de procedure over de vaststelling van het TAM-Omgevingsplan en kan niet plaatsvinden in deze procedure. Dat het TAM-Omgevingsplan, zoals van belanghebbende 1 in de bedenkingen aanvoert – nog niet onherroepelijk is, maakt dit oordeel niet anders. Het TAM-Omgevingsplan is in werking getreden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in artikel 11.16 van de Ow is bepaald dat de onteigeningsakte door de notaris niet kan worden ingeschreven voordat de planologische grondslag onherroepelijk is. Daarmee worden belanghebbenden beschermd: Als het omgevingsplan door de bestuursrechter zou worden vernietigd, wordt de gemeente niet de eigenaar van het onteigende, omdat de onteigeningsakte dan niet kan worden ingeschreven.

De rechtbank overweegt verder dat de onteigening wel plaatsvindt in het algemeen belang, al zijn de belangen van ASML hiermee ook gediend. Daargelaten dat de gemeente Eindhoven onteigenaar is als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid onder a (en niet ASML) worden ook wegen en openbaar gebied ontwikkeld. Voor zover belanghebbenden in twijfel trekken of onteigening plaatsvindt in het algemeen belang (zoals vereist in artikel 11.1 van de Ow), is deze twijfel reeds daarom niet terecht.

11. De rechtbank concludeert dat sprake is van een onteigeningsbelang.

Is onteigening noodzakelijk?

12. De noodzaak tot onteigening ontbreekt als de gemeente geen redelijke poging heeft gedaan tot minnelijke verwerving van de percelen vrij van rechten en lasten of als aannemelijk is dat op afzienbare tijd alsnog overeenstemming kan worden bereikt over minnelijke verwerving. Ook ontbreekt de noodzaak als belanghebbenden hebben aangetoond bereid en in staat te zijn om de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving op zich te nemen. Oftewel, het recht op zelfrealisatie.

De rechtbank stelt op basis van het logboek vast dat de gemeente diverse pogingen heeft ondernomen tot minnelijke verwerving van de te onteigenen percelen. Bij het perceel van belanghebbende 1 is overeenstemming over de vierkante meter prijs. Belanghebbende 1 heeft haar bedenking met betrekking tot de mogelijkheid van zelfrealisatie ter zitting ingetrokken. Bij belanghebbende 2 is discussie over de omvang van de schadeloosstelling in verband met de werking van een anti-speculatiebeding in de overeenkomst tussen belanghebbende 2 en haar rechtsvoorganger. Deze discussie wil niet zeggen dat niet een onvoldoende minnelijk en serieus overleg heeft plaatsgevonden. Deze discussie kan worden beslecht bij de bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling. Slechts als sprake is van een evident onredelijk bod, bestaat aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijke poging tot minnelijke verwerving is gedaan. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

13. Belanghebbende 2 heeft aangegeven dat zij bijna overeenstemming heeft bereikt met de gemeente Eindhoven. De gemeenteraad heeft dit bevestigd maar heeft aangegeven dat er nog wel een bodemonderzoek moet worden verricht. De uitkomst van het bodemonderzoek is van doorslaggevende betekenis bij de verdere onderhandelingen. Wanneer geen ernstige verontreiniging wordt geconstateerd zal naar verwachting overeenstemming worden bereikt, maar als de uitkomst anders is dan is niet op voorhand duidelijk of partijen tot overeenstemming zullen komen. Ten tijde van de zitting was dit onderzoek niet gereed. De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet oordelen dat binnen afzienbare tijd overeenstemming zal worden bereikt. Dat is onzeker, omdat de uitkomst van het bodemonderzoek en de mogelijke consequenties daarvan voor de onderhandelingen niet vaststaat. De rechtbank is dus van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke werving van perceel 7, die zal leiden tot spoedige levering van het perceel.

14. De rechtbank concludeert dat onteigening noodzakelijk is.

Urgentie

15. De urgentie tot onteigening ontbreekt in ieder geval als niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling.

16. Belanghebbende 1 betoogt dat niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na inschrijving van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van het TAM-omgevingsplan. De planning bij de zakelijke beschrijving van de onteigeningsbeschikking is onrealistisch krap en alleen haalbaar in het meest optimistische scenario. Dit wordt volgens belanghebbende 1 onderstreept door de toegenomen behoefte aan grond op haar perceel.

De gemeenteraad merkt op dat de planning niet in beton gegoten is. Het omgevingsplan is vastgesteld, maar nog niet onherroepelijk en er is geen zicht op een mondelinge behandeling van de daartegen ingestelde beroepen en een uitspraak. Dat heeft ook gevolgen voor het moment waarop de gemeente de eigendom van het onteigende verkrijgt. Dat neemt niet weg dat sprake is van urgentie. Verzoeker heeft in de planning rekening gehouden met de verwachte doorlooptijden van procedures, en heeft toegelicht wanneer welke werkzaamheden naar verwachting zullen worden verricht. Hieruit blijkt zonder meer dat er een reële verwachting is dat aan de driejaarstermijn van artikel 11.11 van de Ow zal worden voldaan. Ter zitting heeft de gemeenteraad aangegeven dat is begonnen met voorbereidingen voor de aanleg van de Dirk Noordhoflaan.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de onteigening niet urgent is omdat al een begin is gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde ontwikkeling.

Conclusie en gevolgen

17. De rechtbank wijst het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking met betrekking tot perceelnummers 2 en 7 toe. Er is een onteigeningsbelang, de onteigening van de genoemde percelen is noodzakelijk en is urgent. De rechtbank zal de onteigeningsbeschikking gedeeltelijk, namelijk voor wat betreft perceelnummers 2 en 7 bekrachtigen.

18. Van de raad wordt een griffierecht geheven. Het griffierecht bedraagt het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder c, van de Awb, vermeerderd met het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder b, van die wet, voor elk bedenkingengeschrift dat door een belanghebbende bij de rechtbank tegen de onteigeningsbeschikking is ingebracht. Dat betekent dat in deze zaak een griffierecht wordt geheven voor een bedrag van € 397,00 + 2 x € 200,00 (twee bedenkingen) = € 797,00.

19. De uitspraak houdt op grond van artikel 16.111 van de Ow in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die een belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, in verband met de behandeling van het verzoek naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is niet van toepassing. De belanghebbende die een bedenking heeft ingediend krijgt in alle gevallen de proceskosten van deelname aan de bekrachtigingsprocedure vergoed. Het moet gaan om kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de kosten redelijkerwijs gemaakt zijn. Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent hier een tweeledige redelijkheidstoets. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of de bijstand redelijkerwijs is ingeroepen en of de kosten daarvan redelijk zijn. Het bestuursorgaan wordt daarnaast veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die bedenkingen heeft ingediend, heeft gemaakt in de fase voor de vaststelling van de onteigeningsbeschikking. De uitspraak houdt daarom op grond van artikel 16.112 van de Ow ook in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken voor:

a. door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand voor het overleg over de minnelijke verwerving, bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, en

b. door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand in verband met het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.

De kostenveroordeling wordt uitgesproken ongeacht of de onteigeningsbeschikking wordt bekrachtigd. Het gaat ook hier om de werkelijke kosten van (rechts)bijstand, voor zover deze redelijk zijn.

Belanghebbende 1 maakt geen aanspraak op vergoeding van de proceskosten. Belanghebbende 2 maakt wel aanspraak op vergoeding van de proceskosten maar heeft niet aangegeven wat de kosten zijn. Bij gebrek aan enig inzicht hierover, valt de rechtbank terug op de forfaitaire vaststelling van de kosten van juridische bijstand conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en schat de rechtbank deze kosten in op een bedrag van € 934,00 voor het indienen van zienswijzen. Dat in de koopovereenkomst tussen de gemeente en belanghebbende 2 mogelijk afspraken worden gemaakt over vergoeding van de redelijk gemaakte kosten, leidt niet tot een ander oordeel omdat de koopovereenkomst nog niet is gesloten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, mr. H.T.J.F. Verhappen en mr. K.A. Maarschalkerweerd, leden, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.J.H.M Verhoeven
  • mr. H.T.J.F. Verhappen
  • mr. K.A. Maarschalkerweerd

Griffier

  • mr. N. Duin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand