ECLI:NL:RBOBR:2026:7610

ECLI:NL:RBOBR:2026:7610

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 28-10-2026
Zaaknummer 01.100894.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Brandstichting van diverse voertuigen, aanhangwagen en krant in brievenbus. In één geval sprake van brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen: brandstichting bakwagen in de nachturen nabij woning waarin een gezin sliep. In overige gevallen sprake van gevaar voor goederen en vernieling. Bewijsoverwegingen ten aanzien van daderschap verdachte en kwalificatie van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Zes vorderingen benadeelde partij. Gevangenisstraf 48 maanden met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.100894.26

Datum uitspraak: 29 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1992] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2026 en 15 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 oktober 2026 op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is aangepast, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een voertuig (Iveco 40C/35 gekentekend [kenteken 1] ),

terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning (en bijbehorende inboedel) aan de [adres 2] , te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning aan de [adres 2] , te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een voertuig (Iveco 40C/35 gekentekend [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Van [slachtoffer 5] ., toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een open vuur in aanraking te brengen met het een personenauto (Peugeot 30 gekentekend [kenteken 2] ),

terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning (en bijbehorende inboedel) aan de [adres 2] te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning aan de [adres 2] , te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Peugeot 305 gekentekend [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van feit 3: hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een voertuig (Mercedes-Benz V-Klasse gekentekend [kenteken 3] ), terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een voertuig gekentekend [kenteken 4] en/of de voortuin van de woning aan de [adres 3] en/of een haag (erfscheiding behorend bij de woning aan de [adres 3] ) te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een voertuig (Mercedes-Benz V-klasse gekentekend [kenteken 3] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 6] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van feit 4:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een voertuig (Ford Transit gekentekend [kenteken 5] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een informatiebord en/of de parkeerplaats en/of wegdek aan de [adres 4] te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een voertuig (gekentekend [kenteken 6] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 8] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van feit 5:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van de brievenbus, te weten een krant, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de brievenbus behorend bij de woning aan de [adres 5] , te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een brievenbus (toebehorend aan de woning aan de [adres 5] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 7] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van feit 6:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een aanhanger (Atec B2 gekentekend [kenteken 7] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 8] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van feit 7:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Volvo XC90 gekentekend [kenteken 8] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 9] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van feit 8:

hij op of omstreeks 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze opzettelijk en wederrechtelijk een voertuig (Renault Kangoo gekentekend [kenteken 9] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 10] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het schriftelijke requisitoir – op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten, waarvan feit 1 tot en met feit 5 in primaire vorm, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Wel dient onder feit 2 partiële vrijspraak te volgen voor het levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft op de in de pleitnota genoemde gronden primair integrale vrijspraak van feit 1, 2, 3, 4, 6 en 8 bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw met betrekking tot feit 1 en feit 2 partiële vrijspraak van het levensgevaar bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis.

De bewijsoverwegingen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de taak om op twee punten ten aanzien van het bewijs een nadere motivering te geven. Het eerste punt betreft het antwoord op de vraag of voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het daderschap van de verdachte te kunnen komen. Het tweede punt betreft de kwalificatie van feit 1 en feit 2, namelijk of kan worden bewezen dat van de brand levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen was te duchten.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Vaststaande feiten en omstandigheden.

Gelet op de inhoud van het dossier en de behandeling van de zaak op de terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft op 3 april 2026 omstreeks 02:16 uur op de A59 een eenzijdig ongeval met zijn auto veroorzaakt door tegen een vangrail te rijden. Getuige [getuige] , een taxichauffeur die ter plaatse aanwezig was, heeft gezien dat een man in een lange donkere jas was gevlucht in de richting van het bosgebied in Oss, zijn auto al brandend tegen de vangrail achterlatend.

Er zijn diverse camerabeelden uitgekeken waaruit het volgende naar voren is gekomen. Omstreeks 02:31 uur wordt er een persoon gezien op de Voorste Groes te Heesch. Omstreeks 02:33 uur wordt er een persoon gezien op de [adres 6] te Heesch. Omstreeks 02:48 uur wordt er een persoon gezien op de [adres 7] te Heesch. Omstreeks 02:51 uur wordt er een persoon gezien op de [adres 8] te Heesch. Omstreeks 03:07 uur wordt er een persoon gezien op de [adres 9] te Heesch.

Vanaf omstreeks 03:10 uur worden er twee voertuigbranden gezien bij de woning aan de [adres 2] te Heesch. Omstreeks 03:20 uur wordt er een persoon gezien op de [adres 10] te Heesch. Omstreeks 03:22 uur wordt er een persoon gezien op de [adres 11] te Heesch. Omstreeks 03:28 uur wordt er een persoon gezien op de [adres 5] te Heesch. Op dit adres is in een brievenbus brandgesticht. Op de camerabeelden is te zien dat er een persoon bij de brievenbus stil staat, de brievenbus openmaakt en iets uit zijn jaszak haalt, er iets oplicht dat in de brievenbus wordt gedaan en vervolgens iets uit de brievenbus oplicht dat steeds groter wordt. Omstreeks 03:31 uur is op camerabeelden van de [adres 12] te Heesch te zien dat een voertuig in brand staat. Op vrijwel alle beelden wordt gezien dat de beschreven persoon een lange jas aan heeft tot op/over knieën en lichtkleurige of witte schoenen draagt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich op een deel van deze beelden te herkennen.

De politie kreeg omstreeks 03:27 uur diverse meldingen van meerdere voertuigbranden, onder andere aan de Meerweg en de Vinkelsestraat te Heesch met een kleine afstand ertussen. Een verbalisant ging naar de directe omgeving van dit gebied. Hij zag dat alle straten rond de plaatsen delict op dat moment verlaten waren en er geen verkeer of mensen aanwezig waren. Omstreeks 03:34 uur zag de verbalisant ter hoogte van het gezondheidscentrum op de John F. Kennedystraat te Heesch over het trottoir een man lopen in een lange donkerblauwe badjas, een blauwe onderbroek, een blauwe pet en wit met rode schoenen. Zijn rechterhand zat volledig onder bloed en zijn linkerhand was zwart bevuild. Deze man bleek later verdachte te zijn. Verdachte voldeed aan het signalement dat op de beelden was te zien.

Op de [adres 13] te Heesch was getracht een Volvo aan de achterzijde bij de ruitenwisser in brand te steken. Daar trof de politie rondom de achterzijde van de auto verse druppels bloed aan. Ook vond de politie achter het hekwerk van het gezondheidscentrum op de John F. Kennedystraat te Heesch een aansteker.

Zowel naar het bloed als naar de aansteker is nader forensisch onderzoek verricht.

In het bloed is een enkelvoudig DNA-profiel van een man aangetroffen waarvan de

frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Verdachte is de mogelijke donor van dit DNA. Op de vuursteenwiel, drukknop en body van de aansteker

is tevens een enkelvoudig DNA-profiel van een man aangetroffen waarvan de

frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Ook hier is verdachte de mogelijke donor van dit DNA.

Daderschap verdachte [verdachte] .

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden leidt de rechtbank het volgende af.

De camerabeelden wijzen uit dat verdachte een route heeft afgelegd die past bij de locaties en tijdstippen van de gestichte branden. Deze locaties bevinden zich op een korte afstand van elkaar en verdachte is ook aangetroffen in de directe nabijheid van een aantal van deze brandstichtingen. Op dat moment was verdachte de enige persoon op straat en komt de verdachte overeen met de persoon die op de diverse camerabeelden wordt beschreven.

Op een paar beelden herkent verdachte zichtzelf ook, waaronder op de beelden van de brandstichting in de brievenbus. Ten slotte wijzen de resultaten van het DNA-onderzoek ook op de betrokkenheid van verdachte.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wijzen naar het oordeel van de rechtbank dan ook zodanig op de betrokkenheid van verdachte bij de delicten, dat van hem een redelijke verklaring mocht worden verlangd ter weerlegging van een aantal belastende omstandigheden. Deze verklaring heeft verdachte niet gegeven. Verdachte kan zich die nacht vanaf het moment dat hij de snelweg verliet totdat hij door de agenten werd aangesproken, niet herinneren.

Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die op 3 april 2026 alle ten laste gelegde brandstichtingen en vernielingen heeft gepleegd. Dat er geen onderzoek is gedaan naar de brandhanden van verdachte, de manier van brandstichting, het op straat gevonden stuk vuurwerk of de gevonden kleding, doet aan het voorgaande niet af.

Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel?

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde, te weten het opzettelijk brandstichten, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank acht, met de raadsvrouw en de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat er ‘levensgevaar voor personen’ te duchten was. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat verdachte op 3 april 2026 meerdere voertuigen in brand heeft gestoken. Eén van die voertuigen betreft de bakwagen met kenteken [kenteken 1] . Deze bakwagen stond op de oprit van de [adres 2] te Heesch. Ten tijde van de brandstichting lag aangever samen met zijn gezin in de woning te slapen.

De forensisch onderzoeker heeft gerapporteerd dat door bluswerkzaamheden is voorkomen dat de woning aan de [adres 2] werd aangetast door de brand aan de bakwagen en dat er levensgevaar voor de bewoners zou ontstaan. Het is een bekend verschijnsel dat door de positie van de bakwagen bij de woning, deze brand het dak van de woning had kunnen aantasten en uiteindelijk de woning in brand had kunnen zetten. Ook de brandweer beschrijft dat zonder het snelle optreden van de brandweer ook de achterzijde van de bakwagen in brand had kunnen raken en hierdoor had de brand zeker kunnen overslaan naar de woning. De bakwagen stond namelijk dicht bij de woning geparkeerd, wat ook blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 19. Ook is op de foto’s van de situatie ter plaatse te zien dat de bakwagen een hoge laadruimte heeft. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat de brand had kunnen overslaan naar de woning. Het is niet dankzij het handelen van verdachte dat dit gevaar zich niet heeft verwezenlijkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor de woning en bijbehorende inboedel.

De rechtbank is tevens van oordeel dat de brandstichting aan de bakwagen, waarbij de kans aanwezig was dat deze zou overslaan op de woning, dusdanig gevaarlijk is geweest dat hierdoor naar algemene ervaringsregels levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning aan de [adres 2] te duchten was. Gelet op het nachtelijke uur en de in de woning aanwezige en slapende personen was dit gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het oplopen van ernstige brandwonden en/of het inademen van rook tot de dood kunnen leiden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het primair ten laste gelegde, te weten het opzettelijk brandstichten, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De bewezenverklaring.

en

Op grond van het voorgaande, en ook op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk

brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een voertuig (Iveco 40C/35 gekentekend [kenteken 1] ),

terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning (en bijbehorende inboedel) aan de [adres 2] , te duchten was

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning aan de [adres 2] , te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , te duchten was;

Ten aanzien van feit 2:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk

brand heeft gesticht, door een open vuur in aanraking te brengen met het een personenauto (Peugeot 308 gekentekend [kenteken 2] ),

terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning (en bijbehorende inboedel) aan de [adres 2] te duchten was;

Ten aanzien van feit 3:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk

brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een voertuig (Mercedes-Benz V-Klasse gekentekend [kenteken 3] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een voertuig gekentekend [kenteken 4] en de voortuin van de woning aan de [adres 3] en een haag (erfscheiding behorend bij de woning aan de [adres 3] ) te duchten was;

Ten aanzien van feit 4:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk

brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een voertuig (Volkswagen Transporter gekentekend [kenteken 6] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een informatiebord en de parkeerplaats en wegdek aan de [adres 4] te duchten was;

Ten aanzien van feit 5:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk

brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van de brievenbus, te weten een krant,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een goed, te weten de brievenbus behorend bij de woning aan de [adres 5] , te duchten was;

Ten aanzien van feit 6:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk en wederrechtelijk

een aanhanger (Atec B2 gekentekend [kenteken 7] ) die aan een ander, te weten aan [slachtoffer 8] , toebehoorde

heeft beschadigd;

Ten aanzien van feit 7:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk en wederrechtelijk

een personenauto (Volvo XC90 gekentekend [kenteken 8] ) die aan een ander, te weten aan [slachtoffer 9] , toebehoorde

heeft beschadigd;

Ten aanzien van feit 8:

op 3 april 2026 te Heesch, gemeente Bernheze

opzettelijk en wederrechtelijk

een voertuig (Renault Kangoo gekentekend [kenteken 9] ) die aan een ander, te weten aan [slachtoffer 10] , toebehoorde

heeft beschadigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 Sr.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft primair verzocht, mocht de rechtbank slechts komen tot een bewezenverklaring van feit 5 en feit 7, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan die van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht, mocht de rechtbank ook komen tot een bewezenverklaring van de overige feiten,

een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan die van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel gekoppeld aan de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden, eventueel in combinatie met een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Inleiding.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf onder meer rekening gehouden met de Strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie, nu brandstichtingen niet zijn opgenomen in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Ten aanzien van de vernielingen dienen de oriëntatiepunten wel als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich op 3 april 2026 schuldig gemaakt aan ernstige en gevaarlijke feiten.

Hij heeft diverse voertuigen, een aanhangwagen en een krant in een brievenbus in brand gestoken. Bij één van deze brandstichtingen was er sprake van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en in vier gevallen was er sprake van gemeen gevaar voor goederen. Verdachte heeft een bakwagen in brand gestoken die dicht bij een woning stond geparkeerd, waarbij het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat deze brand zou overslaan naar de woning. Op dat moment lagen de bewoners in die woning te slapen. Verdachte heeft met zijn handelen dus een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd. Een brand kan zich snel uitbreiden en snel een onbeheersbaar karakter krijgen. Dit geldt te meer voor branden van auto’s, omdat zich daarin brandgevaarlijke stoffen zoals benzine bevinden. Dat er geen doden of (ernstig) gewonden zijn gevallen, is voornamelijk te danken aan het snelle ingrijpen van de brandweer en de politie. Daarnaast veroorzaakt brandstichting gevoelens van angst en onveiligheid bij niet alleen de slachtoffers, zoals ook blijkt uit de voorgelezen slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] , maar ook de omwonenden. Zeker wanneer dit zich afspeelt in de nabijheid van een woning; een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Verder heeft verdachte twee voertuigen beschadigd. Ook heeft hij een aanhangwagen beschadigd.

De rechtbank heeft daarbij ook oog voor het feit dat dit veel en heftige feiten zijn die in een zeer kort tijdsbestek door verdachte in dezelfde buurt zijn gepleegd. De hoeveelheid brandstichtingen had nog groter kunnen zijn, als de politie hem niet had aangehouden. Feiten waarvoor geen enkele aanleiding was en waar achteraf ook geen enkele verklaring voor is gegeven. Dit stemt de rechtbank niet gerust, en ook de benadeelden niet. Zeker omdat hier ook al behoorlijke feiten aan vooraf zijn gegaan. Zo is verdachte onder invloed van medicatie (die niet van hem was) en een behoorlijke hoeveelheid alcohol in een auto gestapt. Hij heeft zichzelf in deze situatie gebracht zodat het handelen waar hij zich niets van kan herinneren aan hem kan worden toegerekend. Een auto waarmee hij vervolgens op de snelweg een eenzijdige aanrijding heeft veroorzaakt en daarna die plek van de aanrijding heeft verlaten en ten tijde van zijn aanhouding geweigerd heeft om gehoor te geven aan een bevel om mee te werken aan een bloedonderzoek. Dit gedrag, en het verloop van deze nacht, baart de rechtbank zorgen.

Volgens de richtlijn van het openbaar ministerie zou voor de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar geïndiceerd zijn. De rechtbank zal tot een lagere straf komen. Ten eerste omdat het weliswaar gaat om een hoeveelheid van brandstichtingen en beschadigingen, maar al deze feiten zijn aan te merken als een reeks opeenvolgende gedragingen. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte niet recent is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 15 september 2026. Uit dit rapport volgt dat verdachte kampt met middelenproblematiek waaronder alcohol- en cannabisgebruik. Een klinisch traject is op dit moment niet realiseerbaar wegens het ontbreken van recente diagnostiek en onderbouwing van een gedragsdeskundige. De reclassering adviseert als tweede beste optie, een ambulant traject met de mogelijkheid een detox opname in te zetten. Op dit moment is het onduidelijk of verdachte zijn huurappartement kan behouden. Indien hij geen huisvesting meer heeft, zou een aanmelding bij Exodus of andere beschermd wonen instelling wenselijk zijn. Middelencontroles om abstinentie na te streven en te ondersteunen kunnen worden ingezet, evenals een Gedragsinterventie ten aanzien van leefstijl en middelengebruik. Deze laatste kan in het geval van een (deels) onvoorwaardelijke straf, in detentie al ingezet worden.

De reclassering schat het (algemene) recidiverisico hoog in. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen.

Conclusie.

Gelet op het voorgaande komt slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passende straf in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van het voorarrest.

Wegens de hoogte van de straf komt de rechtbank niet toe aan oplegging van de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

Tot slot zal de rechtbank het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis – gezien de bewezenverklaring en de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf – afwijzen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] .

Inleiding.

De benadeelde partij [slachtoffer 11] heeft een vordering tot betaling van schadevergoeding van € 12.779,48 ingediend, vanwege materiële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde onder feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde schade bestaat uit:

- post 1: inschakelen collega verhuurder: € 577,78;

- post 2: aanschaf andere bedrijfsauto: € 23.750,00;

- post 3: roerende goederen in auto: € 360,00/€ 250,20;

- post 4: volle tank diesel tijdens voorval € 209,09;

- post 5: geen orders kunnen aannemen: € 2.000,00;

- post 6: bestickering [kenteken 10] : € 1412,40.

De benadeelde partij heeft gesteld dat in totaal een bedrag van € 15.529,79 reeds is vergoed, waaronder € 14.585,00 voor de verbrande bedrijfsauto zodat voor post 2 een bedrag resteert van € 9.165,00 (€ 23.750,00 -/- € 14.585,00).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat post 1, 4 en 6 kunnen worden toegewezen. De benadeelde heeft ter immateriële schadevergoeding geen bedrag ingevuld, maar gelet op de onderbouwing en ter aansluiting bij de overige benadeelden dient er wel een bedrag van € 750,00 te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De overige posten dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, wegens onvoldoende onderbouwing en omdat de posten te ingewikkeld zijn om in het strafproces te kunnen worden beoordeeld.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft zich wat betreft post 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft verzocht post 2 niet-ontvankelijk te verklaren en de overige posten af te wijzen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw primair verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair aanzienlijk te matigen.

Beoordeling.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 11.255,18 (posten 1, 2, 4 en 6) rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit. Deze schadeposten zijn ook voldoende onderbouwd. Dit betekent dat deze posten dan ook zullen worden toegewezen.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van post 3 niet-ontvankelijk verklaren, nu niet kan worden vastgesteld wat de daadwerkelijk geleden schade betreft. Op dit punt is de vordering onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van post 4 overweegt de rechtbank dat zij niet aannemelijk acht dat de bakwagen nog een volle brandstoftank had op het moment van de brandstichting, nu de bijgevoegde factuur dateert van 23 maart 2026, terwijl de brandstichting is gepleegd op 3 april 2026. De rechtbank zal op dit punt gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 100,00. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

De vordering ten aanzien van post 5 wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard, nu iedere onderbouwing voor deze vordering ontbreekt.

Immateriële schade

Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval gaat het om laatstgenoemde categorie. De aard en de ernst van de normschending alsmede de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen meebrengen dat van bedoelde “aantasting in zijn persoon op andere wijze" sprake is (zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in de onderhavige zaak zodanig is, dat van een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden gesproken. Verdachte heeft in de nacht de bedrijfsauto van de benadeelde partij in brand gestoken. Deze auto bevond zich dicht bij de woning van de benadeelde. De benadeelde partij lag op dat moment in de woning te slapen en werd wakker van de vlammen. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde sinds het feit slecht slaapt, bang voor herhaling is en zijn auto niet meer bij zijn woning durft achter te laten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze benadeelde partij en dat daardoor sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, aannemelijk is dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Zij wijst naar billijkheid smartengeld tot een bedrag van € 750,00 toe.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Inleiding

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot betaling van schadevergoeding van € 750,00 ingediend, vanwege immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van maximaal € 500,00.

Beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in de onderhavige zaak zodanig is, dat van een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden gesproken. Verdachte heeft in de nacht de auto van de benadeelde partij in brand gestoken. Deze auto bevond zich dicht bij de woning van de benadeelde.

De benadeelde partij lag op dat moment in de woning te slapen en werd wakker van de vlammen. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde na het feit slecht sliep en bang was voor herhaling, gevoelig is voor harde geluiden en zich onveilig voelt in haar eigen woning. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze benadeelde partij en dat daardoor sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, aannemelijk is dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Zij wijst naar billijkheid het gevorderde smartengeld tot een bedrag van € 750,00 toe.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Inleiding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot betaling van schadevergoeding van € 750,00 ingediend, vanwege immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van maximaal € 500,00.

Beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in de onderhavige zaak zodanig is, dat van een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden gesproken. Verdachte heeft in de nacht de bedrijfsauto van de schoonvader van de benadeelde partij ( [slachtoffer 11] ) en de auto van de echtgenote van de benadeelde partij ( [slachtoffer 2] ) in brand gestoken. Deze auto’s bevonden zich dicht bij de woning van de benadeelde. De benadeelde partij was op dat moment in de woning aan het slapen en werd wakker van de vlammen. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde na het feit erg wantrouwend is geworden en zijn woning via camera’s tijdens zijn werk in de gaten houdt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze benadeelde partij en dat daardoor sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, aannemelijk is dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Zij wijst naar billijkheid het gevorderde smartengeld tot een bedrag van € 750,00 toe.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] .

Inleiding.

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft een vordering tot betaling van schadevergoeding van € 11.002,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder feit 3 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde schade bestaat uit:

- post 1: drie kinderstoelen: € 503,00;

- post 2: iPad: € 323,00;

- post 3: auto wassen in verband met roet: € 23,00;

- post 4: eigen risico bus: € 135,00;

- post 5: verschil prijs nieuwe bus in verband met BPM: € 6.000,00;

- post 6: dakkoffer: € 408,00;

- post 7: tank brandstof: € 113,00;

- post 8: smartengeld (bestaande uit kosten voor niet kunnen werken en BSO): € 3.497,00.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat posten 1 tot en met 4 en post 6 kunnen worden toegewezen, met de kanttekening dat bij posten 1 en 2 geen rekening is gehouden met afschrijvingskosten. Ten aanzien van post 7 heeft de officier van justitie verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Post 5 dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, wegens onvoldoende onderbouwing en omdat de post te ingewikkeld is om in het strafproces te kunnen worden beoordeeld.

De benadeelde heeft bij de immateriële schade geen bedrag ingevuld, maar gelet op de onderbouwing en ter aansluiting bij de overige benadeelden dient er wel een bedrag van

€ 750,00 te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De overige posten dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, wegens onvoldoende onderbouwing en omdat de posten te ingewikkeld zijn om in het strafproces beoordeeld te kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht de posten 1, 2, 3, 6 en 7 af te wijzen. Ten aanzien van post 5 heeft de raadsvrouw verzocht deze af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht deze met uitzondering van de kosten van het kinderdagverblijf niet-ontvankelijk te verklaren. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering op dit punt te matigen tot een bedrag van maximaal € 500,00.

Beoordeling.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade behorende bij post 1 rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 3 bewezenverklaarde feit. Wel constateert de rechtbank dat eventuele facturen ontbreken. Ook is er geen rekening gehouden met afschrijvingskosten, terwijl twee van de kinderstoelen in 2019 en 2021 zouden zijn gekocht.

Om die reden zal de rechtbank op dit punt gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 500,00. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de overige posten niet-ontvankelijk verklaren, nu niet kan worden vastgesteld wat de daadwerkelijk geleden schade betreft. Op dit punt is de vordering onvoldoende onderbouwd.

Immateriële schade

De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde partij heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, terwijl de in de vordering hierbij genoemde kosten vallen onder materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in de onderhavige zaak zodanig is, dat van een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden gesproken. Verdachte heeft in de nacht de auto van de benadeelde partij in brand gestoken. Deze auto bevond zich in de buurt van de woning van de benadeelde. De vrouw van de benadeelde partij was op dat moment in de woning aan het slapen en werd door de benadeelde partij (haar man) wakker gebeld omdat zijn auto in brand stond.

Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de kinderen van de benadeelde sinds het feit tot op heden slecht slapen en bang zijn voor herhaling. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze benadeelde partij en dat daardoor sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, aannemelijk is dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Zij wijst naar billijkheid het gevorderde smartengeld tot een bedrag van € 750,00 toe.

De vordering van de benadeelde [slachtoffer 8] .

Inleiding.

De benadeelde partij heeft een vordering tot betaling van schadevergoeding van € 2.594,22 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade geleden als gevolg van het onder feit 4 ten laste gelegde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit gereedschappen die in de verbrande bus zouden hebben gelegen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft de verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet kan worden vastgesteld dat het gereedschap daadwerkelijk in de bus heeft gelegen.

Beoordeling.

De rechtbank overweegt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Niet kan worden vastgesteld óf en zo ja, welke goederen in de auto lagen ten tijde van de brandstichting.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] .

Inleiding

De benadeelde partij heeft een vordering tot betaling van schadevergoeding ingediend, naar de rechtbank begrijpt, van € 300,00 tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder feit 7 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde schade bestaat uit het verschil tussen reparatieschade aan de achterzijde van de auto en de reeds vergoede schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering geen opmerkingen gemaakt, omdat zij in de veronderstelling is dat alle kosten inmiddels zijn vergoed.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 7 bewezenverklaarde feit. Deze schadepost is ook voldoende onderbouwd. Dit betekent dat de vordering dan ook zal worden toegewezen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 57, 157, 350 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 primair:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 2 primair:

telkens: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 3 primair:

telkens: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 4 primair:

telkens: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 5 primair:

telkens: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 6:

telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Ten aanzien van feit 7:

telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Ten aanzien van feit 8:

telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt hiervoor op de volgende straf.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair, feit 6, feit 7, feit 8: Een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 11] , van een bedrag van 12.005,18 euro, bestaande uit 11.255,18 euro materiële schade en 750,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wijst af de vordering voor zover deze ziet op de post bestaande uit een bedrag van 2.000,00 euro.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

T.a.v. feit 1 primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 11] , van een bedrag van 12.005,18 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 85 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 11.255,18 euro materiële schade en 750,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 1 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 750,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. feit 1 primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 750,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 2 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 750,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. feit 2 primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 750,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 3 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 6] , van een bedrag van 1.250,00 euro, bestaande uit 500,00 euro materiële schade en 750,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

T.a.v. feit 3 primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 6] , van een bedrag van 1.250,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 500,00 euro materiële schade en 750,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. feit 6:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

T.a.v. feit 7:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 9] , van een bedrag van 300,00 euro, bestaande uit materiële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. feit 7:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 9] , van een bedrag van 300,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,

mr. S.J.H. van de Kant en mr. S.A.R.C.W. van Asten-Munsters, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,

en is uitgesproken op 29 oktober 2026.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.M.L.A.T. Doll
  • mr. S.J.H. van de Kant
  • mr. S.A.R.C.W. van Asten-Munsters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand