ECLI:NL:RBOBR:2026:7672

ECLI:NL:RBOBR:2026:7672

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-10-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer SHE 23/745, 23/751, 23/1948 en 23/2152
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Deze zaak gaat over twee wijzigingsvergunningen voor een mestvergistingsinstallatie op De Spinder in Tilburg. Gemeente Tilburg, diverse wijkverenigingen en milieuverenigingen hebben hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft een tussenuitspraak gedaan ECLI:NL:RBOBR:2025:7040. Het college heeft herstelbesluiten genomen. Hierbij heeft het college onder andere 2 bepaald dat de mestvergister in vier opeenvolgende stappen in gebruik mag worden genomen als het bevoegd gezag goedkeuring heeft verleend en daarvoor een kader gegeven in de daaropvolgende voorschriften. De rechtbank is van oordeel dat het college de gevolgen voor het milieu vanwege de onzekerheid over de haalbaarheid van de emissiegrenswaarde hiermee voldoende heeft kunnen beperken. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen aannemen dat de eerste stap kan worden gehaald. De rechtbank corrigeert nog wel een voorschrift in een van de besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 23/745E, SHE 23/751, SHE 23/1948 en SHE 23/2152

einduitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2026 in de zaken tussen

1. 1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, eiser 1

(gemachtigden: mr. E.P. Euverman en mr. S.M. Schipper)

2. Stichting Brabantse Milieufederatie, Stichting Wijkraad Stokhasselt, Stichting Noordraad Heikant-Quirijnstok, alle uit Tilburg, de Vereniging Natuurmonumenten, uit Amersfoort, en Stichting het Noord-Brabants Landschap, uit Haaren, eisers 2,

(gemachtigde: [naam] )

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college

(gemachtigde: mr. H. Witbreuk).

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: [naam] B.V. tevens handelend onder de naam [naam] B.V. uit [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. M.G. Ramakers) en [naam] B.V. uit [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. W.G.B. van de Ven) ( [naam] ).

Procesverloop

1. Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2025heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in die tussenuitspraak. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak een voorlopige voorziening getroffen en de omgevingsvergunning 2022 en de omgevingsvergunning 2023 geschorst tot en met de einduitspraak in deze zaken en bepaald dat de mestvergister in gebruik mag worden genomen als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

De rechtbank heeft bepaald dat de toestemming voor ingebruikname vervalt als niet wordt voldaan aan deze voorwaarden.

Bij brief van 10 december 2025 heeft het college de rechtbank medegedeeld dat de gestelde termijn niet haalbaar is en verzocht om een nieuwe termijn te stellen. De rechtbank heeft dit als een verzoek gezien om de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen.

Bij tussenuitspraak van 9 februari 2026 heeft de rechtbank op verzoek van het college de termijn voor het nemen van herstelbesluiten verlengd tot en met 23 april 2026.

Het college heeft op 21 april 2026 een herstelbesluit genomen ten behoeve van de in 2023 verleende omgevingsvergunning (in de procedures SHE 23/1948 en SHE 23/2152) en op 23 april 2026 een herstelbesluit genomen ten behoeve van de in 2022 verleende omgevingsvergunning (in de procedures SHE 23/745 en SHE 23/751). De herstelbesluiten worden hierna aangeduid als het herstelbesluit 2022 respectievelijk het herstelbesluit 2023. Beide herstelbesluiten zijn ter inzage gelegd tot en met 8 respectievelijk 9 juni 2026. Met de herstelbesluiten zijn de beide omgevingsvergunningen uit 2022 en 2023 ingetrokken en zijn opnieuw vergunningen verleend.

Eisers 2 hebben op 29 mei 2026 een (gecombineerde) zienswijze ingediend op beide herstelbesluiten. Eiser 1 heeft, nadat de rechtbank daartoe gelegenheid heeft geboden, op 2 juli 2026 een zienswijze ingediend op beide herstelbesluiten. [naam] heeft aangegeven dat zij zich kan vinden in beide herstelbesluiten. [naam] heeft niet gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder een vervolgzitting op 5 augustus 2026.

Overwegingen

Inleiding

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

Hierna geeft de rechtbank een korte samenvatting van de tussenuitspraak en een beschrijving van beide herstelbesluiten. Daarna beoordeelt de rechtbank, mede aan de hand van de ingediende zienswijzen, of de, in de tussenuitspraak geconstateerde, gebreken zijn hersteld.

De beroepen van eisers richten zich op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege (automatisch) tegen de herstelbesluiten. Omdat in beide herstelbesluiten de eerder verleende omgevingsvergunningen worden ingetrokken en niet is gebleken dat eisers nog belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten, zal de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk verklaren.

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Ow (IwOw) in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvragen voor de bestreden besluiten zijn ingediend vóór 1 januari 2024. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning van 2023 is aangevuld op 15 januari 2026 en dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning van 2022 op 29 januari 2026 is aangevuld. In beide herstelbesluiten zijn deze aanvullingen van beide aanvragen aangeduid als ondergeschikte wijzigingen. Eisers hebben dit niet bestreden en ook de rechtbank beschouwt de aanvullingen als ondergeschikte wijzigingen. Daarom blijft het oude recht dat gold vóór 1 januari 2024 op deze aanvragen, inclusief de latere aanvullingen en de daarop genomen herstelbesluiten, van toepassing.

Samenvatting tussenuitspraak

3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het volgende (kort samengevat) geoordeeld:

- ( (rechtsoverweging 5) Het ontstaan van een natuurvergunningplicht naar aanleiding van de gewijzigde rechtspraak van de Afdeling over intern salderen leidt niet tot het oordeel dat de omgevingsvergunning 2022 is verleend in strijd met artikel 2.7 van de Wabo, gelet op rechtsoverweging 25 van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024. Als de rechtbank de omgevingsvergunning 2022 zou vernietigen wegens strijd met artikel 2.7 van de Wabo om deze reden en het college een nieuw besluit zou moeten nemen op de aanvraag van [naam] uit 2021, zou op dit moment alsnog geen sprake zijn van een aanhaakverplichting omdat [naam] inmiddels een losse omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit heeft aangevraagd.

(rechtsoverweging 6) Het college heeft de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 7.28 van de Wet milieubeheer verleend.

(rechtsoverweging 7) Het college is er ten onrechte van uitgegaan dat sprake is van een milieuneutrale wijziging en heeft de omgevingsvergunning 2022 ten onrechte voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure.

(rechtsoverweging 9) De onderbouwing van de ruimtelijke inpasbaarheid en daarmee de toestemming voor de ruimtelijke afwijking zijn onvoldoende gemotiveerd.

(rechtsoverweging 14) Voorschrift 1.2.1 van de omgevingsvergunning 2023 corrigeert een kennelijke verschrijving in de voorliggende omgevingsvergunning van 2018. De norm van 32.111 OuE/s is in de omgevingsvergunning van 2018 als aanvaardbaar beoordeeld. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat vergunninghoudster de verplichting in voorschrift 1.2.1 niet kan naleven, waarmee de omgevingsvergunning 2023 impliciet is geweigerd. Dit is geen kwestie van handhaven. Met voorschriften 1.2.2 en 1.2.6 worden de nadelige gevolgen voor het milieu onvoldoende beperkt en voorkomen.

(rechtsoverweging 15) De beroepsgronden tegen voorschrift 1.2.4 (monitoringsplan) en de in 1.2.2 en 1.2.3 opgenomen meetverplichtingen slagen niet.

Voorafgaand aan de tussenuitspraak hebben het college en vergunninghoudster (op aangeven van de rechtbank) de proef op de som genomen. In de resultaten heeft de rechtbank aanleiding gezien om suggesties te doen voor een wijziging van de omgevingsvergunningen van 2022 en 2023 in overleg met eisers. Deze suggestie betreft het stapsgewijs in gebruik nemen van de installatie. De rechtbank heeft het college en vergunninghoudster de gelegenheid geboden (maar niet de verplichting opgelegd) om deze suggestie over te nemen en daartoe een tussenuitspraak gedaan. Daarnaast heeft de rechtbank een voorlopige voorziening getroffen, beide omgevingsvergunningen geschorst en bepaald dat de mestvergister onder voorwaarden in gebruik mag worden genomen.

De rechtbank heeft de aanwijzing gegeven het herstelbesluit 2022 te nemen nadat het herstelbesluit 2023 is genomen.

Beschrijving herstelbesluiten

4. In het herstelbesluit 2023 wordt vergunning verleend voor de activiteiten bouwen, gebruik in afwijking van het bestemmingsplan en milieu (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, c en e, van de Wabo). Het college heeft bepaald dat geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld. Verder heeft het college maatwerkvoorschrift 3.1.1 uit de omgevingsvergunning van 4 april 2018 ingetrokken en vervangen door vergunningsvoorschrift 1.2.1 van het herstelbesluit 2023 en ambtshalve voorschriften verbonden aan het herstelbesluit met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, van de Wabo.

Het college heeft in voorschrift 1.2.2 bepaald dat de drooginstallatie van de mestvergister in vier opeenvolgende stappen in gebruik mag worden genomen als het bevoegd gezag goedkeuring heeft verleend en daarvoor een kader gegeven in de daaropvolgende voorschriften. Het herstelbesluit 2023 voorziet daarnaast in voorschriften die verplichten tot monitoring en het beschikken over een klachtenprotocol.

In het herstelbesluit 2022 wordt vergunning verleend voor de activiteiten bouwen, gebruik in afwijking van het bestemmingsplan en milieu (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, c en e, van de Wabo).

5. De rechtbank heeft kennisgenomen van de tussenuitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 over de beroepen van de derde-partijen tegen de vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Spinder 2017, partiële herziening" (het bestemmingsplan). Hierin heeft de Afdeling overwogen dat niet in geschil is dat de regeling in het bestemmingsplan in de weg staat aan vestiging van nieuwe mestbewerkende bedrijven op De Spinder en aan uitbreiding van het bestaande mestbewerkingsbedrijf op De Spinder, maar dat de regeling niet beoogt te verhinderen dat de in 2022 en 2023 vergunde mestbewerking op De Spinder plaatsvindt. De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat in de herstelbesluiten niet wordt afgeweken van het bestemmingsplan dat is beoordeeld door de Afdeling.

Omvang van het geding

6. Eiser 1 merkt op dat op verzoek van het college [naam] op 18 december 2025 een geurreductieplan ter goedkeuring aan het college heeft voorgelegd, dat het vervolgens op 19 december 2025 heeft goedgekeurd. Hiertegen heeft eiser 1 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard en eiser heeft hiertegen apart beroep ingesteld (SHE 26/2618). Eiser 1 stelt dat het college en [naam] tijdens de hoorzitting zouden hebben gezegd dat het geurreductieplan onderdeel uitmaakt van het herstelbesluit 2023. Dat wordt door eiser 1 betwist. Het maakt volgens eiser 1 nadrukkelijk geen onderdeel uit van het herstelbesluit 2023.

In het herstelbesluit 2023 is aangegeven welke onderdelen van de aanvraag ook onderdeel uitmaken van de vergunning. De aanvulling op de aanvraag van 15 januari 2026 maakt onderdeel uit van de vergunning met uitzondering van bijlage 2 (het geurreductieplan). In voorschrift 1.2.5 is een verplichting opgenomen om een geurreductieplan op te stellen als uit twee opeenvolgende representatieve geuremissiemetingen binnen dezelfde stap blijkt dat niet wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden in voorschrift 1.2.1. In voorschrift 1.2.6 is aangegeven onder welke voorwaarden het bevoegd gezag een ingediend geurreductieplan als bedoeld in voorschrift 1.2.5 goedkeurt. Hierin is ook aangegeven dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen en dat het goedkeuringsbesluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In de overwegingen van het herstelbesluit 2023 (op pagina 30) heeft het college aangegeven dat een geurreductieplan is ingediend en op 19 december 2025 door het college is goedgekeurd. Het college overweegt verder dat met uitvoering van dit goedgekeurde geurreductieplan het gebruik van de drooginstallatie op milieu hygiënisch verantwoorde wijze kan worden voortgezet.

De rechtbank is van oordeel dat het geurreductieplan geen onderdeel uitmaakt van het herstelbesluit 2023. Het maakt wel onderdeel uit van de aanvraag maar niet van het herstelbesluit 2023 omdat het nadrukkelijk wordt uitgezonderd. Er staat een aparte rechtsgang tegen open (waar gebruik van wordt gemaakt). Dat betekent dat het beroep van eiser 1 zich in deze procedure niet kan richten tegen het geurreductieplan of de goedkeuring daarvan. De rechtbank maakt uit de overwegingen van het herstelbesluit 2023 overigens wel op dat het geurreductieplan onderdeel uitmaakt van de motivering en onderbouwing van dit herstelbesluit 2023 alsmede dat in het herstelbesluit 2023 het toepassen van waterstofperoxide (een maatregel uit het geurreductieplan) wordt vergund. Het herstelbesluit 2022 verwijst ter onderbouwing naar het herstelbesluit 2023 en in zoverre dus ook naar de onderbouwing voor zover wordt verwezen naar het geurreductieplan.

Zienswijzen met betrekking tot beide herstelbesluiten

7. Eisers 2 herhalen dat sprake is van een geïntegreerde chemische installatie zodat sprake is van een plicht om een milieueffectrapport op te stellen.

Deze zienswijze is behandeld in rechtsoverweging 6 van de tussenuitspraak. In hetgeen eisers 2 aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding terug te komen op de tussenuitspraak.

8. Eisers 2 zijn van mening dat een aanhaakplicht geldt voor de natuurtoestemming en dat de herstelbesluiten in strijd met artikel 2.7 van de Wabo zijn genomen. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet kan niet gelijk worden gesteld met een aanvraag voor een natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). De herstelbesluiten hadden niet mogen worden genomen zonder een daartoe afgegeven verklaring van geen bedenkingen op basis van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.5 van de tussenuitspraak geoordeeld dat geen aanhaakplicht geldt omdat een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is aangevraagd (die betrekking heeft op alle in het herstelbesluit 2022 en 2023 vergunde wijzigingen). Het is na 1 januari 2024 onmogelijk om een aanvraag op basis van de Wnb in te dienen, omdat deze is ingetrokken. Er is geen noodzaak om naast een reeds ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit de aanvraag voor de omgevingsvergunning aan te vullen met een aanvraag voor een activiteit op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in combinatie met artikel 2.2aa van het Bor. Daargelaten dat dit een zodanig ingrijpende wijziging is dat een nieuwe aanvraag (onder de Omgevingswet) moet worden ingediend, is er geen extra vergunningplicht meer op grond van de Wabo, als die omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit wordt verleend. Als die omgevingsvergunning niet wordt verleend, kan het project sowieso niet doorgaan. De rechtbank ziet geen aanleiding terug te komen op de tussenuitspraak.

9. Eiser 1 is van oordeel dat in het herstelbesluit 2023 en het daarop gebaseerde herstelbesluit 2022 het StAB-advies verkeerd is weergegeven.

De rechtbank merkt hierover op dat het StAB-advies is gegeven vóór de tussenuitspraak en niet wijzigt door de herstelbesluiten. De rechtbank baseert haar oordeel op het StAB-advies zelf. In het midden kan blijven of het college een juiste weergave van het StAB-advies geeft in de herstelbesluiten want deze weergave heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van beide herstelbesluiten.

Zienswijzen met betrekking tot herstelbesluit 2023

10. Volgens eisers 2 is de geuremissiewaarde van 25.185 Ou/sec (in de omgevingsvergunning van 2018) geen kennelijke verschrijving die zonder meer kan worden hersteld en wordt met de vervanging van het maatwerkvoorschrift 3.1.1 uit de omgevingsvergunning van 2018 door voorschrift 1.2.1 van het herstelbesluit 2023 een ruimere geurnorm opgenomen.

In rechtsoverweging 7.6 van de tussenuitspraak oordeelde de rechtbank, in navolging van de StAB, dat de geuremissiegrenswaarde in maatwerkvoorschrift 3.1.1 bij de omgevingsvergunning 2018 een kennelijke verschrijving bevat. De rechtbank ziet in hetgeen eisers 2 aanvoeren geen aanleiding terug te komen op dit oordeel. De rechtbank oordeelde in de tussenuitspraak dat het college gehouden is om bij opvolgende vergunningen deze verschrijving te corrigeren. Dat heeft het college gedaan in het herstelbesluit 2023. Het college heeft in dit verband terecht benadrukt dat de grenswaarde in voorschrift 1.2.1 is afgeleid van de grenswaarde in de omgevingsvergunning van 2018 (waarbij het maatwerkvoorschrift 3.1.1 uit de omgevingsvergunning van 2018 wordt vervangen door voorschrift 1.2.1 met herstel van de kennelijke verschrijving).

11. Eisers 2 blijven van mening dat de werkelijke ongereinigde geurvracht zeer veel hoger is dan waar het college van lijkt uit te gaan. Deze geurvracht valt niet te reinigen. Eisers 2 vrezen dat nooit aan de geuremissiegrenswaarde van 32.110 Ou/sec kan worden voldaan zodat voorschrift 1.2.1 eigenlijk betekent dat de vergunning impliciet wordt geweigerd. Ter onderbouwing verwijzen eisers 2 naar een rapport van ing. O. Mouwen waarin de kritiek op de door het college gehanteerde uitgangspunten en de beoordeling van de geurvracht is verzameld. Het stapsgewijs opstarten van de installatie brengt hierin geen verandering, omdat uit de metingen van 16 oktober 2025 is gebleken dat bij 25% van de capaciteit (dus bij de eerste stap) de geuremissiewaarde al wordt overschreden. Eisers 2 pleiten daarom voor het opnemen van een extra stap voor 12,5% van de capaciteit waarbij wordt getoetst aan de helft van de geuremissiewaarde in voorschrift 1.2.1 van herstelbesluit 2023. Daarnaast zijn zij van mening dat door het opnemen van een gereduceerde geuremissiewaarde bij opeenvolgende stappen onvoldoende waarschijnlijk is dat bij opvolgende stappen wordt voldaan aan de geuremissiewaarde. Eiser 1 heeft ook een extra stap voorgesteld en hierbij opgemerkt dat beide droogbanden niet gelijktijdig in werking zijn. Eiser 1 kan zich wel vinden in de door het college voorgestelde gecorrigeerde grenswaarde.

In paragraaf 3.9 van het herstelbesluit 2023 herhaalt het college dat de grenswaarde in voorschrift 1.2.1 is ontleend aan de omgevingsvergunning van 4 april 2018 waarbij wel een kennelijke verschrijving wordt hersteld. Het college merkt op dat mogelijk sprake is van een geurvracht die maximaal een factor 1.86 hoger ligt dan de geurvracht waarmee in de omgevingsvergunning van 2018 op basis van de toen beschikbare informatie rekening is gehouden. Dit is voor het college aanleiding geweest om aanvullende voorschriften te stellen. Het college baseert zich hierbij op het advies van de StAB van 12 juli 2023, de geurmetingen in 2024 en 2025, de klachtenregistraties, het monitoringsplan, de tussenuitspraak en de aanvulling van de aanvraag van 15 januari 2026. In het StAB- advies leest het college dat de StAB concludeert dat de grenswaarde haalbaar is met een goed afgestelde drievoudige gaswassing eventueel aangevuld met een actief koolfilter. Bij drie van de zeven uitgevoerde metingen in 2024 en 2025 (waarbij de capaciteit van de drooginstallatie tot maximaal 30% werd benut) werd de geuremissiewaarde overschreden. [naam] heeft daarna een geurreductieplan ingediend. Met het geurreductieplan kan volgens het college het gebruik van de drooginstallatie op milieu hygiënisch verantwoorde wijze worden voortgezet. Het college kan geen directe relatie leggen tussen de klachtenregistraties en de resultaten van de geurmetingen. Na de tussenuitspraak heeft het college bepaald dat de drooginstallatie stapsgewijs in bedrijf mag worden genomen waarbij de volgende stap mag worden gezet na goedkeuring van het college en na twee opeenvolgende uitgevoerde geurmetingen. Voorschrift 1.2.2 van het herstelbesluit voorziet in vier stappen van ieder 25%. In voorschrift 1.2.3 is bepaald dat bij de eerste drie stappen moet worden voldaan aan een lagere geuremissiewaarde (75% van de in voorschrift 1.2.1 bepaalde waarde). Hiermee beoogt het college te voorkomen dat (als in metingen bij de eerste stappen net aan de capaciteit wordt voldaan) een stap wordt genomen terwijl waarschijnlijk is dat niet wordt voldaan. Het college benadrukt dat de capaciteit van de vergistingsinstallatie en de hoogte van de schoorsteen niet wijzigen. Bij de weerlegging van de gelijkluidende zienswijzen van eisers 2 merkt het college op een extra stap niet noodzakelijk te vinden, omdat altijd moet worden voldaan aan de geuremissiegrenswaarde uit voorschrift 1.2.1.

De beoordeling in de omgevingsvergunning van 2018 is al onderwerp geweest van een juridische procedure, namelijk de beoordeling van de rechtmatigheid van de verzoeken om intrekking van de omgevingsvergunning van 2018 die heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 31 oktober 2025. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 9 van die uitspraak. In de uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de afwijzing van de intrekkingsverzoeken gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na de einduitspraak in deze procedure.

Eisers 2 voeren terecht aan dat onduidelijk is wat de omvang is van de ongereinigde geurvracht. Zij wijzen hierbij op meerdere kritische kanttekeningen in het rapport van ing. O. Mouwen. Deze onzekerheid impliceert echter niet dat onder geen beding een omgevingsvergunning kan worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat het college de gevolgen voor het milieu vanwege de onzekerheid over de haalbaarheid van de emissiegrenswaarde voldoende heeft kunnen beperken door het stapsgewijs in werking nemen van de installatie na goedkeuring van het college waarbij tegen het goedkeuringsbesluit rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Dit was ook de suggestie van de rechtbank in rechtsoverweging 18.6 van de tussenuitspraak. Als gevolg van voorschrift 1.2.2 voorziet het herstelbesluit 2023 in een expliciete weigering van het bij aanvang zonder beperkingen in werking zijn van de installatie. Door de installatie stapsgewijs in werking te nemen, kan het bevoegd gezag beter beoordelen of de installatie werkt zonder dat dit ontoelaatbare milieugevolgen heeft voor de omgeving (als de volledige capaciteit meteen volledig wordt benut maar de installatie de geurvracht onvoldoende reinigt).

De resterende vraag is of de emissiegrenswaarde bij de eerste stap (25% capaciteit) haalbaar is of niet. Als op voorhand duidelijk is dat deze eerste stap ook niet wordt gehaald, is immers wel sprake van een algehele impliciete weigering van de aanvraag.

Uit de verrichtte geurmetingen blijkt dat bij drie van de zeven metingen de geuremissiewaarde ruimschoots wordt overschreden. Hierbij was de installatie voor 25% of meer in gebruik. Bij de overige vier metingen (waarvan drie metingen zijn verricht bij 25% capaciteit of meer) wordt dan weer wel ruim voldaan aan de geuremissiewaarde. Naar het oordeel van de rechtbank is het op basis van de uitgevoerde geurmetingen onvoldoende zeker of de gecorrigeerde geuremissiewaarde bij de eerste stap (25% productiecapaciteit) wordt gehaald. De verwijzing naar de geuremissiewaarde in voorschrift 1.2.1 leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat juist om de vraag of door het stellen van deze geuremissiewaarde (inclusief de correctie daarvan in voorschrift 1.2.3) de vergunning impliciet is geweigerd.

Ter onderbouwing dat de geuremissiewaarde bij de eerste stap desondanks wel kan worden behaald, verwijst het college vervolgens naar het door [naam] ingediende geurreductieplan en het goedkeuringsbesluit. Het geurreductieplan voorziet in twee directe maatregelen om de geuremissie te beperken, namelijk de aanpassing van het werkzame actieve bestanddeel in de wasvloeistof in de tweede wastrap (natriumhypochloriet wordt vervangen door waterstofperoxide) en verlaging van de droogtemperatuur in de droger. Als dit niet werkt voorziet het geurreductieplan in twee aanvullende maatregelen, namelijk het terugbrengen van de drogercapaciteit of het afvangen van geurcomponenten met een actief koolfilter.

Eisers 2 verwijzen naar het rapport van ing. O. Mouwen. Hij heeft in zijn rapport het toepassen van waterstofperoxide benoemd aan de hand van een test bij een andere installatie in 2017. Uit dit onderzoek blijkt dat het toepassen van waterstofperoxide leidt tot een lager reinigingsrendement dan bij toepassing van hypochloriet.

In de weerlegging van de gelijkluidende zienswijze op het ontwerp-herstelbesluit relativeert het college de verwijzing naar het rapport van ing. O. Mouwen. Het college benadrukt dat het toepassen van waterstofperoxide nog niet is getest. Juist de toepassing van natriumhypochloriet neemt weliswaar een mestgeur weg, maar voegt een industriële geur toe (in tegenstelling tot waterstofperoxide). Het college verwacht dat de emissiegrenswaarde kan worden gehaald. Het college benadrukt dat juist door de stapsgewijze inwerkingtreding goed is geborgd dat wordt voldaan aan de geldende geuremissiewaarden.

De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat het geurreductieplan geen onderdeel uitmaakt van het herstelbesluit 2023. Het college heeft het geurreductieplan goedgekeurd bij besluit van 19 december 2025. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Dit bezwaar is bij besluit op bezwaar van 23 juli 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld wat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/2618. Hierop is nog niet beslist. Dat neemt niet weg dat het college kan verwijzen naar de inhoud van het geurreductieplan. Of dit voldoende is, wordt hierna beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat het college op basis van het ingediende geurreductieplan niet behoefde aan te nemen dat de gecorrigeerde geuremissiewaarde bij de eerste stap niet kan worden gehaald (waarmee de aanvraag geheel zou worden geweigerd). Het geurreductieplan maakt duidelijk dat er voldoende alternatieven zijn om de gecorrigeerde geuremissiewaarde bij de eerste stap wel te halen. De in het rapport van ing. O. Mouwen aangehaalde onderzoeken van proefnemingen betroffen een andere installatie. Dit is onvoldoende om op voorhand aan te nemen dat de toepassing van waterstofperoxide in deze installatie geen positief effect heeft. Eisers 2 weerspreken niet dat de proefnemingen hebben plaatsgevonden bij een kleine tijdelijke pilotinstallatie, zodat de rechtbank betwijfelt of uit deze onderzoeken kan worden afgeleid dat de, in het herstelbesluit 2022 en 2023 vergunde installatie hetzelfde zal presteren. Het college benadrukt terecht dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de toepassing van waterstofperoxide geen effect heeft. In het midden kan blijven hoe betrouwbaar de meetresultaten van de proefnemingen bij de andere installatie zijn. Het college heeft daarnaast gewezen op andere maatregelen als het verlagen van de droogtemperatuur. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat ook de StAB de toepassing van een actief koolfilter als aanvullende techniek heeft genoemd die in staat kan worden geacht om net die geurcomponenten te verwijderen die niet door de gaswasser worden opgenomen. De alternatieven (het toepassen van waterstofperoxide, verlagen droogtemperatuur en het toepassen van een actief koolfilter) worden genoemd in het geurreductieplan en moeten deels nog worden geïmplementeerd. Het is daarom te vroeg om op voorhand aan te nemen dat ook in de eerste stap niet kan worden voldaan aan de in voorschrift 1.2.3 gecorrigeerde geuremissiewaarde uit voorschrift 1.2.1. Dat betekent dat geen sprake van een algehele impliciete weigering van de aanvraag.

12. Eiser 1 wijst op een omissie in voorschrift 1.2.4 waarin weliswaar is bepaald dat moet worden voldaan aan voorschrift 1.2.2 maar niet is bepaald dat ook moet worden voldaan aan de in voorschrift 1.2.3 gecorrigeerde geuremissiewaarde. Eisers 2 bepleiten sowieso een verdergaande correctie van de geuremissiegrenswaarde uit voorschrift 1.2.1.

Het college heeft in herstelbesluit 2023 het volgende overwogen: “Concreet betekent dat dus dat naar de volgende stap kan worden gegaan als uit twee opeenvolgende representatieve metingen volgt dat wordt voldaan aan de geldende geuremissiegrenswaarde bij een capaciteit behorende bij de huidige stap uit tabel 2. Bijvoorbeeld: wanneer van stap 1 naar stap 2 wordt gegaan wordt alleen goedkeuring door het bevoegd gezag verleend wanneer uit twee opeenvolgende geuremissiemetingen volgt dat bij een capaciteit van 20 tot 25 procent wordt voldaan aan de betreffende geuremissiegrenswaarde (uit tabel 2). Met ‘twee opeenvolgende geuremissiemetingen ‘wordt bedoeld dat het gaat om twee op elkaar volgende geuremissiemetingen waaruit volgt dat wordt voldaan aan de geldende geuremissiegrenswaarden uit tabel 2.”

De rechtbank begrijpt deze passage aldus dat het college voor ogen heeft gehad dat in de stappen wordt voldaan aan de gecorrigeerde emissiegrenswaarde in tabel 2. Dit is niet met zoveel woorden bepaald in voorschrift 1.2.4. Dit wordt bevestigd door de weerlegging van de zienswijzen in bijlage 5. Voorschrift 1.2.4 is naar het oordeel van de rechtbank niet goed geformuleerd omdat het de kennelijke bedoeling van het college onvoldoende duidelijk weergeeft. De rechtbank zal dit herstellen in de einduitspraak. Gelet op hetgeen hierboven is geoordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verdergaande correctie van de geuremissiegrenswaarde.

13. Eiser 1 vindt dat een geurreductieplan moet duiden hoe op basis van geurmetingen kan worden gegarandeerd dat er alsnog aan de emissiegrenswaarden binnen dezelfde stap moet worden voldaan. Het bewijzen dat een maatregel effectief is, kan alleen door geurmetingen die worden verricht nadat de maatregelen zijn geïmplementeerd. Eiser 1 verwijst naar zijn (door het college niet besproken) zienswijze op het ontwerp-herstelbesluit.

Voorschrift 1.2.5 in het herstelbesluit 2023 verplicht vergunninghoudster (samengevat) om maatregelen te treffen zodat wordt voldaan aan de geuremissiewaarde in voorschrift 1.2.1 en die maatregelen te beschrijven in een geurreductieplan als vergunninghoudster het gebruik van de drooginstallatie wil voortzetten. Dit geurreductieplan moet worden goedgekeurd en dat wordt geregeld in voorschrift 1.2.6. Overigens is in voorschrift 1.2.5 bepaald dat pas een geurreductieplan moet worden opgesteld bij overschrijding van de geuremissiegrenswaarde uit voorschrift 1.2.1 en eisers hebben hiertegen geen zienswijzen naar voren gebracht.

De rechtbank stelt voorop dat het ingediende geurreductieplan dat onderdeel uitmaakt van de aanvulling van de aanvraag, niet een geurreductieplan is op basis van het herstelbesluit 2023 want dat was ten tijde van het indienen van het geurreductieplan nog niet in werking getreden. Het voorschrift vervangt het voorschrift 1.2.6 uit de omgevingsvergunning 2023, waarin ook een verplichting was opgenomen om een geurreductieplan op te stellen als uit geurmetingen blijkt dat op enig moment niet voldaan wordt aan voorschrift 1.2.1. Weliswaar is in de tussenuitspraak de omgevingsvergunning 2023 geschorst, maar hierbij is ook bepaald dat de mestvergister in gebruik mag worden genomen als de voorschriften in paragraaf 1.2 en 1.3 van de omgevingsvergunning 2023 worden nageleefd.

De rechtbank leest in voorschrift 1.2.5 en 1.2.6 niet de absolute verplichting om met geurmetingen aan te tonen dat de maatregelen van het geurreductieplan effectief zijn. Dit hoeft ook niet, want voorschrift 1.2.4 voorziet al in een meetverplichting. Zolang vergunninghoudster niet voldoet aan voorschrift 1.2.1 of 1.2.4, handelt zij in strijd met het vergunningsvoorschrift en dus in strijd met artikel 5.5 van de Omgevingswet. Dit staat los van de voorwaardelijke toestemming om het gebruik van de drooginstallatie voort te zetten op basis van een goedgekeurd geurreductieplan. Met andere woorden, het college kan handhavend optreden als uit metingen blijkt dat niet wordt voldaan aan de geuremissiewaarde in voorschrift 1.2.1 met eventueel correctie op basis van voorschrift 1.2.3 ongeacht het opstellen respectievelijk goedkeuren van een geurreductieplan. Daarmee zijn de belangen van de omgeving voldoende beschermd.

14. Eisers 2 begrijpen niet waarom een factor 2 vanwege meetonnauwkeurigheid bij geurmetingen ingevolge voorschrift 1.2.7 mag worden toegepast. Dit is geen gangbare praktijk bij vergunningverlening.

In voorschrift 1.2.7 is bepaald dat de geuremissiemetingen moeten plaatsvinden overeenkomstig de NTA9065-2023 Luchtkwaliteit Geurmetingen deel 1 en 2. In de weerlegging van de gelijkluidende zienswijze van eisers 2 merkt het college op dat de NTA9065-2023 Luchtkwaliteit Geurmetingen toelaat om een factor 2 voor wat betreft verdiscontering van de meetonzekerheid toe te passen en dat deze factor aan de veilige kant is. Dit is volgens het college een gangbare praktijk.

De rechtbank stelt vast dat het college de meest recente meetmethodiek dwingend heeft voorgeschreven in voorschrift 1.2.7. Voorschrift 1.2.7 is van toepassing op alle geurmetingen die in het kader van de vergunning moeten plaatsvinden. Er is geen onderscheid gemaakt in de verschillende geurmetingen. Ook de geurmetingen die noodzakelijk zijn om goedkeuring te verkrijgen voor een volgende stap vallen hieronder. In voorschrift 1.2.7 is niet dwingend bepaald welke meetfactor wordt toegepast. De rechtbank stelt voorop dat deze zienwijze meer is gericht tegen de voorgenomen uitvoering van herstelbesluit 2023 en in zoverre geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van herstelbesluit 2023. De geurmetingen dienen niet alleen om een goedkeuring voor een opvolgende stap te verkrijgen maar kunnen voor meerdere doelen worden gebruikt. Aan de hand van de omstandigheden van het geval en het doel van de geurmeting kan worden bepaald welke meetfactor moet worden toegepast. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit dat op de geurmeting is gebaseerd kan aan de orde komen of het bevoegd gezag de betreffende meetfactor heeft kunnen toepassen.

De rechtbank leidt uit de toelichting in paragraaf 6.3 "De meetpraktijk, eisen en aanbevelingen" van de NTA 9065:2012 af dat de meetfactor 2 ter verdiscontering van de meetonzekerheid van toepassing kan worden verklaard op geurmetingen. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt in het doel van de geurmetingen. De geurmetingen op basis van voorschrift 1.2.4 van het herstelbesluit 2023 dienen weliswaar mede om goedkeuring te kunnen verkrijgen voor een opvolgende stap met meer capaciteit maar dezelfde metingen kunnen er ook toe leiden dat het college handhavend optreedt of dat een geurreductieplan moet worden overgelegd. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022 in een andere zaak waar de voorgaande NTA ook ter discussie stond. Dit betrof een handhavingszaak. De rechtbank leidt hieruit af dat het toepassen van een factor 2 ter verdiscontering van de meetonzekerheid in handhavingszaken en toezichtzaken een gangbare praktijk was onder de voorgaande NTA. De rechtbank ziet geen aanleiding de toepassing van een meetfactor 2 ter verdiscontering van de meetonzekerheid op voorhand bij iedere geurmeting uit te sluiten. De rechtbank is van oordeel dat voorschrift 1.2.7 van het herstelbesluit 2023 in stand kan blijven.

15. Eiser 1 vraagt zich af hoe de resultaten van de metingen met overige partijen of de omgeving worden gedeeld.

Voorschrift 1.2.8 bevat hierover geen voorschriften of verplichtingen. Het college heeft in reactie op de gelijkluidende zienswijze aangegeven dat het geen aanleiding ziet om vergunninghoudster een verplichting op te leggen om meetresultaten meteen te delen met andere betrokkenen. Metingen op basis waarvan een goedkeuringsbesluit wordt genomen (om over te gaan naar een volgende stap) zal het college ter inzage leggen met het betreffende goedkeuringsbesluit. Dat acht het college voldoende.

De rechtbank stelt voorop dat het college slechts aan vergunninghoudster kan opleggen om de resultaten van geurmetingen te delen met anderen dan het college. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026. Het college heeft geen aanleiding gezien om een dergelijke verplichting aan vergunninghoudster op te leggen in voorschrift 1.2.8. Gelet op de toezegging van het college om geurmetingen ter inzage te leggen met het appellabele goedkeuringsbesluit, acht de rechtbank een verdergaande verplichting aan vergunninghoudster om meetresultaten te delen niet nodig.

16. Eiser 1 vindt dat in voorschrift 1.2.11 over het monitoringsplan onvoldoende is geborgd dat aandacht wordt gegeven aan het rendement van de luchtwasser. Dat stond ook in het bestreden besluit.

Het college heeft in de weerlegging van de gelijkluidende zienswijze aangegeven dat voorschrift 1.2.11, onder b, van het herstelbesluit 2023 vergunninghoudster reeds verplicht een beschrijving te geven van de wijze waarop het rendement van de emissiereducerende technieken wordt gemeten.

De rechtbank stelt vast dat dit inderdaad staat in voorschrift 1.2.11, onder b, van het herstelbesluit 2023. In voorschrift 1.2.4, onder b, van de oorspronkelijke omgevingsvergunning 2023 stond dat het monitoringsplan een beschrijving van hoe het rendement gemeten wordt moest bevatten. Dit beschouwt de rechtbank als een identieke verplichting. Er is geen aanleiding voor een aanvullende verplichting.

17. Eiser 1 leest meer in de ingediende klachten dan het college. Het college had uitgebreider hierop moeten ingaan. Eiser 1 wil de aard en de data van de klachten weten.

De rechtbank ziet in deze zienswijze geen aanleiding voor aanpassing van het in voorschriften 1.2.13 en 1.2.14 opgenomen klachtenprotocol.

Zienswijzen over herstelbesluit 2022.

18. Eiser 1 en eisers 2 merken beide op dat het herstelbesluit 2023 wordt gebruikt als onderbouwing van het herstelbesluit 2022 maar voeren geen afzonderlijke zienswijzen tegen herstelbesluit 2022 aan.

De rechtbank is van oordeel dat de gebreken in het herstelbesluit 2022 zijn hersteld als de gebreken in het herstelbesluit 2023 zijn hersteld.

Conclusie en gevolgen

19. Gelet op de tussenuitspraak kwamen de omgevingsvergunning 2022 en 2023 voor vernietiging in aanmerking. In de herstelbesluiten 2023 en 2022 zijn de omgevings-vergunningen 2023 en 2022 ingetrokken. Niet is gebleken dat eisers een belang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de omgevingsvergunningen 2022 en 2023, zodat deze beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard.

De gebreken in de omgevingsvergunning 2023 zijn hersteld in het herstelbesluit 2023, met dien verstande dat voorschrift 1.2.4 niet goed is geformuleerd. Het hiertegen gerichte beroep van eisers slaagt. De rechtbank vernietigt daarom voorschrift 1.2.4 van het herstelbesluit 2023. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat voorschrift 1.2.4 als volgt komt te luiden:

Vanaf het moment dat vergunninghoudster zich in een nieuwe stap bevindt, moet zij iedere 4 maanden na inwerkingtreding van het goedkeuringsbesluit (als genoemd in voorschrift 1.2.3) ten minste twee nieuwe representatieve geuremissiemetingen (laten) uitvoeren. Daarbij wordt getoetst of bij de betreffende capaciteit gelegen binnen de bandbreedte uit kolom 2 en kolom 3 van het betreffende stapnummer waarin vergunninghoudster zich bevindt (zie Tabel 1) wordt voldaan aan de geuremissiewaarde uit voorschrift 1.2.1 na correctie overeenkomstig tabel 2 van voorschrift 1.2.3. Dit met uitzondering van stap 5, in welke stap jaarlijkse emissiemetingen gelden overeenkomstig voorschrift 1.2.10.

De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde voorschrift 1.2.4 van het herstelbesluit 2023. Voor de goede orde merkt de rechtbank nog op dat de voorlopige voorziening in de tusseneinduitspraak met deze uitspraak komt te vervallen.

Gelet op hetgeen hierboven is geoordeeld, zijn dan ook in het herstelbesluit 2022 de gebreken in de omgevingsvergunning 2022 hersteld.

Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college de door eisers betaalde griffierechten vergoeden. Zij krijgen ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 5.604,00 (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 2 punten voor het verschijnen op de zittingen, 0,5 punt voor het bijwonen van een inlichtingencomparitie, 1 punt voor het reageren op 2 adviezen van de StAB en 0,5 punt voor de reactie op beide herstelbesluiten met een waarde per punt van

€ 934,00 en een wegingsfactor 1). Eisers 2 maken daarnaast aanspraak op vergoeding van reis- en deskundigenkosten van € 15.790,80 terzake van de door hen ingeschakelde deskundige. Deze inschakeling, noch de hoogte van de gevraagde vergoeding komen de rechtbank onredelijk voor dus deze zal het college ook moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen tegen de omgevingsvergunningen 2022 en 2023 niet-ontvankelijk;

verklaart de beroepen tegen het herstelbesluit 2023 gegrond;

vernietigt voorschrift 1.2.4 van het herstelbesluit 2023 en laat dit besluit voor het overige in stand;

bepaalt dat voorschrift 1.2.4 als volgt komt te luiden:

Vanaf het moment dat vergunninghoudster zich in een nieuwe stap bevindt, moet zij iedere 4 maanden na inwerkingtreding van het goedkeuringsbesluit (als genoemd in voorschrift 1.2.3) tenminste twee nieuwe representatieve geuremissiemetingen (laten) uitvoeren. Daarbij wordt getoetst of bij de betreffende capaciteit gelegen binnen de bandbreedte uit kolom 2 en kolom 3 van het betreffende stapnummer waarin vergunninghoudster zich bevindt (zie Tabel 1) wordt voldaan aan de geuremissiewaarde uit voorschrift 1.2.1 na correctie overeenkomstig tabel 2 van voorschrift 1.2.3. Dit met uitzondering van stap 5, in welke stap jaarlijkse emissiemetingen gelden overeenkomstig voorschrift 1.2.10.

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het herstelbesluit 2023, voor zover hierin voorschrift 1.2.4 is vernietigd;

verklaart de beroepen tegen het herstelbesluit 2022 ongegrond;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 730,00 (in twee zaken) aan eiser 1 en van € 730,00 (in twee zaken) aan eisers 2 moet vergoeden;

veroordeelt het college tot betaling van € 5.604,00 aan proceskosten aan eiser 1 en tot betaling van € 21.444,40 aan proceskosten aan eisers 2.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de voorgaande tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand