ECLI:NL:RBOBR:2026:777

ECLI:NL:RBOBR:2026:777

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 82.140412.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor het opzettelijk niet doen van belastingaangiften (meerdere BV’s). Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 82.140412.25 en 82-010004-22 (TUL)

Datum uitspraak: 6 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,

verblijvende te [adres] ,

hierna aangeduid als de verdachte.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 3 november 2025 en 23 januari 2026.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 september 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

[bedrijf 1] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 1 februari 2025, te Tilburg en/of Molenschot en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de loonbelasting ten name van [bedrijf 1] over:

- de maand februari van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en/of

- de maand juli van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en/of

- de maand december van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ),

(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

T.a.v. feit 2:

[bedrijf 1] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 1 februari 2025, te Tilburg en/of Molenschot en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over:

- het eerste kwartaal van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en/of

- het tweede kwartaal van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en/of

- het derde kwartaal van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en/of

- het vierde kwartaal van jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ),

(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

T.a.v. feit 3:

[bedrijf 2] , op of omstreeks 8 oktober 2024 te Tilburg en/of Molenschot en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte voor de vennootschapsbelasting, ten name van [bedrijf 2] , over het aangiftetijdvak 2023 (ten name van [bedrijf 2] )

niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk boven omschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 82-010004-22 is aangebracht bij vordering van 4 september 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Zeeland-West-Brabant van 25 januari 2024.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijswaardering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft betoogd dat het opzet op het doen van onjuiste aangiften ontbreekt en dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste. Evenmin is gebleken dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen over het bewijs.

De bewijsmiddelen zijn opgenomen in het procesdossier van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Breda, genummerd/genaamd [nummer] , in de wettelijke vorm opgemaakt door [persoon] op 16 september 2025, digitale doornummering 1 tot en met 49.

Hierna zal de rechtbank telkens in de voetnoten verwijzen naar de vindplaats van de desbetreffende bewijsmiddelen.

[bedrijf 1] is opgericht op 16 maart 2021. Verdachte is sinds die datum bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] [bedrijf 2] is opgericht op 29 juni 2017. Verdachte is sinds die datum bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] .

Aangiften loonheffing [bedrijf 1].

De belastingdienst heeft [bedrijf 1] op 8 november 2023 uitgenodigd voor het doen van aangiften loonheffing over onder andere de periode februari 2024, juli 2024 en december 2024. Uit de aangiftebrief volgt dat over het tijdvak februari 2024 uiterlijk 31 maart 2024 aangifte moest zijn gedaan, over het tijdvak juli 2024 uiterlijk 31 augustus 2024 en over het tijdvak december 2024 uiterlijk 31 januari 2025.

Een ambtenaar van de Belastingdienst heeft op 4 maart 2025 een ambtsedige verklaring opgesteld over de aangiften loonheffing van [bedrijf 1] . Daarin heeft deze ambtenaar verklaard dat de Belastingdienst tot op de datum van de verklaring geen aangiften loonheffing over de maanden februari 2024, juli 2024 en december 2024 van [bedrijf 1] heeft ontvangen.

Aangiften omzetbelasting [bedrijf 1].

De belastingdienst heeft [bedrijf 1] op 31 maart 2024 uitgenodigd voor het doen van aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 1e kwartaal 2024 t/m 4e kwartaal 2024. Uit de aangiftebrief volgt dat over het eerste kwartaal uiterlijk 30 april 2024 aangifte moet zijn gedaan, over het tweede kwartaal uiterlijk 31 juli 2024, over het derde kwartaal uiterlijk 31 oktober 2024 en over het vierde kwartaal uiterlijk 31 januari 2025.

Een ambtenaar van de Belastingdienst heeft op 4 maart 2025 een ambtsedige verklaring opgesteld over de aangiften omzetbelasting van [bedrijf 1] . Daarin heeft deze ambtenaar verklaard dat de Belastingdienst tot op de datum van de verklaring geen aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 1e kwartaal 2024 t/m 4e kwartaal 2024 van [bedrijf 1] heeft ontvangen.

Aangifte vennootschapsbelasting [bedrijf 2]

De belastingdienst heeft [bedrijf 2] op 1 maart 2024 uitgenodigd voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 2023. Uit de aangiftebrief volgt dat de aangifte vóór 1 juni 2024 binnen moest zijn.

Op 22 augustus 2024 en 23 september 2024 heeft de Belastingdienst een herinnering respectievelijk een aanmaning gestuurd. De uiterste datum van indienen was, gelet op de aanmaning, 7 oktober 2024.

Een ambtenaar van de Belastingdienst heeft op 13 februari 2025 een ambtsedige verklaring opgesteld over de aangifte vennootschapsbelasting van [bedrijf 2] Daarin heeft deze ambtenaar verklaard dat de Belastingdienst tot op de datum van de verklaring geen aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2023 van [bedrijf 2] heeft ontvangen.

De getuige, [getuige] , werkzaam bij de Belastingdienst, MKB, afdeling inkomstenbelasting heeft op 29 juli 2025 verklaard dat verdachte vanaf 2018 geen aangiften inkomstenbelasting meer heeft gedaan en dat hij op 22 januari 2024 fysiek contact met hem heeft gehad om tot afspraken te komen. Verdachte heeft meermalen tegen de getuige gezegd dat hij adviseurs zou inschakelen die de aangiften zouden verzorgen. De aangiften inkomstenbelasting 2022 en 2023 waren in september 2024 nog niet ingediend. De getuige heeft verder verklaard dat hij in een systeem van de Belastingdienst zag dat ook de aangiften loonheffing en omzetbelasting voor [bedrijf 1] niet waren ingediend, waardoor naheffingsaanslagen waren opgelegd. Voor [bedrijf 2] was inmiddels ook een ambtshalve aanslag opgelegd, omdat binnen de wettelijke termijn geen aangifte vennootschapsbelasting was gedaan. Ook hierover heeft de getuige contact opgenomen met verdachte. Verdachte heeft op 21 oktober 2024 beloofd dat een advieskantoor de aangiften voor hem zou verzorgen. Dit advieskantoor heeft de aangiften niet gedaan, omdat verdachte betalingsachterstanden had bij het kantoor. Verdachte de getuige laten weten dat hij het advieskantoor vanaf medio augustus 2025 weer zou kunnen betalen. Omdat verdachte stelde dat hij het advieskantoor vanaf medio augustus weer zou kunnen betalen, is afgesproken dat verdachte tot en met augustus 2025 zou wachten met het indienen van de aangiften inkomstenbelasting en de aangiften van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Ten slotte heeft de getuige verklaard dat hij deze afspraak met [verdachte] heeft gemaakt om hem ertoe te bewegen alsnog de aangiften te doen en om de compliance te verhogen. Dit houdt niet in dat de Belastingdienst uitstel heeft verleend, aldus de verklaring van de getuige.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor verklaard de aangiften loonbelasting over februari, juli en december 2024 van [bedrijf 1] niet te hebben gedaan. Dat geldt ook voor de aangiften omzetbelasting over de vier kwartalen van 2024 van [bedrijf 1] en voor de aangifte vennootschapsbelasting 2023 van [bedrijf 2] .

Opzet.

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben de in de tenlastelegging vermelde belastingaangiften niet tijdig gedaan. Deze vennootschappen waren daartoe wel verplicht. Dat zij externe partijen hebben gecontracteerd die wegens betalingsachterstanden geen assistentie konden verlenen, ontslaat hen niet van deze verplichting. De vennootschappen hebben bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de betreffende aangiften niet (tijdig) werden gedaan.

Het strekkingsvereiste.

Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste gaat het er volgens vaste rechtspraak om of het niet doen van belastingaangiften gezien de effecten die daarvan uitgaan, naar zijn aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank mag er naar algemene maatstaven vanuit worden gegaan dat het niet doen van de vereiste aangiften naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Dat, zoals de verdediging heeft betoogd, niet is voldaan aan het strekkingsvereiste omdat de twee bedrijven geen belasting verschuldigd zijn, leidt gelet op het voorgaande en nog afgezien van het feit dat deze stelling niet op juistheid valt te beoordelen juist vanwege het ontbreken van aangiften, niet tot een ander oordeel.

Toerekening aan de rechtspersonen

Een rechtspersoon kan een strafbaar feit begaan als de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

Het niet binnen de gestelde termijn indienen van de aangiften kan worden toegerekend aan de rechtspersonen, omdat het doen van deze aangiften in de sfeer van de rechtspersoon plaatsvindt en past in de normale bedrijfsvoering van de vennootschappen.

Op grond van het voorstaande stelt de rechtbank vast dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zich schuldig hebben gemaakt aan genoemde strafbare feiten.

Feitelijk leidinggeven.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet binnen de gestelde termijn belastingaangiften doen.

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, omdat hij enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschappen was. Uit het dossier zijn geen andere personen naar voren gekomen die enige zeggenschap hebben gehad over wat er in de vennootschappen gebeurde. Verdachte was dus eindverantwoordelijke en hij heeft feitelijk nagelaten de aangiften in te dienen.

Conclusie.

De feiten kunnen op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

T.a.v. feit 1:

[bedrijf 1] , in de periode van 1 april 2024 tot en met 1 februari 2025, in Nederland,

telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de loonbelasting ten name van [bedrijf 1] over:

- de maand februari van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en

- de maand juli van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en

- de maand december van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ),

telkens niet heeft gedaan,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welke boven omschreven strafbare feiten verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

T.a.v. feit 2:

[bedrijf 1] , in de periode van 1 mei 2024 tot en met 1 februari 2025, in Nederland,

telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over:

- het eerste kwartaal van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en

- het tweede kwartaal van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en

- het derde kwartaal van het jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ) en

- het vierde kwartaal van jaar 2024 (ten name van [bedrijf 1] ),

telkens niet heeft gedaan,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welke boven omschreven strafbare feiten verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

T.a.v. feit 3:

[bedrijf 2] , op 8 oktober 2024 in Nederland,

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting, ten name van [bedrijf 2] , over het aangiftetijdvak 2023 (ten name van [bedrijf 2] )

niet heeft gedaan,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welk boven omschreven strafbare feit verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren geëist. De officier van justitie heeft verder de oplegging van een bijzondere voorwaarde gevorderd. Deze voorwaarde houdt – kort weergegeven – in dat verdachte zich binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij een buitengewoon opsporingsambtenaar van Midden- en kleinbedrijf van de Belastingdienst te Breda om de Belastingdienst in staat te stellen de verschuldigde belasting vast te stellen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring – gelet op de aard van het strafbare feit en de (gestelde) nihil-situatie – een aanmerkelijk lagere strafmodaliteit in de rede ligt.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemene overweging.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude, door feitelijk leiding te geven aan het opzettelijk niet doen van aangiften loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting door de rechtspersonen die hij (als enige) bestuurt. Met het begaan van belastingfraude zijn grote financiële belangen gemoeid. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type delicten lastig op te sporen is en leidt tot fiscaal nadeel. Verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden enkel ten behoeve van zijn eigen belangen.

Persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 december 2025. Daaruit blijkt dat verdachte op 25 januari 2024 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Straftoemeting.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte tot op heden nog geen inzicht heeft gegeven in de bedrijfsgegevens om de Belastingdienst in staat te stellen de verschuldigde bedragen aan belasting vast te kunnen stellen. Daarmee heeft hij er geen blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Hij verschijnt niet op zitting om verantwoordelijkheid te nemen of inzicht te verschaffen in zijn situatie en heeft bij herhaling loze beloftes gedaan richting de Belastingdienst.

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie vanuit punitief en preventief oogpunt voldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er ook toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal een proeftijd voor de duur van 3 jaren opleggen, omdat verdachte er, zoals gezegd, geen blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien en sprake is van recidive.

De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke straf ook de bijzondere voorwaarde koppelen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 82-010004-22.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder gebleken dat verdachte zich gedurende de proeftijd aan een soortgelijk strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Van de eerdere veroordeling heeft hij kennelijk weinig geleerd.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan, zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 51, 57 Wetboek van Strafrecht,

69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 3:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Oplegging van straf en maatregel:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

legt op een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarde:

-Verdachte dient zich binnen 6 (zes) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis (en voor zover hij in vrijheid verkeert) – na een daartoe door hem gemaakte afspraak – te melden bij een buitengewoon opsporingsambtenaar van Midden- en kleinbedrijf van de Belastingdienst te Breda en dient aldaar loon-, omzet- en vennootschapsgegevens ten aanzien van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te verstrekken, om de Belastingdienst in staat te stellen de verschuldigde

- loonbelasting over de maanden februari 2024 tot en met januari 2025,

- omzetbelasting over het 1e tot en met 4e kwartaal van 2024 en

- vennootschapsbelasting over het jaar 2023

te kunnen vaststellen (ex art. 14c, tweede lid, onder 14, van het Wetboek van Strafrecht: andere voorwaarde het gedrag van de veroordeelde betreffende).

geeft opdracht aan het Openbaar Ministerie hier toezicht op te houden.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zeeland-West-Brabant van 25 januari 2024, gewezen onder parketnummer 82-010004-22, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Grimbergen, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. S.H.C. Merkx, leden,

in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,

en is uitgesproken op 6 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. Grimbergen
  • mr. E.M. Vermeulen
  • mr. S.H.C. Merkx

Griffier

  • mr. G. van de Luijtgaarden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?