[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaarschrift van 28 mei 2025 tegen het besluit van 10 februari 2025.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Niet in geschil is dat verweerder in gebreke is met het tijdig nemen van een besluit. Ook staat vast dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld en dat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op het bezwaar van eiser heeft beslist. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
Op 26 maart 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de beslistermijn en rechterlijke dwangsom voor dit soort zaken vastgesteld.
De rechtbank hanteert uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid dezelfde termijnen als de Afdeling. Dat betekent dat verweerder in beginsel binnen 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit op bezwaar bekend moet maken. Verweerder heeft de beslistermijn met zes weken verdaagd. Uit het dossier blijkt niet dat het bezwaar wordt voorgelegd aan een adviescommissie. Gelet op het voorgaande was de laatste dag van de wettelijke beslistermijn 20 augustus 2025. Verweerder moet daarom binnen 60 weken na die datum alsnog een besluit op bezwaar bekendmaken.
Eiser heeft aangevoerd dat geen sprake meer is van een bijzondere situatie die een verlenging van de beslistermijn na de uitspraak rechtvaardigt. Hiervoor wijst eiser op een bestand waaruit blijkt dat de integrale beoordelingen door verweerder grotendeels zijn afgerond en dat hij daarom het personeelsbestand aan het afschalen is. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het hanteren van een kortere termijn zoals door hem is verzocht. Het gaat in deze zaak immers niet over het uitblijven van een besluit dat ziet op de integrale beoordeling, maar over het uitblijven van een besluit op het bezwaar van eiser.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
Eiser heeft in het beroepschrift de rechtbank verzocht om “te bepalen dat verweerder aan eiseres (sic) dient te betalen de volledig verschuldigde dwangsom”. De rechtbank beschouwt dit als een verzoek om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De dwangsom is in dit geval volledig verschuldigd en bedraagt € 1.442,-.
Redelijke termijn en wettelijke rente
7. Tot slot heeft eiser verzocht om een vergoeding voor het laten verstrijken van de redelijke termijn voor een bedrag van € 500,- alsmede de wettelijke rente voor ieder half jaar of deel van een half jaar dat het besluit in strijd met de wettelijke termijn bekend is gemaakt.
De rechtbank overweegt daarover dat het beroep van eiser enkel gericht is tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Er heeft dus nog geen inhoudelijke behandeling van het geschil in beroep plaatsgevonden. Zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 28 april 2009 heeft overwogen, wordt de bezwaarfase weliswaar betrokken bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, maar kan in de situatie waarin sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd geen aanspraak op schadevergoeding aan artikel 6 van het EVRM worden ontleend. Het verzoek moet alleen al daarom worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen.
Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Daarnaast concludeert de rechtbank dat dit een samenhangende zaak is, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. De gemachtigde van eiser heeft dit beroep namelijk ingesteld naast vier andere beroepen niet tijdig beslissen. Deze zaken zijn door de bestuursrechter (nagenoeg) gelijktijdig behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank doet vandaag uitspraak in dit beroep en de beroepen met zaaknummers SHE 25/3171, SHE 25/3178, SHE 25/3179 en SHE 25/3618. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn deze vijf beroepen samenhangend. Dit betekent dat voor deze vijf beroepen gezamenlijk een proceskostenvergoeding van € 467,- x 1,5 = € 700,50 geldt. De vergoeding voor dit beroep bedraagt dan ook € 140,10 (€ 700,50 / 5).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. van Berkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.