ECLI:NL:RBOBR:2026:845

ECLI:NL:RBOBR:2026:845

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 01/269379/23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft zich gedurende een periode van vier jaren meerdere malen schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee minderjarige meisjes waaronder zijn eigen dochter. Oplegging van 12 maanden gevangenisstraf waarbij de rechtbank in strafmatigende zin sterk rekening houdt met recente strafoplegging door het gerechtshof waarbij verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 75 maanden en een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.269379.23 en 01.247024.24 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 12 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te: P.I. Veenhuizen , locatie Esserheem .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 januari 2026.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlasteleggingen.

De zaak met parketnummer: 01.269379.23

Deze zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 december 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:hij in of omstreeks de periode van 12 oktober 2012 tot en met 11 oktober 2014 teBeek en Donk (gemeente Laarbeek) en/of Gieterveen (gemeente Aa en Hunze),althans in Nederland,(meermalen) met [slachtoffer 2] , geboren op [1998] ,die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens)ontuchtig aanraken, betasten, strelen en/of kietelen van deborsten, billen, liezen, schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer 2] ;

(art 247 Wetboek van Strafrecht (oud))

Feit 2: hij in of omstreeks de periode van 12 oktober 2014 tot en met 11 oktober 2016 te Beek en Donk (gemeente Laarbeek) en/of Gieterveen (gemeente Aa en Hunze), althans in Nederland, (meermalen) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [1998] , door (telkens) ontuchtig de borsten, billen, liezen, schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer 2] aan te raken, te betasten, te strelen en/of te kietelen.

(art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht (oud))

De zaak met parketnummer: 01.247024.24 .

Deze zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 december 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 06 februari 2014 tot en met 06 februari 2021, te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, in elk geval in Nederland, en/of in Goch, in elk geval in Duitsland, meerdere malen met zijn eigen kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2010] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte (telkens) met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) de vagina en/of de schaamlippen, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast/aangeraakt;

(art 247 Wetboek van Strafrecht (oud), art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht (oud))

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich, conform het op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, conform de overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Hiertoe is in de zaak met parketnummer 01.269379.23 betreffende [slachtoffer 2] - kort samengevat - het navolgende aangevoerd. Verdachte ontkent alle seksuele handelingen. Er dienen vraagtekens gezet te worden bij de geloofwaardigheid van de verklaring van [slachtoffer 2] . Hierbij is gewezen op de kennis die [slachtoffer 2] droeg van het eerdere strafrechtelijk onderzoek in de zaak ‘Hemelboom’ en de daaruit voortvloeiende veroordeling van verdachte wegens ontucht van onder meer [nichtje van slachtoffer 2] , zijnde het nichtje van [slachtoffer 2] . Bovendien heeft [slachtoffer 2] pas 9 jaar na het laatste contact met verdachte aangifte gedaan tegen verdachte. Voornoemd tijdsverloop tast de authenticiteit van haar verklaring aan, omdat zij in deze tijd beïnvloed kan zijn door de ellende en het verdriet bij haar familie alsmede door haar eigen emoties in het strafproces omtrent haar nichtje [nichtje van slachtoffer 2] . Ook is gewezen op de omstandigheid dat het tijdsverloop fouten in de hand kan werken over de herinnering van wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en wanneer. De verdediging wijst in dit verband op de onduidelijkheid wanneer het misbruik volgens [slachtoffer 2] gestopt zou zijn. Daarnaast stelt de verdediging dat niet voldaan is aan het bewijsminimum, omdat de verklaring van [slachtoffer 2] geen steun vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier.

In de zaak met parketnummer 01.247024.24 betreffende [slachtoffer 1] is - kort samengevat - het navolgende aangevoerd. Verdachte ontkent alle tenlastegelegde seksuele handelingen. De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] wordt sterk in twijfel getrokken. Hierbij is onder meer gewezen op het navolgende. Het heeft lang geduurd voordat [slachtoffer 1] over het misbruik is gaan praten. Verdachte was al veroordeeld door de rechtbank wegens seksueel misbruik van onder meer haar zus [betrokkene] en haar vriendinnetje [nichtje van slachtoffer 2] , op het moment dat het informatieve gesprek zeden en vervolgens de aangifte plaatsvond. De veroordeling van haar vader en alle wetenschap hieromtrent, tast de authenticiteit aan van de verklaring van [slachtoffer 1] . Dit wordt versterkt door het gebrek aan details over wat er nu daadwerkelijk heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] . Gedetailleerde herinneringen aan het misbruik zijn er nauwelijks en van de vier gebeurtenissen die [slachtoffer 1] zich nog wel kan herinneren, weet zij niet meer waar en wanneer deze hebben plaatsgevonden of hoe oud zij toen was. De gebeurtenissen die [slachtoffer 1] nog wel kan navertellen, zoals het op schoot zitten in het kantoor van verdachte en de gebeurtenissen op haar slaapkamer, waren in het bijzijn van [nichtje van slachtoffer 2] . [nichtje van slachtoffer 2] heeft hierover verklaard in haar aangifte. De overtuiging van wat wel of niet heeft plaatsgevonden, lijkt samen te hangen met wat anderen hebben verklaard over wat hen is overkomen. Bovendien heeft [slachtoffer 1] in het eerdere strafrechtelijk onderzoek betreffende haar vriendinnetje [nichtje van slachtoffer 2] en haar zus [betrokkene] (onderzoek Hemelboom) niets verklaard over enig misbruik door verdachte. Hoewel steunbewijs gevonden kan worden in de aangifte van [nichtje van slachtoffer 2] , acht de verdediging de huidige verklaring van [slachtoffer 1] in de aangifte ongeloofwaardig gelet op de eerdere ontkenning van [slachtoffer 1] van wat er destijds heeft plaatsgevonden alsmede de omstandigheden als hiervoor omschreven. In het dossier zit verder geen steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] , waardoor ook in deze zaak niet voldaan is aan het bewijsminimum om tot een bewezenverklaring te komen.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen juridisch kader

Bij de beoordeling van het bewijs, stelt de rechtbank voorop dat het in zedenzaken regelmatig voorkomt dat verklaringen van een slachtoffer en de verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan. Als de verdachte de tenlastegelegde gedragingen ontkent, zoals ook in de onderhavige zaak het geval is, is de verklaring van het slachtoffer vaak het enige directe wettig bewijsmiddel.

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van één getuige (zoals een slachtoffer) in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren.

Dit betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak allereerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zal beoordelen. Als de verklaringen naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar zijn, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen in de dossiers.

Dit zogenaamde ‘steunbewijs’ in zedenzaken hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, niet per definitie te zien op de verrichte handelingen zelf. Het is afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Indien een verklaring van een getuige bijvoorbeeld (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van bijvoorbeeld de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het ten laste gelegde.

Voorts is van belang dat uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting, de rechtbank onverminderd de overtuiging moet krijgen dat de gedragingen zijn gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten.

De rechtbank zal de ten laste gelegde feiten hierna afzonderlijk per zaak bespreken.

T.a.v. de zaak met parketnummer: 01.269379.23 , feit 1 en 2 (onderzoek Apintie, betreffende [slachtoffer 2] )

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 2]

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer 2] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

Op 8 maart 2023 heeft er een informatief gesprek zeden plaatsgevonden bij de politie en op 15 maart 2023 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan tegen verdachte. [slachtoffer 2] was op het moment van de aangifte 24 jaar oud. Zij heeft toen een uitgebreide verklaring afgelegd over wat er in haar jeugd, in de periode dat zij tussen de 14 en 18 jaar oud was, heeft plaatsgevonden met haar buurman (verdachte). Op 23 september 2024 is [slachtoffer 2] nog een keer gehoord door de rechter-commissaris. De rechtbank overweegt dat zij van begin af aan gedetailleerd en consistent heeft verklaard over de wijze waarop het seksueel misbruik plaatsvond. Naar het oordeel van de rechtbank is haar verklaring authentiek en betrouwbaar te achten.

De omstandigheid dat [slachtoffer 2] pas 7 jaar later aangifte heeft gedaan, tast de betrouwbaarheid van haar verklaring niet aan. De rechtbank wijst in dit verband op de omstandigheid dat slachtoffers van kindermisbruik dit doorgaans pas vele jaren later aan iemand (durven te) vertellen. In de directe omgeving van [slachtoffer 2] waren meerdere meisjes slachtoffer van seksueel misbruik door verdachte. Toen [slachtoffer 2] hiermee geconfronteerd werd en haar de vraag werd gesteld of er ook met haar iets was voorgevallen, ontkende ze dat. Zij heeft daarover desgevraagd bij de politie en rechter-commissaris - kort weergegeven - verklaard dat zij de grote spanningen in het gezin niet wilde verergeren en niet over het misbruik durfde te verklaren. Ze hoopte dat ze alles wel zou vergeten, maar dat gebeurde niet. Ze zat er nu erg mee met wat er destijds gebeurd was en wilde daar van af. Om die reden heeft ze uiteindelijk besloten erover te praten en aangifte te doen. De rechtbank acht dit invoelbaar en zeker niet onbegrijpelijk.

Hoewel de verdediging stelt dat [slachtoffer 2] mogelijk is beïnvloed door het toenmalig lopende strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte omtrent seksueel misbruik van onder meer [nichtje van slachtoffer 2] , zijnde het nichtje van [slachtoffer 2] , en haar vriendinnetje en buurmeisje [betrokkene] , overweegt de rechtbank dat van beïnvloeding niet is gebleken. Integendeel. [slachtoffer 2] heeft haar verklaringen over de gebeurtenissen niet groter of erger gemaakt, wat bijdraagt aan het waarheidsgetrouwe karakter daarvan. Zij heeft in haar verklaring ook aangegeven wat er niet gebeurd is of wat zij zich niet of niet goed kan herinneren. Bovendien wijst de rechtbank op de omstandigheid dat het informatief gesprek zeden en de aangifte door [slachtoffer 2] al hadden plaatsgevonden voordat de openbare inhoudelijke behandeling plaatsvond van de toenmalige strafzaak (Hemelboom) bij de rechtbank.

Gelet op dit alles acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt voor het bewijs. Dat [slachtoffer 2] de gebeurtenissen niet meer exact in de tijd weet te plaatsen, niet precies kan aangeven wanneer het misbruik is begonnen of geëindigd en hoe vaak het precies heeft plaatsgevonden, doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet af. De rechtbank acht in dit verband van doorslaggevend belang dat [slachtoffer 2] consequent en gedetailleerd heeft verklaard en zeer specifieke details heeft benoemd.

Steunbewijs

Nu de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn bevonden, dient de rechtbank te beoordelen of deze voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zij overweegt daarover het volgende.

Hoewel verdachte de handelingen ten aanzien van het seksueel misbruik ontkent, vindt de verklaring van [slachtoffer 2] op een aantal onderdelen wel steun in de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] kind aan huis was bij hem. Hij hielp haar met haar huiswerk door haar werkstukken na te kijken op de Nederlandse taal in verband met haar dyslexie. [slachtoffer 2] zat toen op de middelbare school. Hij bevestigt dat het voorkwam dat [slachtoffer 2] bij hem op schoot zat, in zijn kantoor in zijn woning, als hij haar schoolwerk nakeek en dat hij haar op die momenten heeft gekriebeld of gekieteld onder haar kleding. Ook volgt uit zijn verklaring dat het kan zijn dat hij haar borsten heeft aangeraakt. Volgens verdachte was [slachtoffer 2] klaar met school toen ze 17 of 18 jaar oud was. Daarna kwam ze niet veel meer bij verdachte thuis.

[slachtoffer 2] heeft verklaard over de gebeurtenissen die in de tent hebben plaatsgevonden. Dat [slachtoffer 2] in de tent in zijn tuin heeft geslapen, vindt niet alleen bevestiging in de verklaring van verdachte maar ook in de verklaring van de getuige [getuige] .

Als het gaat om de uitstapjes naar de [camping] vindt de verklaring van [slachtoffer 2] bovendien steun in zowel de van verdachte als in de verklaring van [betrokkene] , ook waar het betreft het tegen elkaar aanschuiven van de stapelbedden en het met zijn drieën in een groot bed slapen. Hoewel [betrokkene] zich geen details kan herinneren weet zij wel dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] en zegt verdachte dat hij toen gekriebeld of gekieteld heeft.

Verder weegt de rechtbank ook nog mee dat het door [slachtoffer 2] in haar verklaring genoemde detail van de ruwe handen van verdachte eveneens steun vindt in de verklaringen van [betrokkene] en verdachte.

Tot slot ziet de rechtbank ondersteuning voor de verklaring van [slachtoffer 2] in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2023 in de zaak ‘Hemelboom’ en het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 januari 2026 in diezelfde zaak. Hieruit volgt immers dat er overeenkomsten zijn tussen de verklaring van [slachtoffer 2] en de aangiften van de andere minderjarige slachtoffers. Uit het vonnis van de rechtbank volgt dat het ook bij andere meisjes begon met kriebelen of kietelen over de rug, dat zich verplaatste naar onder de kleding en richting de intieme zones. Bovendien vond het misbruik van andere meisjes ook plaats bij verdachte thuis, op zijn kantoor en/of op zijn schoot. Verder volgt uit het vonnis dat er ook door een ander minderjarig meisje in een tent in de tuin van verdachte werd geslapen, dat verdachte erbij kwam liggen en haar ging kriebelen of kietelen in haar intieme zones. Naar het oordeel van de rechtbank geven het vonnis en arrest zoals gewezen in de zaak Hemelboom blijk van overeenkomsten in de verklaringen van de minderjarige slachtoffers. Er is sprake van vergelijkbare delicten, die in dezelfde periode en dezelfde kring zijn gepleegd, met dezelfde modus operandi.

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en dat deze in voldoende mate ondersteund worden door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en heeft zij de overtuiging gekregen dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde gedragingen gepleegd heeft.

Meerdere malen en pleegperiodes

Hoewel [slachtoffer 2] de gebeurtenissen niet exact in de tijd heeft kunnen plaatsen, volgt uit haar verklaring dat het misbruik meer dan eens heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het zeker meer dan tien keer gebeurd is. Ze noemt meerdere concrete voorbeelden waar het misbruik (vaker) plaatsvond, zoals: in het kantoor, in de tent in de tuin van verdachte en op de [camping] .

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat het misbruik is begonnen toen zij ongeveer veertien jaar oud was en is gestopt na de aangifte van haar nichtje [nichtje van slachtoffer 2] . De rechtbank overweegt dat uit het dossier van onderzoek Hemelboom blijkt dat de aangifte van [nichtje van slachtoffer 2] is opgenomen op 20 februari 2018. [slachtoffer 2] heeft in haar aangifte verklaard dat het misbruik is gestopt toen zij achttien jaar oud was. De rechtbank heeft er acht op geslagen dat [slachtoffer 2] op 11 oktober 2016 18 jaar oud is geworden.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het misbruik van [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden conform de ten laste gelegde periodes: in de periode van 12 oktober 2012 tot en met 11 oktober 2014, zijnde de periode dat [slachtoffer 2] tussen de 14 en 16 jaar oud was (betreft feit 1) en in de periode van 12 oktober 2014 tot en met 11 oktober 2016 , zijnde de periode waarin [slachtoffer 2] tussen de 16 en 18 jaar oud was (betreft feit 2). Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het misbruik in deze periodes meermalen heeft plaatsgevonden.

Zorg en waakzaamheid

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat ook de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid ex artikel 248, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, te weten het aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd zijn van de minderjarige [slachtoffer 2] , wettig en overtuigend bewezen kan worden. Immers was [slachtoffer 2] op de momenten dat het misbruik plaatsvond bij verdachte thuis in zijn kantoor terwijl hij haar - op verzoek van [slachtoffer 2] ’s moeder - hielp met haar huiswerk, in de tent in zijn tuin waar zij op dat moment logeerde, dan wel op de [camping] waar [slachtoffer 2] en [betrokkene] door verdachte mee naartoe genomen werden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

T.a.v. de zaak met parketnummer: 01.247024.24 (onderzoek Deimos, betreffende [slachtoffer 1] )

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1]

Ook ten aanzien van de verklaring van [slachtoffer 1] dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of haar verklaring als betrouwbaar aangemerkt kan worden en tot het bewijs kan worden gebezigd.

Op 5 april 2024 heeft er een informatief gesprek zeden plaatsgevonden bij de politie en op 19 april 2024 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen haar vader (verdachte). [slachtoffer 1] was op het moment van de aangifte 14 jaar oud. Zij heeft toen een verklaring afgelegd over wat er in haar vroege jeugd heeft plaatsgevonden met haar vader.

De omstandigheid dat [slachtoffer 1] pas 3 jaar later aangifte heeft gedaan, tast de betrouwbaarheid van haar verklaring niet aan gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor - in de zaak van [slachtoffer 2] - heeft overwogen omtrent het tijdsverloop bij het doen van aangifte bij slachtoffers van kindermisbruik. [slachtoffer 1] heeft het lang voor zich gehouden omdat ze geen problemen wilde veroorzaken, bang was dat niemand haar zou geloven en dat mensen anders naar haar zouden kijken en omdat ze dacht dat het haar probleem was. De rechtbank acht dit invoelbaar en niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] pas aangifte heeft gedaan na de veroordeling van verdachte door de rechtbank in de zaak Hemelboom, is evenmin reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is in 2022 al gehoord door de politie in onderzoek Hemelboom. Hoewel zij er toen, om de haar moverende redenen, verder niets over wilde verklaren, heeft zij toen al wel verklaard dat haar vader haar aanraakte op plekken waar een vader dat niet hoort te doen. Daar komt nog bij dat zij in 2018 al tegen haar oma heeft verteld dat ze niets tegen de politie had gezegd omdat zij er van haar vader niets over mocht zeggen.

Hoewel [slachtoffer 1] zich niet veel kan herinneren uit haar jeugd, heeft zij wel concreet verklaard over enkele specifieke gebeurtenissen met haar vader, zoals die in haar slaapkamer, op het kantoor en in het zwembad. [slachtoffer 1] heeft haar verklaring over de gebeurtenissen na verloop van tijd (te weten: na haar eerste verklaring in 2022 dat haar vader haar op plekken aanraakte waar een vader dat niet hoort te doen) niet groter of erger gemaakt. Zij heeft in haar verklaring ook aangegeven wat er niet gebeurd is of wat zij zich niet meer kan herinneren. De rechtbank is van oordeel dat dit sterk bijdraagt aan het waarheidsgetrouwe karakter van haar verklaring.

Dat [slachtoffer 1] de gebeurtenissen niet exact in de tijd weet te plaatsen, niet precies kan aangeven wanneer het misbruik is begonnen en hoe vaak het precies heeft plaatsgevonden, doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring niet af, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op haar nog jonge leeftijd op het moment dat het misbruik plaatsvond.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt voor het bewijs.

Steunbewijs

Nu de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn bevonden, dient de rechtbank te beoordelen of deze voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zij overweegt daarover het volgende.

De verklaring van [slachtoffer 1] vindt in grote mate steun in de verklaring van [nichtje van slachtoffer 2] , zoals opgenomen in het einddossier van onderzoek Hemelboom. [nichtje van slachtoffer 2] is zelf ook slachtoffer van seksueel misbruik door verdachte, maar is tevens ooggetuige geweest van het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] door haar vader. Tijdens de studioverhoren heeft [nichtje van slachtoffer 2] onder meer verklaard dat verdachte zijn piemel heeft laten zien aan haar en [slachtoffer 1] , dat hij aan haar en [slachtoffer 1] ’ vagina heeft gevoeld en gewreven.

Hoewel verdachte de seksuele handelingen ontkent, vindt de verklaring van [slachtoffer 1] op een aantal onderdelen ook steun in de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting. Hij bevestigt immers dat het klopt dat [slachtoffer 1] wel eens op zijn kantoor kwam en dat ze daar wel eens op zijn schoot heeft gezeten samen met [nichtje van slachtoffer 2] . Hij heeft verklaard dat ze dan allebei op één knie zaten en dat hij haar en [nichtje van slachtoffer 2] over de rug gekriebeld of gekieteld heeft onder de kleding. Ook heeft hij bevestigd dat [slachtoffer 1] zijn naakte geslachtsdeel wel eens heeft gezien toen zij klein was. Verder bevestigt de verklaring van verdachte dat hij vroeger vaak ging zwemmen en dat [slachtoffer 1] dan op zijn rug hing. Hij maakte van zijn handen een schoteltje onder haar billen, zodat zij daarop kon zitten.

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is en dat deze in voldoende mate ondersteund wordt door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daarom is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en heeft zij de overtuiging gekregen dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde gedragingen gepleegd heeft.

Meerdere malen en pleegperiodes

Hoewel ook [slachtoffer 1] de gebeurtenissen niet exact in de tijd heeft kunnen plaatsen, volgt uit haar verklaring dat het misbruik meer dan eens heeft plaatsgevonden. Net als [slachtoffer 2] , noemt ook [slachtoffer 1] meerdere concrete voorbeelden waar het misbruik (vaker) plaatsvond, zoals: in het kantoor en in het zwembad.

Uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat het misbruik is begonnen toen zij vier of vijf jaar oud was en dat de laatste keer plaatsvond op de dag dat [nichtje van slachtoffer 2] het tegen haar moeder vertelde.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] op 6 februari 2014 vier jaar oud is geworden en dat uit het dossier van onderzoek Hemelboom blijkt dat de aangifte van [nichtje van slachtoffer 2] is opgenomen op 20 februari 2018.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het misbruik van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden in de periode van 6 februari 2014 tot en met 20 februari 2018 en dat het misbruik in deze periode meermalen heeft plaatsgevonden.

Eigen kind

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat in de onderhavige zaak sprake is van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid ex artikel 248, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, te weten: dat verdachte het feit heeft begaan tegen zijn eigen kind.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. de zaak met parketnummer: 01.269379.23

Feit 1:in de periode van 12 oktober 2012 tot en met 11 oktober 2014 teBeek en Donk (gemeente Laarbeek) en/of Gieterveen (gemeente Aa en Hunze),meermalen met [slachtoffer 2] , geboren op [1998] ,die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt , telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het telkens ontuchtig aanraken, betasten, strelen en/of kietelen van de borsten, billen, liezen, schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer 2] ; Feit 2: in de periode van 12 oktober 2014 tot en met 11 oktober 2016 te Beek en Donk (gemeente Laarbeek) en/of Gieterveen (gemeente Aa en Hunze), meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [1998] , door telkens ontuchtig de borsten, billen, liezen, schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer 2] aan te raken, te betasten, te strelen en/of te kietelen;

T.a.v. de zaak met parketnummer: 01.247024.24 .

in de periode van 06 februari 2014 tot en met 20 februari 2018, te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, en/of in Goch, meerdere malen met zijn eigen kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2010] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) de vagina en/of de schaamlippen, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast/aangeraakt.

Een kennelijke omissie in de tenlastelegging.

Uit de tekst van de tenlastelegging van de zaak met parketnummer 01.269379.23 blijkt dat onder feit 1 zonder meer dat is bedoeld aan verdachte ten laste te leggen: het overtreden van artikel 247 (oud) jo. 248 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Ter zitting is niet gebleken dat bij verdachte enig moment onzekerheid heeft bestaan over het strafrechtelijk gesanctioneerde verwijt. De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat het delictsbestanddeel ‘buiten echt’ in de tenlastelegging ontbreekt.

Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] minderjarig was en dat verdachte gehuwd was ten tijde van het ten laste gelegde. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het evident is dat [slachtoffer 2] en verdachte niet gehuwd waren en juridisch gezien niet eens gehuwd konden zijn ten tijde van het ten laste gelegde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontbreken van voornoemd bestanddeel een kennelijke omissie vormt. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om het bestanddeel ‘buiten echt’ in te lezen in het ten laste gelegde, zoals hiervoor is vermeld (vet gedrukt). Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging van de zaken met parketnummer 01.269379.23 en 01.247024.24 (overige) taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake van de drie ten laste gelegde feiten aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 30 maanden.

Daarnaast dient aan verdachte opgelegd te worden een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod voor de duur van vijf jaren met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] alsmede een locatieverbod voor de duur van vijf jaren voor het gehele dorp Beek en Donk. Oplegging van het contact- en locatieverbod is noodzakelijk gelet op de zogenaamde ‘omgekeerde bezoekregeling’ waarvoor verdachte kennelijk recent toestemming heeft gekregen in verband met het bezoek aan zijn moeder.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dient bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden te worden met het bepaalde in artikel 63 Sr, gelet op de veroordeling van deze rechtbank van 24 mei 2023 en het arrest van het Gerechtshof van 26 januari 2026 in de zaak ‘Hemelboom’. Door het Gerechtshof is aan verdachte een gevangenisstraf van 75 maanden opgelegd en daarnaast de maatregel van tbs met dwangverpleging. Deze maatregel is niet gemaximaliseerd. Tbs met dwangverpleging is doorgaans een zeer lang traject. De vraag is of het tot een hogere straf had geleid als de onderhavige zaken meegenomen waren in de eerdere veroordeling. Wanneer in de onderhavige strafzaak nog een extra gevangenisstraf wordt opgelegd, zal dit niet tot meer genoegdoening leiden bij de slachtoffers. De bewezenverklaring biedt op zichzelf al genoegdoening. Een extra gevangenisstraf draagt daar niet aan bij. Bovendien volgt uit de over verdachte uitgebrachte pro justitia rapportages dat behandeling noodzakelijk is. Wanneer de officier van justitie gevolgd wordt in haar eis van 30 maanden gevangenisstraf, zal het te lang duren voordat verdachte met zijn behandeling kan beginnen. Dit strookt niet met de noodzaak tot behandeling. Gelet op het voorgaande heeft de verdediging verzocht de officier van justitie niet te volgen in haar strafeis, af te zien van oplegging van een gevangenisstraf dan wel de gevorderde gevangenisstraf te matigen. Daarnaast is verzocht af te zien van het gevorderde contact- en locatieverbod ex artikel 38v Sr, omdat het nog jaren kan duren voordat verdachte vrijkomt. De omgekeerde bezoekregeling is geen aanleiding voor het opleggen van de maatregel, aangezien het contact met de slachtoffers uitgesloten is tijdens dit bezoek.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf en/of maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon van verdachte en diens persoonlijke omstandigheden.

De aard en ernst van de strafbare feiten

Verdachte heeft zich, zoals blijkt uit de bewezenverklaring, gedurende een periode van vier jaren meerdere malen schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn minderjarige buurmeisje [slachtoffer 2] , die toen tussen de 14 en 18 jaar oud was, en van zijn eigen minderjarige dochter [slachtoffer 1] die toen tussen de 4 en 8 jaar oud was.

De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en daarmee met hun bijzondere kwetsbaarheid. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de strafverzwarende omstandigheid dat [slachtoffer 2] het buurmeisje was van verdachte, die gedurende de bewezenverklaarde periode op verschillende momenten aan de zorg en waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd. En daarnaast met de eveneens strafverzwarende omstandigheid dat [slachtoffer 1] zijn eigen kind betreft.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ten behoeve van zijn eigen seksuele gerief ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn positie als ‘goede buur’ en tevens vriend van de ouders van [slachtoffer 2] en het vertrouwen dat zowel [slachtoffer 2] als haar ouders in hem stelden. De ouders mochten veronderstellen dat hun kind veilig was bij verdachte, en dat hij haar bescherming en geborgenheid zou bieden. Het tegendeel bleek echter waar te zijn. Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn positie als vader van [slachtoffer 1] en het vertrouwen dat zij in hem stelde. Hij heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie van zijn dochter. Daar komt bij dat het misbruik van zijn dochter onder andere plaats vond in het ouderlijk huis. Dit is bij uitstek een plek die veilig behoort te zijn. Hij had haar bescherming, liefde en geborgenheid moeten bieden als vader, maar in plaats daarvan heeft hij [slachtoffer 1] voor het leven getekend.

Ter terechtzitting hebben [slachtoffer 1] en de zus van [slachtoffer 2] op indrukwekkende wijze verwoord welke impact het misbruik op hun levens en binnen hun familie hebben gehad en nog steeds heeft. Uit deze verklaringen blijkt dat zij zich gebroken voelen, hun levens op de kop zijn gezet en hun vertrouwen is beschaamd. Beide slachtoffers worstelen met gevoelens van onbegrip, angst, walging, boosheid, wantrouwen en verdriet, waarvoor zij psychische hulp nodig hebben. Zij zullen nog jaren geconfronteerd worden met het hen door verdachte aangegane leed, die daarbij ook manipulatief handelen niet schuwde door tegen zijn dochter te zeggen dat zij niet over het misbruik mocht praten. Zoals blijkt uit de slachtofferverklaringen laat verdachte de slachtoffers nog steeds in de kou staan door tot op de dag vandaag het misbruik te blijven ontkennen.

Toerekenbaarheid

De rechtbank heeft geslagen op zowel de pro justitia rapportage, psychiatrisch onderzoek, opgesteld door psychiater/psychoanalyticus dr. T.W.D.P. van Os d.d. 19 september 2024 alsmede de pro justitia rapportage, psychologisch onderzoek, opgesteld door klinisch psycholoog drs. F.M. Vuister d.d. 16 september 2024. Daaruit volgt dat sprake is van een autismespectrumstoornis en pedofiele stoornis, waarvoor behandeling en langdurige begeleiding noodzakelijk is om de kans op herhaling duurzaam te verlagen. De psycholoog heeft geadviseerd de feiten gedeeltelijk aan verdachte toe te rekenen en de psychiater spreekt zich er niet uitdrukkelijk over uit, maar werpt wel de vraag op of verdachte gelet op zijn stoornis zijn wil wel in vrijheid kon bepalen. De conclusies van de rapporten zijn helder en worden gedragen door een deugdelijke motivering.

Hoewel voornoemde rapportages zijn opgesteld in de hoger beroep procedure in de zaak van onderzoek ‘Hemelboom’ (ressortsparketnummer: 20/001554-23 ), zijn deze rapportages tevens aan de onderhavige dossiers toegevoegd.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over, nu de onderhavige feiten van dezelfde aard zijn en in dezelfde periode zijn gepleegd als de bewezenverklaarde feiten in de zaak ‘Hemelboom’. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat, gelet op de inhoud van voornoemde rapportages, de door verdachte gepleegde delicten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal hier in strafmatigende zin rekening mee houden.

Redelijke termijn

Elke verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Deze op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is in de zaak met parketnummer 01.269379.23 (onderzoek Apintie) gestart op 8 juni 2023, de dag dat verdachte door de politie in deze zaak als verdachte is aangehouden en verhoord. Gerekend vanaf deze datum zijn er 32 maanden verstreken, terwijl het uitgangspunt is dat iedere verdachte in beginsel recht heeft op afdoening van zijn zaak binnen een termijn van twee jaar. De rechtbank stelt vast dat daarmee sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 8 maanden. De rechtbank zal hier in strafmatigende zin rekening mee houden.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit en artikel 63 Sr

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarbij tot een bewezenverklaring is gekomen van seksueel misbruik van vier minderjarige meisjes, waaronder zijn oudste dochter. Het Gerechtshof heeft aan verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 75 maanden en een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Om de strafoplegging in de onderhavige zaken te bepalen ziet de rechtbank zich - gelet op het voorgaande - voor de vraag gesteld welke straf passend zou zijn geweest wanneer alle zaken (te weten: onderzoek Hemelboom, onderzoek Apintie en onderzoek Deimos) gelijktijdig behandeld waren. Enerzijds dient dit een straf te zijn die ook recht doet aan de aard en ernst van de feiten en daarmee aan hetgeen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is overkomen. Afzien van strafoplegging, zoals verzocht door de verdediging, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet passend. Anderzijds dient rekening gehouden te worden met de noodzaak tot behandeling, waarvoor het Gerechtshof reeds de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege heeft opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met oplegging van een gevangenisstraf van 30 maanden, zoals gevorderd door de officier van justitie, voorbij gegaan aan deze noodzaak omdat de behandeling dan te lang op zich laat wachten en het tijdsverloop de behandeling bemoeilijkt. Om die reden zal de rechtbank de officier van justitie niet volgen in haar eis en aan verdachte een lichtere straf opleggen.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden is.

Geen vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank ziet, hoe begrijpelijk dit vanuit de positie van de slachtoffers ook kan zijn, onvoldoende redenen om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen, zoals verzocht door de slachtoffers en gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank heeft daarbij met name meegewogen dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicaties naar voren komen dat verdachte na zijn aanhouding in de zaak van onderzoek ‘Hemelboom’ contact heeft gelegd of zou willen leggen met de slachtoffers in de onderhavige zaak. Bovendien wijst de rechtbank op de door het Gerechtshof opgelegde (langdurige) gevangenisstraf en de door het Gerechtshof opgelegde tbs-maatregel met dwangverpleging die daarop zal volgen. Hierdoor is het vrijwel onmogelijk verdachte onverwacht tegen te komen buiten de muren van de Penitentiaire Inrichting en de daaropvolgende tbs-kliniek. De rechtbank overweegt dat de omgekeerde bezoekregeling evenmin aanleiding vormt voor het opleggen van een dergelijke vrijheidsbeperkende maatregel, aangezien de bezoekregeling volledig begeleid zal plaatsvinden en het contact met de buitenwereld, en dus ook met de slachtoffers in de onderhavige zaken, uitgesloten is tijdens dit bezoek.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd dient te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de vordering niet betwist en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank.

De gevorderde materiële schadevergoeding bedraagt 2.718,10 euro en ziet blijkens de toelichting op de vordering op de navolgende posten:

1) eigen risico 1.540,- euro eigen risico 2023 : 385,- euro eigen risico 2024: 385,- euro eigen risico 2025: 385,- euro eigen risico 2026: 385,- euro

2) reiskosten 1.178,10 euro

2023, 2024, 2025: 881,10 euro 2026: 297,- euro

De gevorderde immateriële schadevergoeding bedraagt 4.000,- euro en bestaat blijkens de schriftelijke toelichting op de vordering uit psychische schade.

De vordering is niet betwist door de verdediging en de rechtbank acht de vordering geheel toewijsbaar.

In totaal wijst de rechtbank toe een bedrag van 6.718,10 euro. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2014 voor wat betreft het deel immateriële schade (het midden van de tenlastegelegde periode) en vanaf 26 januari 2026 voor wat betreft het deel materiële schade (datum indienen vordering), tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data zoals hiervoor genoemd, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Voorts zal de rechtbank bepalen dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 58 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd dient te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien de gevorderde materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt. Blijkens de tenlastelegging zou het misbruik gestopt zijn toen [slachtoffer 1] 8 of 9 jaar oud was. De gestelde studievertraging ziet op het missen van een jaar op de havo in het schooljaar 2025/2026. De gestelde studievertraging heeft niet plaatsgevonden in hetzelfde jaar als het jaar waarin het misbruik volgens de tenlastelegging eindigde. Mocht het bewezenverklaarde dusdanig impact hebben gehad dat dit langer heeft doorgewerkt, dient hier nader onderzoek naar gedaan te worden en dat is een onevenredige belasting van het strafgeding.

De gevorderde immateriële schade dient gematigd te worden. Blijkens het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 januari 2026 is aan de zus van [slachtoffer 1] een bedrag van 20.000 euro toegekend aan immateriële schadevergoeding. Gelet op het verschil in de bewezenverklaarde feiten en periodes, is het door [slachtoffer 1] gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding in de onderhavige strafzaak te hoog.

Het oordeel van de rechtbank.

De gevorderde materiële schadevergoeding bedraagt 19.100,- euro en ziet blijkens de toelichting op de vordering op studievertraging van maximaal één havo jaar in het schooljaar 2025/2026.

De rechtbank constateert dat een nadere onderbouwing ontbreekt ten aanzien van het verband tussen de bewezenverklaarde periode (6 februari 2014 tot en met 20 februari 2018) en de studievertraging op de havo die ziet op het schooljaar 2025/2026. Nader onderzoek naar dit verband zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Met de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De gevorderde immateriële schadevergoeding bedraagt 15.753,00 euro en bestaat blijkens de schriftelijke toelichting op de vordering uit compensatie voor het ondergane leed / pijn / smart en de na-effecten zoals het ervaren van aanhoudende angstklachten. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade redelijk en billijk is en geheel voor vergoeding in aanmerking komt.

In totaal wijst de rechtbank toe een bedrag van 15.753,00 euro. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het midden van de tenlasteglegde periode, te weten 13 februari 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2016, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Voorts zal de rechtbank bepalen dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 103 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 57, 60a, 63, 247 (oud), 248 (oud), 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. parketnummer 01.269379.23 :

Feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

Feit 2:

ontucht plegen met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

T.a.v. parketnummer 01.247024.24 :

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. parketnummer 01.269379.23 feit 1, feit 2, en parketnummer 01.247024.24 :

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden

T.a.v. parketnummer 01.269379.23 feit 1, feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 6.718,10 euro, bestaande uit 2.718,10 euro aan materiële schadevergoeding en 4.000,00 euro aan immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van voornoemde schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2026 voor het deel materiële schadevergoeding van 2.718,10 euro en vanaf 11 oktober 2014 voor het deel immateriële schadevergoeding van 4.000,00 euro tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

T.a.v. parketnummer 01.269379.23 feit 1, feit 2:

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 6.718,10 euro, bestaande uit 2.718,10 euro aan materiële schadevergoeding en 4.000,00 euro aan immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van voornoemde schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 januari 2026 voor het deel materiële schadevergoeding van 2.718,10 euro en vanaf 11 oktober 2014 voor het deel immateriële schadevergoeding van 4.000,00 euro, tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 58 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

T.a.v. parketnummer 01.247024.24 :

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 15.753,00 euro aan immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van voornoemde schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

13 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (gevorderde materiële schadevergoeding) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

T.a.v. parketnummer 01.247024.24 :

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 15.753,00 euro aan immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 103 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Maas, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. F. Kooijman, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,

en is uitgesproken op 12 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Maas
  • mr. M.L.W.M. Viering
  • mr. F. Kooijman

Griffier

  • mr. F.E.M. Freese - de Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?