proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
20 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. P. Jacobs),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Cranendonck, de heffingsambtenaar
([naam]).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de heffingsambtenaar en voor de heffingsambtenaar [naam] deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank na een onderbreking voor raadkameroverleg mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
Motivering
1. De gemeenten Valkenswaard, Cranendonck en Heeze-Leende werken samen in de gemeenschappelijke regeling A2-gemeenten. Deze rechtbank heeft een aantal jaren geleden geoordeeld dat (voortaan) de heffingsambtenaar van dit samenwerkingsverband als heffingsambtenaar moest worden aangemerkt. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft die lijn aanvankelijk gevolgd, maar heeft ten aanzien van de gemeente Valkenswaard inmiddels anders geoordeeld. Uit laatstgenoemde uitspraak volgt dat de heffingsambtenaar van de betreffende gemeente bevoegd is (gebleven) om als heffingsambtenaar op te treden. De rechtbank zal deze nieuwe lijn van het gerechtshof ook in deze zaak volgen. De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank over deze uitspraak erop gewezen dat het op 24 februari 2017 gepubliceerde Aanwijzingsbesluit waarbij (onder andere) [naam] als heffingsambtenaar is aangewezen nog steeds van kracht is. De rechtbank concludeert daaruit dat [naam] bevoegd optreedt als heffingsambtenaar (van de gemeente Cranendonck).
2. De heffingsambtenaar heeft op 11 maart 2024 aan eiser een aanslag in de leges opgelegd van in totaal € 4.749,24 voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag van 30 oktober 2023 voor een omgevingsvergunning. De aanslag bestaat uit een bedrag van € 3.166,16 voor de aangevraagde bouwactiviteiten en verder € 1.583,08 (zijnde 50% van eerstgenoemd bedrag), omdat de aanvraag pas werd ingediend na aanvang van de bouwactiviteit. Met de uitspraak op bezwaar van 7 november 2024 heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank.
3. Het is de rechtbank uit het beroepschrift van eiser, de stukken in het dossier en de bespreking op de zitting duidelijk geworden dat het eiser hoog zit. Hij is sinds 2015 bezig om in een voormalig bankgebouw kantoor- en woonruimte te realiseren. Hij vindt dat hij daarbij veel en onnodige tegenwerking van de gemeente krijgt. Voor eiser is het geschil dan ook groter dan alleen de aanslagoplegging. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat eiser via deze procedure verzoekt om de omgevingsvergunning van 7 februari 2024 – die gevolgd is op zijn aanvraag van 30 oktober 2023 – aan te passen. Ook wil hij schadevergoeding van de gemeente voor de in zijn ogen onterechte bouwstop die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck (het college) op 17 oktober 2023 oplegde.
Ondanks dat het perspectief van eiser invoelbaar is, heeft hij daar juridisch geen gelijk in. In het bestuursrecht geldt een grens die bepaalt waar de rechter wel (en dus ook niet) over mag oordelen. Die grens wordt getrokken door het besluit dat wordt aangevochten. In dit geval is dat een aanslag in de leges. Dit betekent dat andere besluiten – zoals het besluit van 17 oktober 2023 om een bouwstop op te leggen en het besluit van 7 februari 2024 om een omgevingsvergunning te verlenen – in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Als eiser het niet met die besluiten eens was, dan had hij daartegen bezwaar moeten maken.
Dit betekent dat eisers verzoeken om de omgevingsvergunning van 7 februari 2024 (deels) te herzien en zijn verzoek om schadevergoeding vanwege de in zijn ogen onrechtmatige bouwstop in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Eiser heeft op de zitting gezegd dat hij dat ook begrijpt, hoewel hij de oplegging van de bouwstop en de gang van zaken omtrent de aanvraag van 30 oktober 2023 nog altijd onrechtvaardig vindt.
4. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij eiser terecht en niet voor een te hoog bedrag heeft aangeslagen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar eiser terecht aangeslagen in de leges voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser deze aanvraag op 30 oktober 2023 bij het college heeft ingediend. Dit levert een belastbaar feit op en eiser is daarvoor belastingplichtig. Dat eiser eerder in het kader van hetzelfde bouwproject al aanvragen voor een omgevingsvergunning heeft ingediend, betekent niet dat in verband met een volgende aanvraag niet ook een aanslag in de leges kan worden opgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij eiser niet voor een te hoog bedrag heeft aangeslagen. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
Eiser stelt dat er ten onrechte leges zijn berekend over het plaatsen van twee dakramen, omdat die vergunningsvrij mochten worden geplaatst. De rechtbank stelt vast dat dit onderdeel niet is opgenomen in het aanvraagformulier van 30 oktober 2023. De heffingsambtenaar heeft met een e-mail van 24 september 2025 aan eiser laten weten dat de aanslag met een bedrag van € 147,71 te hoog is vastgesteld. De aanslag moet met dit bedrag worden verlaagd, zo oordeelt ook de rechtbank.
Eiser vindt ook dat hij geen omgevingsvergunning nodig had voor het plaatsen van hekwerk en een gevelwijziging, omdat die activiteiten volgens hem vergunningsvrij waren. De rechtbank stelt vast dat deze onderdelen wel zijn opgenomen in het aanvraagformulier. Dit is volgens de rechtbank dan ook terecht in het bepalen van de hoogte van de leges betrokken. Eiser zegt verder dat hij zich onder druk voelde gezet door de gemeente om de aanvraag te doen zoals hij die heeft gedaan, omdat hij vreesde dat de gemeente zijn bouwproject (verder) zou tegenwerken. Maar dat verandert niets aan het feit dat dit wel in zijn aanvraag stond. Ook is de rechtbank – als belastingrechter – niet bevoegd om te oordelen of een bepaalde activiteit vergunningsplichtig is. Desalniettemin heeft de heffingsambtenaar tijdens de beroepsprocedure gezegd dat als de activiteiten achteraf bezien niet vergunningsplichtig blijken te zijn, dat hij in zoverre de aanslag zal verminderen. Hij heeft advies ingewonnen van [naam] die op de activiteiten tot vergunningplicht concludeert (op grond van de Wabo). Eiser betwijfelt de juistheid van dat advies en vraagt zich af of de heer [naam] over alle relevante informatie beschikte toen hij zijn advies opstelde, maar die twijfels en bedenkingen zijn onvoldoende om te concluderen dat er geen sprake was van een vergunningsplicht.
Eiser zegt verder dat hij het niet eens is met de normbedragen die de heffingsambtenaar hanteert voor het plaatsen van gaashekwerk en de gevelwijziging. Deze bedragen zijn volgens de toepasselijke legesverordening gebaseerd op de ROEB-lijst, maar volgens eiser zijn de werkelijke kosten lager dan deze normbedragen. Het gevolg is volgens eiser dat de onderdelen van de leges die hierop zijn gebaseerd te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De gemeenteraad van (in dit geval) de gemeente Cranendonck heeft een grote vrijheid om het tarief van de leges te bepalen. De gemeenteraad mag aansluiten bij de werkelijke bouwkosten, maar mag dat tarief ook op een andere wijze bepalen. De belastingrechter kan pas ingrijpen als de gemeenteraad dat tarief vaststelt in strijd met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel. Eiser heeft niet gesteld dat hiervan sprake is en de rechtbank is dat ook niet gebleken.
De rechtbank begrijpt dat eiser het niet eens is met het (in overweging 2. genoemde) legesbedrag van € 1.583,08 (dat als gevolg van wat in overweging 4.2.1. staat is verlaagd tot € 1.533,84). De rechtbank vindt echter dat eiser ook in zoverre terecht is aangeslagen in de leges. In het beroepschrift van eiser staat namelijk (op pagina 6, randnummers 1 en 2): “Op 10 oktober 2023 is de toezichthouder (…) weer komen controleren. Wij waren daar aan het werk om alles conform de vergunning van 2015 in orde te maken. Ik heb hem toen verteld dat een nieuwe vergunning aanvraag erbij ingeschoten was omdat we druk aan het werk waren, maar dat ik dat direct in orde zou brengen.” Eiser erkent hiermee dat de werkzaamheden al waren aangevangen voordat een (nieuwe) vergunning was aangevraagd. Dat eiser vindt dat hij voor de betreffende activiteiten geen vergunning nodig had, maakt dat niet anders. Het belastbaar feit heeft zich daarmee voorgedaan.
Gelet op wat in overweging 4.2.1. staat is het beroep van eiser gegrond. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de aanslag in de leges te vernietigen, het bedrag van de aanslag in de leges vast te stellen op € 4.601,53 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.
5. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten zoals hij in zijn beroepschrift heeft verzocht. De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op grond hiervan heeft eiser recht op een reiskostenvergoeding. Eiser heeft op de zitting gezegd daarvan af te zien. Van andere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Wel moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als een partij niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: