RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.143221.23
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,
woonplaats kiezende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 januari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 16 november 2022 te Eindhoven,
terwijl hij als anesthesioloog werkzaam was in de gezondheidszorg,
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
door de borsten van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of te betasten;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 16 november 2022 te Eindhoven,
met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het vastpakken en/of betasten van de borsten;
t.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 16 november 2022 te Eindhoven,
terwijl hij als anesthesioloog werkzaam was in de gezondheidszorg,
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
door de borsten van die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of te betasten;
t.a.v. feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 16 november 2022 te Eindhoven,
met [slachtoffer 2] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het vastpakken en/of betasten van de borsten;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feiten 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie neemt de verklaring van (oog)getuige [getuige 1] als uitgangspunt voor wat er op 16 november 2022 is gebeurd: verdachte heeft tijdens zijn werkzaamheden als anesthesioloog uitgebreid de borsten bevoeld van twee patiënten die onder narcose waren. Volgens de officier van justitie zijn de door verdachte verrichte handelingen als ontuchtig aan te merken in het licht van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het tuchtcollege ) en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Voor de door verdachte opgegeven redenen voor het aanraken van de borsten – namelijk een medische insteek – geldt dat die de seksuele aard van de handeling en het strijdige karakter met de sociaal-ethische norm niet wegnemen.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor een gevangenisstraf van 4 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 120 uren gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman moet behoedzaam worden omgegaan met de verklaringen van getuige [getuige 1] , nu deze tegenstrijdigheden bevatten en bovendien geen steun vinden in de rest van het dossier.
Ten aanzien van feit 1 stelt de raadsman vast dat verdachte de borst van aangeefster [slachtoffer 1] even omhoog heeft bewogen met de rugzijde van zijn hand om een indicatie te krijgen van het gewicht en dat deze handeling plaatsvond in een operatiekamer waar anderen aanwezig waren. Van vastpakken, betasten, laat staan masseren of kneden is geen sprake geweest.
Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsman vast dat vlak voor de operatie opeens duidelijk werd dat er mogelijk sprake was van een tumor in de borst van aangeefster [slachtoffer 2] . Verdachte heeft voorgedaan aan de anesthesiemedewerker in opleiding op welke wijze het bovenlichaam, waaronder de borst, wordt gepalpeerd om de afwijking te voelen.
In de beslissing van 28 november 2024 heeft het tuchtcollege het aanraken, onderzoeken of wegen van de borsten als niet noodzakelijke medische handeling aangemerkt en geconcludeerd dat dit valt onder seksueel grensoverschrijdend gedrag. Voor een bewezenverklaring van ontucht in strafrechtelijke zin is echter meer nodig. Het moet dan gaan om een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm en verdachte moet opzet hebben gehad op het plegen van een ontuchtige handeling. De tuchtrechtelijke veroordeling betekent dus geenszins dat daarmee ook een strafrechtelijke veroordeling een gegeven is, aldus de raadsman.
Gelet op de omstandigheden van het geval waaronder de handelingen zijn verricht, kan het aanraken van de borst(en) volgens de raadsman niet als ontuchtig worden aangemerkt en heeft verdachte daar in ieder geval nooit opzet op gehad. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van zowel feit 1 als feit 2.
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Inleiding.
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij – kort gezegd – ontucht heeft gepleegd met twee vrouwelijke patiënten. Beide patiënten waren op dat moment onder narcose gebracht door verdachte ten behoeve van een borstverkleining. Bij de tweede patiënte was tevens sprake van een gezwel in één van de borsten.
Bij de beoordeling van deze strafzaak staan twee punten centraal. Het eerste punt is de vraag wat verdachte heeft gedaan bij ieder van de twee vrouwelijke patiënten. De tweede vraag is of dat gedrag ook de tenlastegelegde misdrijven oplevert.
Wat is er gebeurd?
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding door getuige [getuige 1] , werkzaam als operatieassistent. Zij beschrijft in haar verklaring dat zij zag dat verdachte bij beide vrouwen de borsten heeft betast. Zij beschrijft dat verdachte beide borsten betastte door het maken van een “masserende/knedende beweging”, maar ook “alsof hij wilde voelen of er iets in de borsten zat”.
Aangeefster [slachtoffer 1]
Verdachte heeft verklaard dat hij één borst van aangeefster [slachtoffer 1] met de rugzijde van zijn hand kort heeft opgetild, om een idee te krijgen van het gewicht van de borst. Verdachte heeft ontkend dat hij (bei)de borst(en) heeft vastgepakt, gemasseerd of knedende bewegingen heeft gemaakt.
Getuige [getuige 2] , een anesthesiemedewerker in opleiding die op dat moment werd begeleid door verdachte, heeft niet gezien dat verdachte de borst(en) van [slachtoffer 1] heeft aangeraakt. Ook getuige [getuige 3] , een leerling operatieassistente, heeft dit niet gezien.
De rechtbank overweegt dat twee getuigen niet hebben gezien dat verdachte de borst(en) van [slachtoffer 1] heeft aangeraakt, terwijl zij wel aanwezig waren in de operatiekamer op dat moment. De rechtbank is daarom van oordeel dat er slechts kan worden vastgesteld dat verdachte de borst van [slachtoffer 1] kort heeft opgetild, zoals hij zelf heeft omschreven, en dat niet zonder twijfel kan worden vastgesteld dat hij beide borsten (uitgebreider) zou hebben aangeraakt. Het zou namelijk voor de hand liggen dat ook de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] dit uitgebreidere betasten van de borsten zouden hebben gezien wanneer dit zou hebben plaatsgevonden.
Aangeefster [slachtoffer 2]
Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij vernam dat er een verdenking was van borstkanker, de borst van aangeefster [slachtoffer 2] heeft gepalpeerd (fysiek onderzoek bij verdenking van borstkanker). Hierbij heeft hij uitleg gegeven aan getuige [getuige 2] in het kader van haar opleiding. Hij heeft nadrukkelijk ontkend dat hij daarbij “masserende, knedende bewegingen” zou hebben gemaakt.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte heeft voorgedaan hoe zij een borst moest palperen en dat zij dit vervolgens zelf ook heeft gedaan. [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte daarbij gericht de borst aanraakte ter hoogte van de tumor, en liet – in het kader van de uitleg – deze getuige op dezelfde (beperkte) wijze aan de borst voelen. Getuige [getuige 3] bevestigt – in algemene zin – deze gang van zaken.
De verklaring van getuige [getuige 1] wordt op wezenlijke onderdelen duidelijk weersproken door de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Dit heeft tot gevolg dat ook ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 2] niet kan worden vastgesteld dat hij de borsten heeft vastgepakt of gemasseerd. Er kan wel worden vastgesteld dat verdachte de borst van [slachtoffer 2] heeft gepalpeerd.
Beoordeling.
Aan verdachte is ten aanzien van beide vrouwen primair artikel 249 Sr (oud) tenlastegelegd, subsidiair artikel 247 Sr (oud). In beide varianten gaat het om het plegen van ontucht. Een ontuchtige handeling is een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Verder moet voor een veroordeling vast komen te staan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het verrichten van een ontuchtige handeling. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan niet steeds sprake indien, zoals hier het geval is, vaststaat dat verdachte de borst heeft aangeraakt zonder medische noodzaak. Alle feiten en omstandigheden moeten hiervoor in ogenschouw genomen worden.
Gelet op de verklaring van verdachte zelf en de uitspraak van het tuchtcollege staat vast dat verdachte bij beide patiënten een borst heeft aangeraakt, terwijl er geen medische noodzaak toe was. De twee vrouwen hebben hiervoor ook geen toestemming verleend.
Volgens het tuchtcollege leveren de handelingen van verdachte in medisch-tuchtrechtelijke zin ernstige tuchtrechtelijke normschendingen op. Het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 28 november 2024 is daar hard en duidelijk over: verdachte heeft als anesthesioloog zijn professionele grenzen in ernstige mate overschreden. Het zonder medische noodzaak uitwendig onderzoeken van de borsten van twee patiënten die onder algehele anesthesie waren, is in de (onherroepelijke) beslissing van het tuchtcollege aangemerkt als seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Ook de rechtbank acht de handelingen van verdachte misplaatst; de ter terechtzitting gegeven uitleg neemt het ongepaste van zijn gedrag niet weg.
Verdachte heeft ontkend dat zijn handelingen een seksuele bedoeling hadden, volgens verdachte had hij dus geen opzet op het plegen van ontuchtige handelingen.
De rechtbank is van oordeel dat (op basis van de uiterlijke verschijningsvorm) niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte dit opzet wel had, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Voor beide patiënten geldt dat de handelingen plaatsvonden in de operatiekamer, kort voordat de patiënten een borstverkleinende operatie ondergingen. De borsten van de patiënten waren om die reden ontbloot en door de betreffende operatie ook ‘het onderwerp’ van het aanwezige medische personeel. Verder staat vast dat er meerdere personen in de operatieruimte aanwezig waren op het moment dat verdachte de borst(en) van de patiënten aanraakte.
Het aanraken van de borst van aangeefster [slachtoffer 1] had geen medische reden en het op deze wijze inzicht krijgen in de door de patiënt ervaren klachten is naar het oordeel van de rechtbank ongepast. Gezien de setting (operatiekamer) en de aanwezigheid van anderen kan echter niet zonder meer wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een ontuchtige/seksuele handeling zou verrichten door de borst met de rug van de hand kort op te tillen. Hoewel de rechtbank het oordeel van het tuchtcollege – dat sprake is van grensoverschrijdend gedrag – kan volgen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van opzet op een ontuchtige handeling in strafrechtelijke zin. Dit maakt dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Voor aangeefster [slachtoffer 2] geldt dat het palperen (in beginsel) een medische handeling betreft. Deze medisch handeling was weliswaar niet de taak van verdachte, maar gelet op de omstandigheden zoals hiervoor geschetst en het feit dat sprake was van een verdenking van borstkanker én verdachte ook uitleg heeft gegeven aan getuige [getuige 2] over de te verrichten handelingen bij het palperen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een seksuele handeling. Ook getuige [getuige 2] , die daarbij niet alleen aanwezig maar ook betrokken was, zag het als educatief handelen. Dat maakt dat verdachte ook ten aanzien van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.
De vordering van de benadeelde partij [getuige 2] (feit 1).
De vordering van de benadeelde partij.
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een verzoek tot schadevergoeding. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Vanwege de bepleite vrijspraak heeft de raadsman primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair is de raadsman van mening dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding van immateriële schade moet worden gematigd.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
De benadeelde partij heeft wel de mogelijkheid om een vordering in te dienen bij de burgerlijke rechter.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2).
De vordering van de benadeelde partij.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een verzoek tot schadevergoeding. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 75,- ter vergoeding van materiële schade (reiskosten) en een bedrag van € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering – wat betreft de immateriële schade – zal toewijzen tot een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Vanwege de bepleite vrijspraak heeft de raadsman primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair is de raadsman van mening dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding van immateriële schade moet worden gematigd.
Beoordeling.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
De benadeelde partij heeft wel de mogelijkheid om een vordering in te dienen bij de burgerlijke rechter.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
t.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
t.a.v. feit 2 primair, feit 2 subsidiair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. W.A.F. Damen en mr. W.B. Kok, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 11 februari 2026.