ECLI:NL:RBOBR:2026:938

ECLI:NL:RBOBR:2026:938

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer 01/298420-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Onderzoek Slangdraak. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor het in een lange periode en grootschalig seksueel misbruiken van jonge tot zeer jonge kinderen en het vervaardigen, bezitten en verwerven van kinderpornografisch materiaal. Verdachte heeft deze feiten begaan in zijn hoedanigheid als oppas en leraarondersteuner op een basisschool. Bij verdachte is sprake van een pedofiele stoornis en een chronisch kwetsbaar zelfbeeld met narcistische, vermijdende en obsessief-compulsieve persoonlijkheidstrekken. De feiten zijn in enigszins verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De verdachte heeft behandeling nodig voor zijn stoornissen. De deskundigen hebben een behandeling in een voorwaardelijk kader geadviseerd. Gelet op de straf die de rechtbank zal opleggen, biedt het wettelijke sanctiestelt daar geen ruimte voor. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 8 jaar en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De vorderingen van de benadeelde partijen worden grotendeels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer : 01.298420.24

Datum uitspraak : 13 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1999] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te: [P.I.] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 december 2024, 20 februari 2025, 15 mei 2025, 31 juli 2025, 16 oktober 2025,

11 december 2025, 15 december 2025 en 5 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had(den) bereikt,
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt,
5.
6.
en/of
7.
en/of
en/of

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 november 2024.

Op de terechtzitting van 15 mei 2025 is de tenlastelegging op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering aangepast. Aan verdachte is op basis daarvan ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2024 te Helmond, althans in Nederland,

met

- A1, geboren in 2015, en/of

- A2, geboren in 2016, en/of

- A5, geboren in 2016, en/of

- O2, geboren in 2017, en/of

- O3, geboren in 2015, en/of

- O4, geboren in 2013,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die A1, A2, A5, O2, O3 en/of O4,

te weten

(telkens)

meermalen, althans eenmaal,

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die A1, A2, A5, O2, O3 en/of O4,

terwijl die A1, A2, A5, O2, O3 en/of O4 zijn, verdachtes, pupil was/waren en/of aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van verdachte was/waren toevertrouwd;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 september 2014 tot en met 30 juni 2024 te Helmond, althans in Nederland,

met

- A4, geboren in 2015, en/of

- A6, geboren in 2016, en/of

- A8, geboren in 2015, en/of

- A9, geboren in 2016, en/of

- A11, geboren in 2017, en/of

- O1, geboren in 2011, en/of

- O6, geboren in 2010, en/of

- O7, geboren in 2011, en/of

- O8, geboren in 2011, en/of

- O9, geboren in 2007,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

meermalen, althans eenmaal,

- het betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die A4, A6, A8, A9, A11, O1, O7, O8 en/of O9 en/of

- het betasten/aanraken van de billen van die O6,

terwijl die A4, A6, A8, A9, A11, O1, O6, O7, O8 en/of O9 zijn, verdachtes, pupil was/waren en/of aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van verdachte was/waren toevertrouwd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2024 tot en met 15 september 2024 te Helmond, althans in Nederland,

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten A3, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

het betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die A3,

terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b, omschreven omstandigheden, te weten jegens een aan de zorg, waakzaamheid en/of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of jegens een aan verdachte ondergeschikt kind;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 augustus 2023 tot en met 30 juni 2024 te Helmond, althans in Nederland,

met

- A1, geboren in 2015, en/of

- A2, geboren in 2016, en/of

- A4, geboren in 2015, en/of

- A5, geboren in 2016,

die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

meermalen, althans eenmaal,

- het zich laten aftrekken en/of het laten aanraken van zijn, verdachtes, penis door die A1, A2, A4 en/of A5,

terwijl die A1, A2, A4 en/of A5 zijn, verdachtes, pupil was/waren en/of aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van verdachte was/waren toevertrouwd;

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 maart 2022 te Helmond, althans in Nederland,

met O4, geboren in 2013, en/of O5, geboren in 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

te weten

- meermalen, althans eenmaal, het betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die O4 en/of

- meermalen, althans eenmaal, die O4 en/of O5 opzettelijk te bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen, bestaande uit:

* het betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek en/of billen van die O4 door die O5 en/of

* het betasten/aanraken van het geslachtsdeel en/of de schaamstreek van die O5 door die O4 en/of

* het met naakte lichamen op elkaar liggen van die O4 en/of O5,

terwijl die O4 en/of O5 voornoemde ontuchtige handelingen op verzoek en/of instructie van hem, verdachte, hebben verricht en/of

- voornoemde ontuchtige handeling(en) te fotograferen en/of filmen,

terwijl die O4 en/of O5 zijn, verdachtes, pupil was/waren en/of aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van verdachte was/waren toevertrouwd;

hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2018 tot en met 18 september 2024 te Helmond, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(in de periode van 28 juni 2018 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht)

een of meer afbeeldingen en/of - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten A1, A2, A4, A6, A11, A12, A15, O1, O2, O3, O4, O5 en/of O6, was betrokken en/of schijnbaar was betrokken

heeft vervaardigd en/of

heeft verworven en/of

in bezit heeft gehad en/of

zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft

en/of

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 september 2024, artikel 252 Wetboek van Strafrecht)

een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking

waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten A1, A2, A4, A6, A11, A12, A15, O1, O2, O3, O4, O5 en/of O6, was betrokken of schijnbaar was betrokken

heeft vervaardigd en/of

heeft verworven en/of

in bezit heeft gehad en/of

zich daartoe de toegang heeft verschaft

te weten foto’s en/of video’s en/of films en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen en/of visuele weergave(n) en/of gegevensdragers, bevattende visuele weergave(n), te weten

- een mobiele telefoon (merk Apple iPhone, goednummer PL2100-2024202175-2251285) en/of

- een mobiele telefoon (merk Oppo, goednummer PL2100-2024202175-2251286) en/of

- een harde schijf (Seagate externe HDD 2tb, goednummer PL2100-2024202175-2251290) en/of

- een notebook (merk Dell, goednummer PL2100-2024202175-2251302) en/of

- een Mac Mini (goednummer OBRBC24174_827584) en/of

- een mobiele telefoon (merk LG, goednummer OBRBC24174_827589) en/of

- een mobiele telefoon (goednummer OBRBC24174_827590),

waarop te zien is dat:

die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger/hand

(O2: toonmap [bestandsnaam] , p. 469

O3: toonmap [bestandsnaam] , p. 482

O4/O5: toonmap [bestandsnaam] , p. 493)

en/of

het geslachtsdeel, de billen en/of de borst(en) van die persoon met een vinger/hand wordt/worden aangeraakt

en/of

het geslachtsdeel en/of de billen van een ander kind/persoon met een vinger/hand wordt/worden aangeraakt door die persoon

en/of

die persoon het eigen geslachtsdeel met een vinger/hand aanraakt

(A1: toonmap [bestandsnaam] , p. 252

A2: toonmap [bestandsnaam] , p. 276-277

A4: toonmap [bestandsnaam] , p. 314-317

A11: toonmap [bestandsnaam] . 407

A15: toonmap [bestandsnaam] , p. 444

O1: toonmap afbeeldingen [bestandsnaam] . 449-458

O4/O5: toonmap [bestandsnaam]

p. 3-4

O6: toonmap [bestandsnaam] p. 524)

en/of

die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij

- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past

- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van

zijn/haar kleding ontdoet

en/of

- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze

van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films

nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht,

(A2: toonmap [bestandsnaam] , p. 276

A4: toonmap [bestandsnaam] , p. 314-316

A6: toonmap [bestandsnaam] , p. 363

A11: toonmap [bestandsnaam] , p. 407

A12: toonmap [bestandsnaam] , p. 415-418

A15: toonmap [bestandsnaam] p. 444

O1: toonmap [bestandsnaam] , p. 450-458

O2: toonmap [bestandsnaam] , p. 470

O3: toonmap [bestandsnaam] , p. 482-483

O4/O5: toonmap [bestandsnaam] .0, p. 499

O4/O5: toonmap [bestandsnaam] p. 3

O6: toonmap afbeeldingen [bestandsnaam] , p. 524-528)

terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 18 september 2024 te Helmond, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht)

een of meer afbeeldingen en/of - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en/of schijnbaar was betrokken

heeft verworven,

in bezit heeft gehad en/of

zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft

en/of

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 september 2024, artikel 252 Wetboek van Strafrecht)

een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken

heeft verworven,

in bezit heeft gehad en/of

zich daartoe de toegang heeft verschaft

te weten foto’s en/of video’s en/of films en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen en/of visuele weergave(n) en/of gegevensdragers, bevattende visuele weergave(n), te weten

- een Mac Mini (goednummer OBRBC24174_827584) en/of

- een mobiele telefoon (merk LG, goednummer OBRBC24174_827589) en/of

- een mobiele telefoon (goednummer OBRBC24174_827590) en/of

- een mobiele telefoon (merk Apple, iPhone, goednummer PL2100-2024202175-2251285) en/of

- een mobiele telefoon (merk Oppo, goednummer PL2100-2024202175-2251286) en/of

- een harde schijf (Seagate externe HDD 2tb, goednummer PL2100-2024202175-2251290) en/of

- een tablet (merk Apple, Ipad Mini, goednummer PL2100-2024202175-2251300) en/of

- een notebook (merk Dell, goednummer PL2100-2024202175-2251302),

waarop te zien is dat:

die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis en/of voorwerp

en/of

een ander persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een vinger/hand en/of voorwerp door die persoon

en/of

het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger/hand en/of voorwerp door die persoon

(toonmap afbeeldingen: [bestandsnaam] )

en/of

het geslachtsdeel en/of de billen van die persoon met een penis, vinger/hand, mond/tong en/of voorwerp wordt/worden aangeraakt

en/of

het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van een ander kind/persoon met een vinger/hand en/of voorwerp wordt/worden aangeraakt door die persoon

en/of

die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen en/of de eigen borsten met een vinger/hand en/of voorwerp aanraakt

(toonmap afbeeldingen: [bestandsnaam] )

en/of

die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij

- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past

- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet

- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht

(toonmap afbeeldingen: [bestandsnaam] )

en/of

bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten

(toonmap afbeelding: [bestandsnaam] )

terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De aanleiding van het opsporingsonderzoek.

Onder leiding van de officier van justitie is in de loop van september 2024 een opsporingsonderzoek gestart dat de naam “Slangdraak” heeft gekregen. Dit onderzoek richtte zich tot verdachte. Hij was werkzaam als leraarondersteuner op een basisschool in Helmond en in die hoedanigheid stond hij voor de klas en gaf de kinderen uit de groepen 3 tot en met 5 (leeftijdscategorie: 6 - 9 jaar oud) instructies tijdens de lessen. Voor een deel van deze kinderen fungeerde hij daarnaast als mentor.

Op 13 september 2024 werd door verschillende ouders melding gemaakt bij de schoolleiding, omdat zij in de gesprekken met hun kinderen signalen hadden opgevangen waaruit afgeleid kon worden dat verdachte zich mogelijk schuldig had gemaakt aan seksueel misbruik van hun kinderen. De ouders van de betreffende kinderen hebben vervolgens aangifte gedaan bij de politie. In afwachting van het onderzoek naar deze aantijgingen werd verdachte door de schoolleiding per direct op non-actief gesteld. De schoolleiding heeft daarna andere ouders van kinderen bij wie verdachte voor de klas heeft gestaan, geïnformeerd over deze meldingen. Dat heeft er toe geleid dat later meerdere andere ouders zich bij de politie hebben gemeld en tegen verdachte aangifte hebben gedaan van seksueel misbruik van hun kinderen.

Op 18 september 2024 is verdachte aangehouden en zijn onder hem verschillende gegevensdragers in beslag genomen. Op deze gegevensdragers zijn onder meer videobestanden aangetroffen waarop het seksueel misbruik van kinderen was vastgelegd. Het opsporingsteam heeft deze kinderen (voor zover mogelijk) geïdentificeerd en aan de ouders van deze kinderen stills van de beelden laten zien, waarna ook zij (voor zover dat nog niet was gebeurd) aangifte tegen verdachte hebben gedaan. Deze kinderen waren zowel kinderen van school als kinderen van gezinnen waar verdachte in het verleden oppas is geweest. Op de gegevensdragers van verdachte werd verder een grote hoeveelheid aan kinderpornografisch materiaal aangetroffen.

Het opsporingsonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot een procesdossier van iets meer dan 600 pagina’s, verschillende aanvullingen daarop en de verdenking tegen verdachte zoals hiervoor is weergegeven. Kort en goed houdt die verdenking in dat verdachte gedurende een periode van 10 jaar zich in Helmond schuldig heeft gemaakt aan het op grote schaal plegen van seksuele misdrijven met kinderen in de leeftijd van 2 tot 10 jaar (feiten 1 t/m 5) en het vervaardigen, bezitten dan wel verwerven van kinderpornografisch materiaal (feiten 6 en 7).

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte van het seksueel misbruik dat hem onder feit 3 is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken. Door de verdediging zijn voor de overige feiten geen verweren gevoerd.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsbeslissing.

De verdachte heeft de verwijten die hem onder de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 7 zijn gemaakt duidelijk en ondubbelzinnig bekend. Door verdachte en zijn raadsvrouw is ook geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. Daarom heeft de rechtbank in de hiervoor bedoelde bijlage volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank al deze feiten wettig en overtuigend bewezen als na te melden.

De verdachte heeft het verwijt dat hem onder feit 3 wordt gemaakt ontkend en de raadsvrouw heeft voor dit feit vrijspraak bepleit. Aan haar betoog heeft de raadsvrouw in de kern genomen ten grondslag gelegd dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op een seksuele handeling met dit slachtoffer niet kan worden bewezen, omdat het aanraken van lichaamsdelen van het slachtoffer heeft plaatsgevonden in het kader van een spelsituatie.

De rechtbank kan zich niet verenigen met het betoog van de verdediging en schuift dit terzijde. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

Nadat de ouders op 14 september 2024 door de schoolleiding zijn geïnformeerd over de meldingen die zij hadden ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag door een medewerker, heeft de moeder van het slachtoffer A3 op 15 september 2024 gesproken met de politie en verteld dat zij van haar dochter heeft gehoord dat verdachte haar vagina heeft gekieteld. Na dit gesprek zijn de verbalisanten op twee momenten in gesprek gegaan met het slachtoffer. In het eerste (korte) gesprek op 19 september 2024 heeft zij uit zichzelf verteld dat verdachte haar vagina heeft gekriebeld en tijdens het tweede (uitgebreide) gesprek/verhoor op 20 september 2024 heeft zij dit uit zichzelf herhaald. Op verdere vragen van de verbalisanten heeft het slachtoffer vervolgens verklaard over de momenten en de wijze waarop deze handelingen hebben plaatsgevonden en ook over de locatie, de frequentie en de duur daarvan. Daarbij heeft zij ook voorgedaan hoe de verdachte zat (op een stoel), hoe zij zat (op de schoot), wat ze moest doen (haar benen open/wijd houden) en waar de handen van verdachte toen waren (bij haar vagina) en wat hij deed (kietelen op de onderbroek). De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer hiermee consistent, specifiek en gedetailleerd heeft verklaard. De verklaring van het slachtoffer is bovendien afgelegd kort nadat de ouders door de schoolleiding zijn geïnformeerd en is in lijn met de verklaring van haar moeder bij de politie. Daarnaast heeft verdachte aanvankelijk ook onderdelen van de verklaring van het slachtoffer bevestigd en niet uitgesloten dat hij haar vagina kan hebben aangeraakt. Gelet op dit alles ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verklaring van het slachtoffer te twijfelen. De rechtbank acht die verklaring betrouwbaar en neemt deze als uitgangspunt.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of bewezen kan worden dat het opzet van verdachte (al dan niet in voorwaardelijke zin) gericht was op het verrichten van seksuele handelingen met dit slachtoffer. Bij de beantwoording van die vraag heeft de rechtbank het volgende in acht genomen.

Vaststaat dat verdachte vergaande seksuele handelingen heeft gepleegd met andere (zeer) jonge kinderen, waaronder kinderen op de basisschool waar hij werkzaam was. Hij heeft dit (uiteindelijk) ook toegegeven. Op de zitting van 11 december 2025 heeft de verdachte op vragen van de rechtbank geantwoord dat hij zich al een geruime tijd aangetrokken voelt tot jonge meisjes en dat hij kampt met een drang waartegen hij geen weerstand kon bieden. Verder heeft verdachte bevestigd dat de drang, op enkele momenten na, eigenlijk altijd aanwezig is geweest. Bezien in het licht van het voorgaande is het naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onaannemelijk dat verdachte geen seksuele intentie heeft gehad ten tijde van de door het slachtoffer van dit feit (A3) beschreven handelingen noch ten tijde van de door verdachte beweerde spelsituatie met dit slachtoffer. Bovendien bevat het dossier ook andere gevallen, waarbij verdachte een kind op de schoot heeft genomen en soortgelijke seksuele handelingen als beschreven door A3 heeft verricht en welke gevallen door verdachte zijn bekend (bijv. A2, A8, A11, A15, O1, O6). Dit alles maakt dat de rechtbank geen waarde hecht aan de ontkennende verklaring van verdachte noch aan zijn alternatieve uitleg. Naar het oordeel van de rechtbank is het opzet van verdachte op een seksuele handeling met A3, in ieder geval in voorwaardelijke zin, wel degelijk gegeven. De stelling van de verdediging dat verdachte zaken heeft bekend waar anders te weinig bewijs voor zou zijn en om die reden aan de ontkennende of alternatieve verklaring bij dit feit geloof moet worden gehecht, legt bij deze stand van zaken onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidend oordeel te komen. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen als na te melden.

De bewezenverklaring.

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die A1, A2, A5, O2, O3 en O4, te weten meermalen
terwijl die A1, A2, A5, O2, O3 en O4 zijn, verdachtes, pupil waren en/of aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd;
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten meermalen
eenmaal
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten meermalen
terwijl die A1, A2, A4 en A5 zijn, verdachtes, pupil waren en/of aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd;
5.
6.
in de periode van 28 juni 2018 tot en met 18 september 2024 te Helmond, meermalen,
en/of
en/of
7.
in de periode van 1 juli 2020 tot en met 18 september 2024 te Helmond, meermalen
en/of
en/of

Op grond van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bij dit vonnis gevoegde bijlage - bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2024 te Helmond, met

- A1, geboren in 2015, en

- A2, geboren in 2016, en

- A5, geboren in 2016, en

- O2, geboren in 2017, en

- O3, geboren in 2015, en

- O4, geboren in 2013,

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de tussen de schaamlippen van die A1, A2, A5, O2, O3 en O4,

2.

in de periode van 18 september 2014 tot en met 30 juni 2024 te Helmond, met

- A4, geboren in 2015, en

- A6, geboren in 2016, en

- A8, geboren in 2015, en

- A9, geboren in 2016, en

- A11, geboren in 2017, en

- O1, geboren in 2011, en

- O6, geboren in 2010, en

- O7, geboren in 2011, en

- O8, geboren in 2011, en

- O9, geboren in 2007,

- het betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die A4, A6, A8, A9, A11, O1, O7, O8 en O9 en

- het betasten/aanraken van de billen van die O6,

terwijl die A4, A6, A8, A9, A11, O1, O6, O7, O8 en O9 zijn, verdachtes, pupil waren en/of aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd;

3.

in de periode van 19 augustus 2024 tot en met 15 september 2024 te Helmond, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten A3, seksuele handelingen heeft verricht, te weten het aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die A3, terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b, omschreven omstandigheden, te weten jegens een aan de zorg, waakzaamheid en/of opleiding van verdachte toevertrouwd kind;

4.

in de periode van 18 augustus 2023 tot en met 30 juni 2024 te Helmond, met

- A1, geboren in 2015, en

- A2, geboren in 2016, en

- A4, geboren in 2015, en

- A5, geboren in 2016,

- het zich laten aftrekken en/of het laten aanraken van zijn, verdachtes, penis door die A1, A2, A4 en A5,

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 maart 2022 te Helmond, met O4, geboren in 2013, en O5, geboren in 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt,

buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- meermalen het betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die O4 en

- meermalen die O4 en O5 opzettelijk te bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen, bestaande uit:

* het betasten/aanraken van de vagina en/of schaamstreek en/of billen van die O4 door die O5 en

* het betasten/aanraken van het geslachtsdeel en/of de schaamstreek van die O5 door die O4 en

* het met naakte lichamen op elkaar liggen van die O4 en O5,

terwijl die O4 en O5 voornoemde ontuchtige handelingen op verzoek en/of instructie van hem, verdachte, hebben verricht en

- voornoemde ontuchtige handelingen te fotograferen en/of filmen,

terwijl die O4 en O5 aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd;

(in de periode van 28 juni 2018 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht)

een of meer afbeeldingen en/of - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten A1, A2, A4, A6, A11, A12, A15, O1, O2, O3, O4, O5 en O6, was betrokken

heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad en zich door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft

en

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 september 2024, artikel 252 Wetboek van Strafrecht)

visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking

waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten A1, A2, A4, A6, A11, A12, A15, O1, O2, O3, O4, O5 en O6, was betrokken heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft

te weten foto’s en/of video’s en/of films en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen en/of visuele weergave(n) en/of gegevensdragers, bevattende visuele weergave(n), te weten

- een mobiele telefoon (merk Apple iPhone, goednummer PL2100-2024202175-2251285) en

- een mobiele telefoon (merk Oppo, goednummer PL2100-2024202175-2251286) en

- een harde schijf (Seagate externe HDD 2tb, goednummer PL2100-2024202175-2251290) en

- een notebook (merk Dell, goednummer PL2100-2024202175-2251302) en

- een Mac Mini (goednummer OBRBC24174_827584) en

- een mobiele telefoon (merk LG, goednummer OBRBC24174_827589) en

- een mobiele telefoon (goednummer OBRBC24174_827590),

waarop te zien is dat:

die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger

(O2: toonmap [bestandsnaam] , p. 469

O3: toonmap [bestandsnaam] , p. 482

O4/O5: toonmap [bestandsnaam] , p. 493)

en/of

het geslachtsdeel, de billen en/of de borst van die persoon met een vinger/hand worden aangeraakt

en/of

het geslachtsdeel en/of de billen van een ander kind/persoon met een vinger/hand worden aangeraakt door die persoon

en/of

die persoon het eigen geslachtsdeel met een vinger/hand aanraakt

(A1: toonmap [bestandsnaam] , p. 252

A2: toonmap [bestandsnaam] , p. 276-277

A4: toonmap [bestandsnaam] , p. 314-317

A11: toonmap [bestandsnaam] . 407

A15: toonmap [bestandsnaam] , p. 444

O1: toonmap afbeeldingen [bestandsnaam] . 449-458

O4/O5: toonmap [bestandsnaam]

p. 3-4

O6: toonmap [bestandsnaam] p. 524)

en

die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij

- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past

- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet

- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht,

(A2: toonmap [bestandsnaam] , p. 276

A4: toonmap [bestandsnaam] , p. 314-316

A6: toonmap [bestandsnaam] , p. 363

A11: toonmap [bestandsnaam] , p. 407

A12: toonmap [bestandsnaam] , p. 415-418

A15: toonmap [bestandsnaam] p. 444

O1: toonmap [bestandsnaam] , p. 450-458

O2: toonmap [bestandsnaam] , p. 470

O3: toonmap [bestandsnaam] , p. 482-483

O4/O5: toonmap [bestandsnaam] .0, p. 499

O4/O5: toonmap [bestandsnaam] p. 3

O6: toonmap afbeeldingen [bestandsnaam] , p. 524-528)

terwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;

(in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht)

een of meer afbeeldingen en/of - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken heeft verworven, in bezit heeft gehad en zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft

en

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 september 2024, artikel 252 Wetboek van Strafrecht)

een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verworven, in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft

te weten foto’s en/of video’s en/of films en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen en/of visuele weergave(n) en/of gegevensdragers, bevattende visuele weergave(n), te weten

- een Mac Mini (goednummer OBRBC24174_827584) en

- een mobiele telefoon (merk LG, goednummer OBRBC24174_827589) en

- een mobiele telefoon (goednummer OBRBC24174_827590) en

- een mobiele telefoon (merk Apple, iPhone, goednummer PL2100-2024202175-2251285) en

- een mobiele telefoon (merk Oppo, goednummer PL2100-2024202175-2251286) en

- een harde schijf (Seagate externe HDD 2tb, goednummer PL2100-2024202175-2251290) en

- een tablet (merk Apple, Ipad Mini, goednummer PL2100-2024202175-2251300) en

- een notebook (merk Dell, goednummer PL2100-2024202175-2251302),

waarop te zien is dat:

die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis en/of voorwerp

en/of

een ander persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een vinger/hand en/of voorwerp door die persoon

en/of

het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger/hand en/of voorwerp door die persoon

(toonmap afbeeldingen: [bestandsnaam] )

en

het geslachtsdeel en/of de billen van die persoon met een penis, vinger/hand, mond/tong en/of voorwerp wordt/worden aangeraakt

en/of

het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van een ander kind/persoon met een vinger/hand en/of voorwerp wordt/worden aangeraakt door die persoon

en/of

die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen en/of de eigen borsten met een vinger/hand en/of voorwerp aanraakt

(toonmap afbeeldingen: [bestandsnaam] )

en

die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij

- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past

- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet

- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht

(toonmap afbeeldingen: [bestandsnaam] )

en

bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten

(toonmap afbeelding: [bestandsnaam] )

terwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte in zijn geheel uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De oplegging van een straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft in haar op schrift gestelde requisitoir onder meer gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 15 jaar (met aftrek van de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht) én de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging. De officier van justitie ziet, gelet op de eis die zij heeft neergelegd, geen aanleiding om daarnaast een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor de [wijk] of voor de gehele gemeente Helmond te vorderen. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat als de rechtbank tot een andere strafoplegging zal komen, zij deze verboden wel aan verdachte zal moeten opleggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft in haar op schrift gestelde pleidooi erop gewezen dat bij de strafoplegging rekening gehouden moet worden met het feit dat de door verdachte gepleegde feiten hem in verminderde mate vallen toe te rekenen en dat verdachte ten tijde van het plegen van enkele feiten zelf ook minderjarig was. Verder is aangevoerd dat in enkele gevallen sprake is van eendaadse samenloop tussen de ontuchtfeiten en kinderpornografiefeiten. Voorts is er aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dat kader is naar voren gebracht dat verdachte moet leven met het feit dat hij ook zijn ouders en broer in de problemen heeft gebracht, waardoor zij genoodzaakt zijn om uit Helmond te gaan verhuizen. Ook is gewezen op de detentiesituatie van verdachte en opgemerkt dat hij daar meer dan een gemiddelde verdachte de consequenties van ervaart. Verder is erop gewezen dat verdachte met voor- en achternaam en herkenbare foto op het internet te vinden is in verband met deze zaak waardoor zijn recht op privacy is geschonden. Tot slot is verzocht om rekening te houden met de nog jonge leeftijd van verdachte en zijn algehele meewerkende proceshouding in deze zaak.

De raadsvrouw heeft verder een betoog gehouden over de tbs-maatregel. Zij heeft onder meer en in de kern genomen aangevoerd dat een tbs met voorwaarden meer inspeelt op de motivatie van verdachte en dat een behandeling veel eerder van start kan gaan. Gewezen is op de “wachtlijst- en passantenproblematiek” in geval aan verdachte een tbs met dwangverpleging zal worden opgelegd. Betoogd is dat de kans dat dit probleem de komende jaren zal zijn opgelost klein is, wat zal betekenen dat verdachte in feite een langere vrijheidsbenemende straf zal krijgen dan door de rechtbank is beoogd. Dat zal de rechtsbescherming van verdachte en de rechtstaat in het algemeen aantasten. Gelet op het vorenstaande heeft de raadsvrouw bepleit dat daarom moet worden volstaan met het aan verdachte opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en tbs met voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De op te leggen straf - strafverzwarende omstandigheden

De rechtbank heeft verder in het bijzonder in strafverzwarende zin het volgende in aanmerking genomen.

Zoals uit de bewezenverklaarde feiten blijkt, heeft verdachte bij 20 jonge tot zeer jonge kinderen ernstig inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en seksuele integriteit. Veelal onder de schijn van een spelletje betastte hij de geslachtsdelen van de kinderen en zocht hij de grenzen steeds verder op. Van het betasten van de geslachtsdelen over de kleding, ging verdachte over op het betasten op en in de onderbroek, waarbij hij ook met zijn vingers tussen de schaamlippen van enkele kinderen heeft gezeten. Aan sommige kinderen heeft verdachte bovendien zijn ontblote geslachtsdeel laten zien, daaraan laten voelen en hen aangespoord om hem te masturberen. Ook heeft verdachte twee kinderen (een broer en zus) aangezet om bij elkaar seksuele handelingen te verrichten.

Bij dit alles heeft verdachte doelbewust misbruik gemaakt van het vertrouwen dat ouders in hem stelden en mochten stellen. Gezinnen hebben verdachte als oppas in huis genomen, hun privé domein met hem gedeeld en de zorg over hun kinderen aan hem toevertrouwd. Andere ouders hebben hun kinderen aan verdachte, de “meest geliefde leerkracht”, toevertrouwd. Hij was opgeleid om een veilige, ondersteunende en stimulerende leeromgeving voor kinderen te creëren, hun sociaal-emotionele ontwikkelingen te bevorderen en aan te sluiten bij hun individuele ontwikkelingsfasen en behoeften. Ook was hij de persoon die door veel kinderen werd bewonderd, van wie ze konden leren, bij wie zij zich gezien konden voelen, normen en waarden konden ontwikkelen en waar ze zich veilig konden voelen. Hij was degene die de talenten van de kinderen kon ontdekken, laten groeien en daarmee kon bijdragen aan hun toekomst. Niet mag en hoeft van kinderen te worden verwacht dat zij zelf in staat zijn aan te geven waar hun grenzen liggen. Door de kinderen bovendien op te dragen om het misbruik geheim te houden, heeft hij de kinderen gemanipuleerd en een potentiële drempel opgeworpen tussen de kinderen en hun ouders en de kinderen daarmee extra belast. Verdachte heeft bovendien de kans gehad om hulp in te schakelen voor het leren omgaan met zijn pedoseksuele gevoelens, maar die mogelijkheid niet benut.

De gedragingen van verdachte kunnen op korte, maar zeker ook op langere termijn het gevoel van veiligheid en vertrouwen van kinderen beschadigen en andere nadelige gevolgen hebben, zoals het veroorzaken van schaamte- en schuldgevoelens en het verstoren van een gezonde seksuele ontwikkeling. Daarbij vond het misbruik niet alleen plaats op grote schaal, maar ook gedurende een lange periode. De verdachte heeft het belang van de kinderen volstrekt ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeftes.

Wat verder in strafverzwarende zin meeweegt, is dat hij zich door zijn handelingen te filmen ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen en het bezitten van kinderpornografisch materiaal en dat hij daarnaast een grote hoeveelheid door anderen vervaardigd kinderpornografisch materiaal in zijn bezit had. Verdachte heeft aldus bijgedragen aan de productie van en aan het in stand houden van de vraag naar dergelijk materiaal, bij het vervaardigen waarvan kinderen heel vaak, zoals ook nu weer is gebleken, worden misbruikt. Dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte het door hem zelf gemaakte materiaal heeft verspreid, maakt niet dat het vervaardigen en bezitten ervan minder ernstig is.

Het handelen van verdachte heeft diepe sporen nagelaten bij de ouders van de betrokken kinderen. Op de zitting heeft een aantal ouders op indringende wijze (laten) voor(ge)dragen dat het handelen van verdachte hen veel pijn en verdriet heeft toegebracht en dat zij moeten leven met schuldgevoelens, de onwetendheid of en in welke mate dit gevolgen zal hebben op de verdere ontwikkeling van hun kinderen en met de vrees dat de filmpjes van het misbruik van hun kinderen mogelijk toch op internet (gaan) circuleren.

Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat slechts een gevangenisstraf van langere duur recht kan doen aan de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten.

Onverminderd het voorstaande overweegt de rechtbank dat enkele ouders in de zittingszaal onder meer bij het uitoefenen van het spreekrecht, gelet op de gekozen woorden en het gedrag, de grens van een strafbare bedreiging jegens verdachte hebben opgezocht en zelfs overschreden. Hoewel de emoties bij de ouders invoelbaar zijn, is dergelijk taalgebruik en gedrag zeker ook in de rechtszaal niet gepast.

Strafmatigende omstandigheden

Daarnaast zijn er ook strafmatigende feiten en omstandigheden waar de rechtbank rekening mee heeft gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten in enigszins verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Zij betrekt bij dit oordeel de rapporten van psycholoog H.E.W. Koornstra van 13 februari 2025 en psychiater J.L.M. Dinjens van 8 september 2025, die over de persoon van verdachte zijn opgemaakt.

De gedragsdeskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een pedofiele stoornis, waarbij de psychiater ook een chronisch kwetsbaar zelfbeeld met narcistische, vermijdende en obsessief-compulsieve persoonlijkheidstrekken bij verdachte heeft gediagnosticeerd. De deskundigen zijn het er over eens dat één of meer van deze stoornissen ook ten tijde van de door verdachte gepleegde strafbare feiten aanwezig was/waren en dat deze de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte hebben beïnvloed. Ook bestaat er overeenstemming over het recidivegevaar, dat (laag tot) matig wordt ingeschat.

Als het gaat om de vraag wat het voorgaande betekent voor de mate van toerekening van de feiten aan verdachte en welke interventies en juridische kaders nodig worden geacht om het recidivegevaar verder te beperken, lopen de conclusies en de adviezen van de deskundigen ver uiteen.

De psycholoog ziet geen aanleiding te adviseren om de door verdachte gepleegde feiten geheel of in verminderde mate aan hem toe te rekenen, omdat in haar ogen geen sprake is geweest van enige wilsonvrijheid. Zij stelt daartoe dat verdachte wist wat hij deed, dit zorgvuldig plande, zich altijd bewust was van het strafbare en schadelijke ervan en andere keuzes had kunnen maken, maar dat niet deed om niet van het voetstuk te vallen waarop hij stond. Verdachte heeft zorg nodig, stelt zij, omdat hij niet zelfstandig in staat was om zijn gedrag bij te sturen en er sprake is van een sterk beschadigd zelfbeeld dat hersteld moet worden, waarbij hij een andere coping aangeleerd moet krijgen. De psycholoog concludeert dat een behandeling als schematherapie ingezet kan worden en dat parallel hieraan nagegaan moet worden in hoeverre zedenbehandeling geïndiceerd is. Zij adviseert om verdachte in het kader van een (deels voorwaardelijk) op te leggen straf aan te melden bij een forensische (poli)kliniek voor een individuele behandeling gericht op het versterken van zijn zelfbeeld en gemankeerde coping, waarbij al dan niet parallel gewerkt wordt aan zedenbehandeling.

De psychiater heeft daarentegen geconcludeerd dat de feiten aan verdachte in (enigszins) verminderde mate toegerekend kunnen worden. Hij stelt dat verdachte vanuit zijn parafilie telkens op zoek is geweest naar jonge meisjes en hierin werd gedreven door enerzijds de pedofiele stoornis en anderzijds door de dwangmatige persoonlijkheidstrekken en dat hij obsessief bezig was met het willen bevredigen en laten klaarkomen van jonge meisjes in de prebuberale leeftijd. Gelet hierop heeft de psychopathologie in de visie van de psychiater toch (enige) doorwerking gehad in het delictgedrag. De psychiater beschrijft verder dat een langer durende (klinische) behandeling in een dwingend maatregelkader, met voldoende behandeldruk, noodzakelijk is. De behandeling zou in eerste instantie klinisch dienen plaats te vinden, bij voorkeur binnen een forensisch psychiatrische kliniek (FPK)

met expertise in zedenbehandeling. Er wordt hierbij vooral gedacht aan psychologische interventies, zoals het bewerken van de gebrekkige coping, het vergroten van het probleeminzicht, onder meer door het verrichten van een delictscenarioanalyse en terugvalpreventie. Aanvullend kan gedacht worden aan libidoremmende (hormoon)medicatie om de ruim bemeten pedofiele stoornis ook vanuit biologisch perspectief te behandelen. Na de klinische fase zou verdachte nog langere tijd ambulant dienen te worden gevolgd en intensief gemonitord middels forensisch beschermd wonen en poliklinische nabehandeling. De psychiater adviseert tot het opleggen van een tbs met voorwaarden, indien de aard en ernst van de feiten en de daarmee samenhangende strafmaat dit toelaat. Tevens adviseert hij om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. In het geval de strafmaat een tbs met voorwaarden niet toestaat, dan resteert een tbs met dwangverpleging.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor bedoelde rapportages op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van de gedragsdeskundigen over de stoornissen bij verdachte, de aanwezigheid daarvan bij het plegen van de feiten en risico op recidive, worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk motivering. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt deze tot de hare.

De aard en kenmerken van de stoornissen waaraan verdachte een geruime tijd, maar zeker ten tijde van het plegen van de feiten, leed, maken dat de rechtbank het bovendien aannemelijk acht dat deze stoornissen hebben doorgewerkt in de keuzes die verdachte heeft gemaakt om in zijn strafbare seksuele behoeften te voorzien. Doorslaggevend voor dit oordeel is dat de psycholoog bij haar conclusie alleen een pedofiele stoornis in aanmerking heeft genomen, terwijl de psychiater daarnaast ook het chronisch kwetsbare zelfbeeld met narcistische, vermijdende en obsessief-compulsieve persoonlijkheidstrekken van verdachte heeft betrokken. Juist een combinatie van deze stoornissen maken naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de feiten het advies van de psychiater beter te begrijpen dan dat van de psycholoog. De rechtbank zal de psychiater daarom in zijn advies over de toerekening volgen. Dit betekent dat de rechtbank verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar acht voor de door hem gepleegde feiten.

De rechtbank neemt naast deze verminderde toerekeningsvatbaarheid verder als straf matigend in aanmerking dat verdachte een deel van de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij zelf nog minderjarig was en een groot deel in zijn adolescentie. Zijn ook nu nog jonge leeftijd weegt in strafmatigende zin mee. Verder heeft verdachte na een aanvankelijk ontkennende proceshouding open kaart gespeeld. Hij heeft vrijwel alle door hem gepleegde feiten toegegeven, ook feiten die anders mogelijk niet tot een veroordeling hadden kunnen leiden wegens gebrek aan voldoende bewijs. Ook nadien is verdachte zijn volledige medewerking aan het onderzoek blijven verlenen. Hij heeft er voorts blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers en hun ouders aangedane leed inziet en heeft berouw getoond.

De rechtbank sluit niet de ogen voor de (mogelijke) gevolgen voor verdachte van de aandacht van de media in deze zaak. De rechtbank ziet echter geen aanleiding deze omstandigheid mee te wegen in de strafoplegging.

Het betoog van de raadsvrouw dat bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening moet worden gehouden met het feit dat in enkele gevallen sprake is van eendaadse samenloop tussen de ontuchtfeiten en het vervaardigen en voorts in bezit hebben van kinderpornografie, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte bij het plegen van die feiten twee afzonderlijke wilsbesluiten genomen. De handelingen van verdachte staan bovendien los van elkaar. Daar komt bij dat het potentieel schade toebrengend effect van de handelingen verschillend is en het maken van de opnames gericht is op toekomstig gebruik en daarbij ook onzekerheid op lange termijn creëert. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van meerdaadse samenloop.

De op te leggen maatregel

De kans dat verdachte zonder enige behandeling zich schuldig zal maken aan soortgelijke feiten, acht de rechtbank in navolging van de deskundigen aanwezig en reëel. De rechtbank is het met beide gedragsdeskundigen eens dat behandeling voor de stoornissen waaraan verdachte lijdt noodzakelijk is. Verdachte heeft ook aangegeven dat hij daarvoor openstaat en een behandeling, in welke vorm dan ook, met beide handen zal aangrijpen.

De naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, noodzakelijke langere gevangenisstraf laat, gelet op het wettelijk sanctiestelsel, geen ruimte voor een behandeling in een voorwaardelijk kader. Niet als bijzondere voorwaarde bij een op te leggen straf en ook niet als voorwaarde bij een op te leggen terbeschikkingstelling.

Aangezien de noodzaak van een behandeling van verdachte is gebleken en dit om redenen als hiervoor vermeld niet mogelijk is in een ander of minder stringent kader dan die van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, zal de rechtbank die maatregel opleggen. Zij is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van een dergelijke maatregel noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt verder dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De hierna te kwalificeren feiten betreffen misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Het betreft misdrijven gericht tegen of die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte zowel een gevangenisstraf als de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar passend en geboden. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen en bevelen dat de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht hierop in mindering zal worden gebracht.

Nu volgens bestendige jurisprudentie het sanctierecht voor volwassenen niet ingezet kan worden voor de feiten die verdachte deels als minderjarige heeft gepleegd, zal de rechtbank verdachte voor feit 2 (ten aanzien van O7, O8 en O9) schuldig verklaren, maar aan hem verder geen straf opleggen.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op de op te leggen straf en de daarna te ondergane behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling die bij zedendelinquenten vaak zeer langdurig blijkt te zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contact- of locatieverbod op te leggen.

Tot slot overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van de gecombineerde oplegging van de straf en maatregel.

De rechtbank is bekend met de “wachtlijst- en passantenproblematiek” waar de raadsvrouw op zitting aan heeft gerefereerd. De rechtbank erkent het bestaan van dit probleem, waardoor terbeschikkinggestelden niet voortvarend genoeg terecht kunnen in een tbs-kliniek en zij ter overbrugging van een plaatsing naar een kliniek noodgedwongen in een penitentiaire inrichting moeten verblijven. Nog daargelaten dat het regime in een inrichting anders is dan een tbs-kliniek, kunnen de terbeschikkinggestelden ook nog niet starten met een behandeling en daarom ook nog niet toewerken naar een veilige resocialisatie in de maatschappij. Dat is helaas een probleem dat ongewenst lang voortduurt en waar op politiek bestuurlijk niveau nog altijd geen oplossing voor is gevonden. Door verschillende politieke partijen en andere betrokkenen wordt steeds meer druk uitgeoefend om op korte termijn met een zorgvuldige, passende en bestendige oplossing voor dit probleem te komen. De rechtbank spreekt de hoop uit dat dit probleem, op zijn minst grotendeels, zal zijn opgelost tegen de tijd dat verdachte zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten. Het is dan ook te voorbarig om nu te oordelen dat de rechtsbescherming van verdachte en de rechtstaat zullen worden aangetast door de beslissing van de rechtbank om verdachte ter beschikking te stellen en hem van overheidswege te laten verplegen.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Een groot aantal benadeelde partijen heeft zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces gevoegd. De vorderingen variëren van € 1.000,00 tot ruim € 20.000,00 en bestaan uit een materieel en immaterieel deel. In de tabel hieronder is weergegeven wie zich met een vordering heeft gevoegd en wat deze vordering inhoudt.

De door de benadeelde partijen A2 t/m A5, A9 en O1 t/m O4 gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit een of meer van de volgende posten: reiskosten,

parkeerkosten, kosten van begeleiding, kosten van speltherapie en kosten van herinrichting van de badkamer.

Alle benadeelde partijen hebben gevorderd om een door de rechtbank toe te kennen vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partijen A1 t/m A6, A8, A9, A15 en O1 t/m O6 hebben daarnaast verzocht dat de rechtbank bij toewijzing van een immateriële schadevergoeding zal bepalen dat dit bedrag gestort zal worden op een rekening met een BEM-clausule.

Tot slot hebben de benadeelde partijen A11, A12, O7 en O8 gevorderd om een contact- en een gebiedsverbod, zo begrijpt de rechtbank, als schadevergoeding in natura toe te wijzen en ter naleving en controle van deze verboden daaraan elektronisch toezicht te koppelen. Het contactverbod zal zich moeten richten op de slachtoffers en het gebiedsverbod zal moeten inhouden dat het verdachte verboden is om zich op te houden in de buurt van de slachtoffers, hun school of in de wijk.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft niet op alle punten van de vorderingen een standpunt ingenomen, maar volstaan met een aantal richtbedragen die wat haar betreft aangehouden kunnen worden voor het bepalen van de hoogte van een toe te kennen immateriële schadevergoeding. Deze houden in:

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding in het algemeen opgemerkt dat de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen moet worden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding en dat het gevorderde schadebedrag dat boven de categorie van de Rotterdamse schaal uitkomt gematigd moet worden. De raadsvrouw heeft dit vervolgens nader geconcretiseerd en bepleit dat de volgende bedragen aan immateriële schade meer passend zijn:

Verder heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen A1 moeder, A12, A15 en O5 de rechtbank verzocht om de vorderingen primair af te wijzen en subsidiair om de benadeelde partijen voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat de gestelde schokschade niet is onderbouwd (A1 moeder) en dat het maken van beeldmateriaal dat niet verspreid is, niet zonder meer onder een aard en ernst van een normschending valt die zodanig is dat het voor vergoeding in aanmerking komt (A12, A15 en O5). Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat een bedrag van € 500,00 passend is.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de benadeelde partij A3 niet-ontvankelijk is in de vordering, omdat zij vrijspraak heeft bepleit van feit 3 en de vordering betrekking heeft op dat feit. Subsidiair heeft de raadsvrouw op dit punt geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt of verweren gevoerd. Dit laatste geldt ook voor de vorderingen van de benadeelde partijen A1 vader, A4, A6, A8, A9 en O6.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding (subsidiair) afwijzing bepleit van de door de benadeelde partijen A2, A3, A5, A9, O1, O2 en O4 gevorderde schadevergoeding in verband met de kosten van begeleiding. De verdediging heeft rechtsoverweging 3.4 uit het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008 geciteerd en betwist dat het inschakelen van professionele hulp normaal en gebruikelijk was geweest als de ouders hun kind niet hadden kunnen opvangen. Volgens de verdediging gaat het niet om de verzorging van een ernstig gewond kind (zoals het voorbeeld uit voornoemd arrest) dat wellicht specifieke medische hulp nodig had, maar het gaat enkel om het thuis oppassen. Het blijkt niet dat dit niet door een ander familielid of kennis had kunnen gebeuren.

Verder heeft de raadsvrouw verzocht de door de benadeelde partij O4 gevorderde schadevergoeding in verband met de kosten van herinrichting van de badkamer primair af te wijzen en subsidiair om de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw stelt dat het misbruik van de benadeelde partij niet in de badkamer heeft plaatsgevonden. Er is slechts sprake van een videobestand waarop te zien is dat de benadeelde partij aan het douchen is. De verdediging ziet niet in hoe dit videobestand tot schade heeft kunnen leiden bij O4. Onvoldoende is onderbouwd dat door de handelingen van verdachte sprake is geweest van psychisch ongemak dat door een herinrichting wordt weggenomen. Van rechtstreekse schade of kosten ter beperking van schade is dan ook niet gebleken.

Voor de overige materieel gevorderde schadevergoeding door verschillende benadeelde partijen in verband met reiskosten, parkeerkosten en kosten van speltherapie heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt of verweren gevoerd.

Tot slot heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen om de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding te bepalen in het midden van de per slachtoffer bewezenverklaarde periode.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beoordeling van een vordering van de benadeelde partij is de strafrechter gebonden aan de regels van het materiële burgerlijk recht. Op grond daarvan komt voor vergoeding aan een benadeelde partij slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade (materiële schade) en ander nadeel (immateriële schade). De vergoeding voor schade wordt begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt deze door de rechter geschat. De vergoeding voor immateriële schade wordt door de rechter naar billijkheid vastgesteld. In geen geval kan de rechter een schadevergoeding vaststellen tot een hoger bedrag dan het bedrag dat door de benadeelde partij is gevorderd.

De rechtbank zal - met inachtneming van het voorgaande - hierna ingaan op de vorderingen van de benadeelde partijen. Gelet op de grote hoeveelheid aan vorderingen en omwille van de leesbaarheid van het vonnis, zal de rechtbank niet aan iedere individuele vordering overwegingen wijden. De rechtbank zal volstaan met algemene overkoepelende overwegingen en beslissingen. In het dictum van dit vonnis zal de rechtbank haar beslissing per vordering weergeven.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen, met uitzondering van A1 moeder en A1 vader (waarover later meer), als gevolg van de ten laste van verdachte bewezenverklaarde feiten rechtstreekse schade hebben geleden en dat deze schade aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partijen hebben op grond hiervan in beginsel recht op een vergoeding van de door hen geleden schade.

Als het gaat om de door de benadeelde partijen A2 t/m A5, A9 en O1 t/m O4 gevorderde materiële schadevergoeding voor reiskosten en/of parkeerkosten en/of kosten van speltherapie overweegt de rechtbank dat deze schade en de omvang daarvan niet door de verdediging zijn betwist en de gevorderde bedragen naar het oordeel van de rechtbank redelijk en ook onderbouwd zijn. De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen die het betreffen op dit punt dan ook integraal toewijzen.

De benadeelde partijen A2, A3, A5, A9, O1, O2 en O4, die ook een materiële schadevergoeding hebben gevorderd voor kosten van begeleiding, zullen op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De rechtbank overweegt daartoe dat kosten van begeleiding, als verplaatste schade, voor vergoeding in aanmerking komen als voldoende is komen vast te staan dat de begeleider daadwerkelijk kosten heeft moeten maken of als inzet van professionele begeleiding noodzakelijk, normaal en gebruikelijk is geweest. Ter onderbouwing van de vordering op dit punt is enkel aangedragen dat de ouders tijd hebben moeten maken om met hun kinderen naar de politie, het Landelijke Psychotraumacentrum, het Centrum Seksueel Geweld en/of de speltherapeut te gaan en/of omdat hun kinderen niet naar school zijn gegaan en de ouders thuis zijn gebleven om op hun kinderen te passen. Daaruit volgt echter nog niet dat de ouders daadwerkelijk kosten hebben moeten maken of anderszins in hun vermogen zijn aangetast. Van gederfde inkomsten of van opgenomen vrije dagen is de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing niet gebleken. Daar komt bij dat de noodzaak van het inzetten van professionele begeleiding naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken en dat daarvan ook niet zonder meer gezegd kan worden dat dit normaal en gebruikelijk zou zijn geweest.

De benadeelde partij O4, die een materiële schadevergoeding heeft gevorderd wegens kosten van herinrichting van de badkamer, zal op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat uit het dossier lijkt te volgen dat het seksueel misbruik van de benadeelde partij met name op andere plaatsen dan in de badkamer heeft plaatsgevonden. Uit het dossier volgt niet dat de benadeelde partij heeft verklaard over een in de badkamer plaatsgevonden misbruik. Hoewel op een van de onder verdachte in beslag genomen gegevensdrager een video- en/of fotobestand is aangetroffen van de benadeelde partij die naakt onder de douche staat, blijkt uit die beelden niet dat verdachte toen of op een later moment in de badkamer de benadeelde partij seksueel heeft misbruikt. Dit alles leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde kosten in een te ver verwijderd verband staan van de ten laste van verdachte bewezenverklaarde handelingen.

De benadeelde partijen hebben naast een vergoeding van materiële schade ook recht op een vergoeding van immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending mee, namelijk het door de verdachte plegen van seksuele handelingen met (zeer) jonge minderjarige kinderen, dat de daaruit voor de benadeelde partijen voortvloeiende nadelige gevolgen, zozeer voor de hand liggen, dat “aantasting in de persoon op andere wijze”, zoals vereist in het burgerlijk recht, kan worden aangenomen. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de benadeelde partijen waarvan enkel kinderpornografisch beeldmateriaal is gemaakt, nu zij moeten leven met de vrees dat deze beelden mogelijk op het internet circuleren. Hoewel dit laatste door verdachte is ontkend, kan daar niet zonder meer van worden uitgegaan. Een “aantasting in de persoon op andere wijze” in vorenbedoelde zin, kan naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie dan ook worden aangenomen.

Wat betreft de hoogte van de toe te kennen bedragen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal voor ontucht met binnendringen (categorie: “ernstig” met een vergoeding tussen de € 6.000,- en € 12.500,-) en aanranding (categorie “meest ernstig” met een vergoeding tussen de € 5.000,- en € 6.500,-). Hierbij (en voorts) heeft de rechtbank rekening gehouden met de duur, frequentie en de ernst van de gepleegde seksuele handelingen, de handelswijze van en de afhankelijkheidsrelatie met de verdachte, de locatie waar het misbruik heeft plaatsgevonden, het al dan niet vervaardigen en/of bezitten van seksueel getint beeldmateriaal van de benadeelde, de leeftijd van de benadeelde en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde.

Alles afwegend heeft dit er toe geleid dat de rechtbank de navolgende vergoedingen voor immateriële schade voor toewijzing vatbaar acht:

Nu de rechtbank geen hogere schadevergoeding kan toewijzen dan het bedrag dat door de benadeelde partijen is gevorderd, betekent dit voor sommige benadeelde partijen dat zij - ondanks de hiervoor genoemde bedragen - een lager bedrag toegewezen zullen krijgen.

De rechtbank wijdt hierna in het bijzonder de volgende overwegingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen A1 moeder en A1 vader, die beiden op grond van “shockschade” om een immateriële schadevergoeding hebben verzocht.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van “shockschade” plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht. Deze heftige schok moet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld tot gevolg hebben. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hebben of hadden. Het gaat om shockschade bij een “secundair slachtoffer”, veroorzaakt door het onrechtmatig handelen tegen het “primaire slachtoffer”. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: (a) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, (b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en (c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van shockschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.

In het geval van de benadeelde partij A1 moeder is gesteld dat zij vanwege de confrontatie met de handelingen die verdachte jegens haar dochter heeft begaan, psychische klachten heeft en een doorverwijzing heeft gehad naar een psycholoog. Nog daargelaten of aangenomen kan worden dat aan de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld, ontbreekt een nadere onderbouwing met stukken over het gestelde geestelijk letsel. Bij gebrek daaraan kan de rechtbank niet naar objectieve maatstaven vaststellen dat bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Als het gaat om de benadeelde partij A1 vader is in de vordering toegelicht dat hij geconfronteerd is met de beelden van het seksueel misbruik van het slachtoffer (zijn dochter) en als gevolg daarvan psychische klachten heeft. Als onderbouwing van dit laatste heeft de benadeelde partij een verklaring van een psycholoog overgelegd, die - kort gezegd - concludeert dat de klachten van de benadeelde partij passen bij een Posttraumatische Stress Stoornis. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de benadeelde partij echter geen vergoeding op grond van “shockschade” toekomen. Hoewel tussen de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe en affectieve relatie bestaat, kan de rechtbank niet vaststellen dat bij de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte of door de confrontatie van de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok is teweeggebracht. Zo blijkt uit het dossier niet dat de benadeelde partij onverhoeds is geconfronteerd met de seksuele handelingen tussen verdachte en het slachtoffer of van de beelden daarvan. De rechtbank begrijpt uit het dossier dat aan de benadeelde partij geen bewegende beelden (videobestanden) van het misbruik zijn getoond, maar slechts uitsneden van afbeeldingen (foto’s) om het slachtoffer te kunnen identificeren. Gelet op dat doel is het zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk dat aan de benadeelde partij het misbruik zelf is getoond. Overigens is de benadeelde partij voor dat moment al op de hoogte geraakt van het seksueel misbruik van zijn dochter. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Deze beslissingen hebben tot gevolg dat de rechtbank de benadeelde partij A1 moeder en A1 vader zal veroordelen in de proceskosten die door verdachte ter verdediging tegen deze vorderingen heeft gemaakt, welke tot op heden begroot wordt op nihil.

Al het voorgaande betekent dat de rechtbank de volgende, in onderstaand tabel weergegeven, bedragen zal toewijzen.

De rechtbank zal bepalen dat de toegewezen bedragen aan schadevergoeding vermeerderd zullen worden met de wettelijke rente. De ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schadevergoeding zal de rechtbank bepalen op de data waarop de vorderingen door het openbaar ministerie/rechtbank zijn ontvangen. Voor de immateriële schadevergoeding geldt dat de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente zal bepalen in het midden van de per slachtoffer bewezenverklaarde periode.

Verder zal de rechtbank de verdachte veroordelen in de proceskosten die door de benadeelde partijen zijn gemaakt, welke tot op heden begroot worden op nihil. Daarnaast zal de verdachte veroordeeld worden in de proceskosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

De rechtbank kent in een strafprocedure geen voorschot op de (definitieve) schadevergoeding toe. De benadeelde partijen zullen in het meer of anders verzochte dan door de rechtbank wordt toegewezen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kunnen de benadeelde partijen (desgewenst) bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partijen die het betreft bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van die benadeelde partijen te openen rekening met een BEM-clausule.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de hiervoor genoemde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de data zoals in het dictum van dit vonnis vermeld tot aan de dag van volledige betaling.

De rechtbank ziet in de duur van de aan verdachte op te leggen straf en tbs-maatregel en de daarmee verband houdende te verwachten beperkte financiële ruimte van verdachte voor het betalen van de toegewezen bedragen, aanleiding af te wijken van de maximaal toegestane gijzeling van 365 dagen. De gijzeling zal per benadeelde partij steeds op één dag worden gesteld om te voorkomen dat de gijzeling niet meer het karakter draagt van extra waarborg voor de betalingsverplichting, maar eerder als punitieve vrijheidsbeneming moet worden aangemerkt.

De betalingen die worden gedaan aan de Staat worden op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.

Voor wat betreft de verzoeken tot het opleggen van een contact- en locatieverbod overweegt de rechtbank dat, gelet op de langdurige vrijheidsbenemende straf en maatregel die aan verdachte zal worden opgelegd, het opleggen van een contact- en locatieverbod niet opportuun is. De verzoeken van de benadeelde partijen die het betreffen zullen op dit punt dan ook worden afgewezen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 60a, 240b(oud), 244(oud), 247(oud), 248(oud), 245, 249, 252 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 tot en met feit 7 wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn pupil en/of een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevoertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn pupil en/of een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevoertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 3:

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaar, terwijl het feit wordt begaan jegens een aan de zorg, waakzaamheid en opleiding van diegene toevertrouwd kind, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 4:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn pupil en/of een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevoertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 5:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevoertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 6:

een afbeelding en/of - een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl degene die van het plegen van dit misdrijf een gewoonte maakt

en

een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken, vervaardigen, in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van dit feit een gewoonte wordt gemaakt

ten aanzien van feit 7:

een afbeelding en/of - een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl degene die van het plegen van dit misdrijf een gewoonte maakt

en

een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken, vervaardigen, in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van dit feit een gewoonte wordt gemaakt

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt geen straf op ten aanzien van feit 2 (O7, O8 en O9).

legt op de volgende straf en maatregel:

ten aanzien van feit 1, feit 2 (A4, A6, A8, A9, A11, O1 en O6), feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7:

 een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd;

beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als na te melden:

ten aanzien van feit 1, feit 4 en feit 6 (benadeelde partij A1)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A1 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 26 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A1 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A1, van een bedrag van € 10.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 26 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 1, feit 4 en feit 6 (benadeelde partij A1 vader)

bepaalt dat de benadeelde partij A1 vader niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

ten aanzien van feit 1, feit 4 en feit 6 (benadeelde partij A1 moeder)

bepaalt dat de benadeelde partij A1 moeder niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

ten aanzien van feit 1, feit 4 en feit 6 (benadeelde partij A2)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A2 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 10.067,67, bestaande uit een bedrag van € 67,67 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 3 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (post: “kosten van begeleiding”) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A2 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A2, van een bedrag van € 10.067,67;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 67,67 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 3 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 1 en feit 4 (benadeelde partij A5)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A5 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 10.230,38, bestaande uit een bedrag van € 230,38 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten”, “parkeerkosten” en “kosten speltherapie) en uit een bedrag van

€ 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 7 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (post: “kosten van begeleiding”) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A5 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A5, van een bedrag van € 10.230,38;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 230,38 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten”, “parkeerkosten” en “kosten speltherapie) en uit een bedrag van

€ 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 7 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 1 en feit 6 (benadeelde partij O2)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O2 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 10.180,09, bestaande uit een bedrag van € 180,09 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 24 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (post: “kosten van begeleiding”) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van O2 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O2, van een bedrag van € 10.180,09;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 180,09 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 24 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 1 en feit 6 (benadeelde partij O3)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O3 geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 10.035,05, bestaande uit een bedrag van € 35,05 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 8 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van O3 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O3, van een bedrag van € 10.035,05;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 35,05 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 10.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 8 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 1, feit 5 en feit 6 (benadeelde partij O4)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O4 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 15.106,79, bestaande uit een bedrag van € 106,79 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 15.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (posten: “kosten van begeleiding” en “kosten van herinrichting badkamer”) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van O4 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O4, van een bedrag van € 15.106,79;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 106,79 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 15.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2, feit 4 en feit 6 (benadeelde partij A4)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A4 geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.825,00 bestaande uit een bedrag van € 825,00 als materiële schadevergoeding (post: “kosten speltherapie”) en uit een bedrag van € 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 4 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A4 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A4, van een bedrag van € 5.825,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 825,00 als materiële schadevergoeding (post: “kosten speltherapie”) en uit een bedrag van € 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 4 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 en feit 6 (benadeelde partij A6)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A6 geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 23 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A6 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A6, van een bedrag van € 5.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 23 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 (benadeelde partij A8)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A8 geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A8 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A8, van een bedrag van € 5.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 (benadeelde partij A9)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A9 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.798,53, bestaande uit een bedrag van € 798,53 als materiële schadevergoeding (posten: “kosten speltherapie” en “reiskosten”) en uit een bedrag van € 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 4 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 maart 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (post: “kosten van begeleiding”) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A9 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A9, van een bedrag van € 5.798,53;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 798,53 als materiële schadevergoeding (posten: “kosten speltherapie” en “reiskosten”) en uit een bedrag van € 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 4 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 maart 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 en feit 6 (benadeelde partij A11)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A11 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 6.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 15 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A11, van een bedrag van € 6.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 15 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 en feit 6 (benadeelde partij O1)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O1 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 6.406,76 bestaande uit een bedrag van € 406,76 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 6.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 24 februari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (post: “kosten van begeleiding”) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van O1 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O1, van een bedrag van € 6.406,76;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 406,76 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 6.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 24 februari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 en feit 6 (benadeelde partij O6)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O6 geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 4.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 20 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van O6 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O6, van een bedrag van € 4.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 20 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 (benadeelde partij O7)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O7 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O7, van een bedrag van € 5.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 (benadeelde partij O8)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O8 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O8, van een bedrag van € 5.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 2 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 2 (benadeelde partij O9)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O9 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O9, van een bedrag van € 5.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 3 (benadeelde partij A3)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A3 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.297,42 bestaande uit een bedrag van € 297,42 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 1.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 1 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (post: “kosten van begeleiding”) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A3 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A3, van een bedrag van € 1.297,42;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 297,42 als materiële schadevergoeding (posten: “reiskosten” en “parkeerkosten”) en uit een bedrag van € 1.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 5 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 1 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 5 en feit 6 (benadeelde partij O5)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij O5 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van O5 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij O5, van een bedrag van € 5.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 6 (benadeelde partij A12)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A12 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 16 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A12, van een bedrag van € 1.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 16 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen;

ten aanzien van feit 6 (benadeelde partij A15)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A15 geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.000,00 als immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van A15 te openen rekening met een BEM-clausule;

legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij A15, van een bedrag van € 1.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

bepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 31 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. W. Heijninck, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 13 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.A. Waals
  • mr. M.L.W.M. Viering
  • mr. W. Heijninck

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?