RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.295092.25 en 01.011823.26 (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummer vordering: 71.259121.24
Datum uitspraak: 12 februari 2026 (bij vervroeging)
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen de verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak met parketnummer 01.295092.25 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 januari 2026.
De zaak met parketnummer 01.011823.26 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 januari 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
01.295092.25 feit 1 primair:
hij op of omstreeks 2 oktober 2025 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een (telefoon)kabel/snoer om de hals van die [slachtoffer] heeft gelegd en/of die kabel/snoer heeft aangetrokken en/of aldus een verwurging heeft aangelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
01.295092.25 feit 2:
hij op of omstreeks 2 oktober 2025 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland,
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je kankerdood slaan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
Aan de verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.011823.26 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 oktober 2025 te Valkenswaard
al dan niet opzettelijk
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten ongeveer 9,95 gram, in elk geval een hoeveelheid 4-BMC aanwezig heeft gehad;
De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De zaak met parketnummer 71.259121.24 is aangebracht bij vordering van 18 december 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank in Rotterdam van 17 maart 2025. Een kopie van de vordering is in het digitale dossier gevoegd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverwegingen.
Standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten gerekwireerd.
Standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 01.295092.25.
Met betrekking tot het feit onder parketnummer 01.011823.26 heeft de verdediging gepleit voor vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot parketnummer 01.295092.25 feit 1 primair:
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte een telefoonkabel/snoer om zijn beide handen heeft gewikkeld, deze met twee handen om de hals van aangeefster heeft gelegd en met kracht heeft aangetrokken en aldus een verwurging heeft aangelegd. Deze handelingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen als een begin van uitvoering van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Indien de verdachte de verwurging had voortgezet, hadden vitale organen beschadigd kunnen raken ten gevolge van zuurstoftekort en/of een afgesloten slagader.
In de hiervoor beschreven handelingen ligt besloten dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dat de verdachte de poging na enkele seconden heeft gestaakt, doet daar niet aan af.
Met betrekking tot parketnummer 01.011823.26:
De getuige [getuige] heeft de bevindingen van verbalisant [verbalisant] in het proces-verbaal van aanhouding over het voorhanden hebben en weggooien in de bosjes van verdovende middelen door de verdachte bevestigd (p. 31 van het eindp-v in de zaak 01.295092-25). Vervolgens heeft de politie in de bosjes sealzakjes met dezelfde opdruk en dezelfde inhoud gevonden als het zakje dat uit de zak van de verdachte is gevallen en waarvan hij wel heeft toegegeven dat hij daarvan de eigenaar was.
Op grond van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat het de verdachte was die de in de bosjes aangetroffen sealzakjes voorhanden had en heeft weggegooid.
De rechtbank verwerpt het bewijsverweer.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte
01-295092-25 feit 1 primair:
op 2 oktober 2025 te Valkenswaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een telefoonkabel/snoer om de hals van die [slachtoffer] heeft gelegd en die kabel/snoer heeft aangetrokken en/of aldus een verwurging heeft aangelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
01-295092-25 feit 2:
op 2 oktober 2025 te Valkenswaard,
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je kankerdood slaan".
parketnummer 01.011823.26:
op 2 oktober 2025 te Valkenswaard opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten ongeveer 9,95 gram 4-BMC aanwezig heeft gehad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.
Oplegging van de straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld in het reclasseringsrapport van 29 januari 2026.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich bij een treffen met aangeefster zeer agressief jegens haar gedragen. Hij heeft een telefoonkabel/snoer om haar nek gelegd en geprobeerd haar te verwurgen. Alleen maar omdat aangeefster uit een reflex een hand tussen de kabel kon doen en de verdachte van zich af heeft weten te schudden, is erger voorkomen. De verdachte heeft aangeefster ook met de dood bedreigd.
De verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en haar lichamelijke en geestelijke integriteit aangetast. Uit haar slachtofferverklaring volgt dat de bedreigingen en het geweld een grote indruk op haar hebben gemaakt en dat het handelen van de verdachte een emotionele impact op haar heeft gehad.
De verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol en verdovende middelen, waarvan hij wist – of in elk geval moest weten – dat dit negatieve effecten op zijn gedrag had. Desondanks heeft hij die stoffen toch gebruikt en heeft hij tussentijds zelfs in het openbaar nog verdovende middelen tot zich genomen. Verder had de verdachte 9,95 gram 4-BMC voorhanden.
De verdachte heeft bij de reclassering en ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat ‘het’ zo niet langer verder kan. De verdachte ziet in dat een klinische behandeling nodig is, om zijn psychische gesteldheid te verbeteren en hem van zijn middelenproblematiek af te helpen.
De verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen.
De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 166 dagen voorwaardelijk opleggen om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. De rechtbank zal in de hierna op te leggen voorwaarden opnemen dat het nemen van medicatie ook gedurende de klinische behandeling verplicht kan worden gesteld (ook ten aanzien van de TUL).
Gelet op de aard van de bewezen verklaarde geweldsfeiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank heeft daarbij gelet op het door de reclassering ingeschatte recidiverisico.
De rechtbank zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 71.259121.24.
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 5 februari 2026 verzocht de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en de eerder opgelegde bijzondere voorwaarden te wijzigen door daaraan de bijzondere voorwaarde toe te voegen:
“dat de veroordeelde zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling verplicht laat opnemen in de (forensische) Psychiatrie / Verslavingszorg Reinier van Arkel of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.”
De rechtbank zal – gelet op wens en noodzaak van een klinische behandeling – de gevorderde tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde 90 dagen gevangenisstraf afwijzen en de bijzondere voorwaarden wijzigen als na te melden (eveneens met de toevoeging dat het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling).
De veroordeelde blijft nog in de proeftijd van die voorwaardelijk opgelegde straf lopen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 45, 57, 285, 302 van het Wetboek van Strafrecht
2a, 10b van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
01-295092-25 feit 1 primair: poging tot zware mishandeling;
01-295092-25 feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
01-011823-26: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid van de Opiumwet gegeven verbod.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf:
een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 166 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich na het onherroepelijke vonnis bij Reclassering Nederland meldt, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken.
De meldplicht heeft tot doel de heer [verdachte] te kunnen begeleiden bij en te controleren op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s. Betrokkene moet op een constructieve wijze meewerken aan deze gesprekken en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- dat de veroordeelde zich (al dan niet ter overbrugging dan wel na het klinische traject) verplicht zal laten behandelen voor zijn middelen- en psychische problematiek bij de forensische psychiatrische polikliniek Tactus of een soortgelijke ambulante instelling voor forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- dat de veroordeelde zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling verplicht laat opnemen in de (forensische) Psychiatrie / Verslavingszorg Reinier van Arkel of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor dit gebruik. Hij moet gedurende de proeftijd meewerken aan hierop gerichte controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel hij wordt gecontroleerd.
- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect– contact zal zoeken of hebben met mevrouw [slachtoffer] , tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Hij werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het contactverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering controleert het contactverbod mede door het inzien van de GPS-gegevens.
Hij zal voor de naleving van het contactverbod tevens verplicht worden mee te werken aan controles van zijn digitale gegevensdragers, als en zolang het openbaar ministerie dit nodig acht, ook wanneer dit inhoudt dat het digitale onderzoek door een externe deskundige wordt verricht, waarbij het aantal controles wordt gemaximeerd op zes keer per jaar.
- dat de veroordeelde zich niet bevindt in de stad Veldhoven , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht. Dit verbod richt zich op slachtofferbescherming naar aanleiding van de verdenking ten aanzien van poging zware mishandeling en bedreiging.
De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatieverbod. Hij gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat hij in Nederland blijft.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij geldt als voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Wijst af de vordering met parketnummer 71-259121-24 van de officier van justitie van 18 december 2025.
Wijzigt de bijzondere voorwaarden, die zijn opgelegd door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 17 maart 2025 onder parketnummer 71-259121-24, in die zin dat daaraan wordt toegevoegd de bijzondere voorwaarde:
- dat de veroordeelde zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling verplicht laat opnemen in de (forensische) Psychiatrie/ Verslavingszorg Reinier van Arkel of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
Heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.F.N. van Schaijk, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. G.M. Blanken, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 12 februari 2026.