ECLI:NL:RBOBR:2026:957

ECLI:NL:RBOBR:2026:957

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer C/01/419134 / FA RK 25-371
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Buitenlandtoelage volledig meegenomen bij het inkomen van de man. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van extra kosten in het land van uitzending bovenop de gebruikelijke kosten in Nederland. Kindertoelage is ook inkomen, vergelijkbaar met kindgebonden budget in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

beschikking

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/419134 / FA RK 25-3719

Uitspraak : 16 januari 2026

Beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. S.E.H. Kehrens,

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.J. Lauwen,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift (met bijlagen) van de vrouw, ontvangen ter griffie op

15 september 2025;

het aanvullend verzoekschrift (met bijlagen) van de vrouw;

het verweerschrift (met bijlagen) van de man, tevens houdende een zelfstandig verzoek;

de correspondentie, met name:

een F9-formulier met producties 9 t/m 17 van mr. Kehrens van 9 december 2025.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Verschenen zijn: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man (via een digitale videoverbinding) bijgestaan door zijn advocaat, [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) en mr. I. van Meeteren als piketmediator.

Partijen hebben zich na debat tijdens de mondelinge behandeling bereid verklaard om via piketmediation te proberen tot overeenstemming te komen over de tussen hen bestaande geschillen. De rechtbank heeft de beslissing daarom aangehouden in afwachting van het verloop van de piketmediation.

Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van:

een bericht van mr. Lauwen van 19 december 2025;

een bericht van mr. Kehrens van 22 december 2025;

een F9-formulier van mr. Lauwen van 24 december 2025;

een F9-formulier van mr. Kehrens van 24 december 2025.

Uit de correspondentie blijkt dat de mediation niet van start is gegaan en daarom is beëindigd.

2. De feiten

Partijen zijn op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd.

Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

3. Het geschil

De vrouw verzoekt de rechtbank, na aanvulling van haar verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2025 bij vooruitbetaling dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind met een bedrag van € 937,00 per maand, althans een nader op basis van draagkracht te bepalen en in goede justitie vast te stellen bedrag per maand;

II. te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2025 bij vooruitbetaling dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.000,00 bruto per maand althans een nader op basis van draagkracht te bepalen en in goede justitie vast te stellen bedrag per maand;

III. een vakantieregeling vast te stellen overeenkomstig punt 5 van het aanvullend verzoekschrift voor het jaar 2025 en 2026;

IV. te bepalen dat [de minderjarige] in het voorjaar 2026 (maanden mei/juni) tijdens een

nader vast te stellen vakantieperiode van maximaal 18 dagen (2,5 week) bij

de vrouw verblijft en zij gerechtigd is om alsdan met [de minderjarige] op vakantie te

gaan naar het buitenland;

V. de vrouw vervangende toestemming te verlenen om tijdens de hiervoor

genoemde periode met [de minderjarige] op reis te gaan naar Italië en te bepalen dat

deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste

toestemming van de man;

VI. de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor een

medische/psychologische behandeling van [de minderjarige] bij Psychologenpraktijk Slaap

Lekker en te bepalen dat deze vervangende toestemming strekt tot

vervanging van de vereiste toestemming van de man.

De man voert hiertegen verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw. De man verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat [de minderjarige] bij de man zal verblijven gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen op de dagen dat de man in Nederland verblijft zoals vermeld in productie 1 van het verweerschrift, althans een zo uitgebreid mogelijke voorlopige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht.

4. De beoordeling

Vakantieregeling

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man vanaf februari 2026 weer in Europa werkzaam zal zijn, waarschijnlijk in de Duitse grensstreek. Het is partijen vervolgens gelukt om overeenstemming te bereiken over de vakantieregeling. De man kan instemmen met het verzoek van de vrouw ten aanzien van de zomervakantie, de kerstvakantie en de meivakantie. Verder kan de man ermee instemmen dat [de minderjarige] in het voorjaar 2026 (maanden mei/juni) tijdens een nader vast te stellen vakantieperiode van maximaal 18 dagen (2,5 week) bij de vrouw verblijft. Ten aanzien van de voorjaars- en herfstvakantie zijn partijen overeengekomen dat [de minderjarige] in de even jaren, en dus in 2026, in de voorjaarsvakantie bij de man verblijft en in de herfstvakantie bij de vrouw. In de oneven jaren verblijft [de minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij de vrouw en in de herfstvakantie bij de man. De rechtbank zal aldus bepalen.

Vervangende toestemming vakantie en medische behandeling

De rechtbank stelt voorop dat artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) limitatief opsomt welke voorlopige voorzieningen in zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed kunnen worden getroffen. Een voorziening die betrekking heeft op vervangende toestemming voor een vakantie en een medische behandeling valt niet onder die limitatieve opsomming. De rechtbank zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling evenwel verklaard dat hij kan instemmen met de vakantie van de vrouw met [de minderjarige] naar Italië in het voorjaar 2026. De man heeft toegezegd diezelfde dag nog het toestemmingsformulier daarvoor te ondertekenen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de man het toestemmingsformulier inmiddels heeft ondertekend.

Kinder- en partneralimentatie

Omdat voor zowel de kinderalimentatie als de partneralimentatie grotendeels uitgegaan wordt van dezelfde gegevens, ziet de rechtbank aanleiding om beide verzoeken gelijktijdig te beoordelen.

Ingangsdatum

Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de vast te stellen alimentatieverplichting. De vrouw stelt dat de alimentatieverplichting in moet gaan per

1 mei 2025. De man stelt dat de alimentatieverplichting niet eerder in moet gaan dan de datum van de beschikking.

De rechtbank overweegt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Er liggen drie data het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

De rechtbank zal bepalen dat de verplichting ingaat per 15 september 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift voorlopige voorzieningen. De rechtbank acht dat een redelijke ingangsdatum, nu de man vanaf die datum rekening moest houden met een vast te stellen bijdrage. De rechtbank ziet in de stellingen van de vrouw geen aanleiding om de verplichting vast te stellen met ingang van een datum die nog verder in het verleden is gelegen.

Behoefte en huwelijksgerelateerde behoefte

Partijen zijn in december 2024 uit elkaar gegaan. Partijen zijn het erover eens dat van het inkomen van partijen in 2024 moet worden uitgegaan voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige] en de huwelijksgerelateerde behoefte.

NBI man

Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 2024 een basisinkomen had van

€ 57.592,00 bruto, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten. Partijen verschillen van mening over de door de man ontvangen buitenlandtoelage, de kindertoelage en de extra toelage voor wonen.

Buitenlandtoelage

Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 2024 een buitenlandtoelage ontving van € 45.600,00 netto. Partijen verschillen van mening over de vraag of (een deel van) de buitenlandtoelage moet worden meegenomen bij het vaststellen van de behoefte van [de minderjarige] en de huwelijksgerelateerde behoefte.

De man stelt dat de buitenlandtoelage geen standaard salarisverhoging is, maar een gerichte compensatie voor extra kosten en omstandigheden die horen bij een buitenlandse plaatsing. Volgens de man volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni 2012 (ECLI:NL:PHR:2012:BW4988) dat het bij de beantwoording van de vraag of (een deel van) de buitenlandtoelage van de man moet worden meegenomen bij het vaststellen van de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de (vrouw) en of het kind niet (reeds)

doorslaggevend is dat de werkgever van de man heeft beoogd om hem met die toelage een

compensatie te bieden voor de al dan niet hogere lasten in het buitenland. Uiteindelijk is

beslissend hoe de ontvangen bedragen feitelijk zijn besteed. De man stelt dat met de ontvangen buitenlandtoelage uitgaven zijn gedaan ter dekking van onder meer de extra woonkosten en extreem hoge kosten voor levensonderhoud op Aruba. Nu de buitenlandtoelage is besteed aan de extra kosten die de plaatsing op Aruba met zich meebracht is de man van mening dat deze toelage niet volledig dient te worden meegenomen bij het vaststellen van de behoefte van [de minderjarige] en de huwelijksgerelateerde behoefte. De man stelt zich op het standpunt dat gemaakte kosten van € 26.264,11 per jaar op de buitenlandtoelage van € 45.600,00 netto per jaar in mindering moeten worden gebracht, zodat een bedrag van € 19.335,89 netto resteert. Ter onderbouwing van zijn standpunt overlegt de man producties 2 en 3.

De vrouw voert hiertegen verweer en stelt dat met de volledige buitenlandtoelage rekening moet worden gehouden. De vrouw voert aan dat uit de door de man aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de toelage een compensatie biedt voor de al dan niet hogere lasten in het buitenland en dat hieruit dus volgt dat de toelage ook wordt verstrekt als de kosten niet hoger zijn. Uit het gegeven dat een buitenlandtoelage is ontvangen kan dus niet zonder meer worden geconcludeerd dat er daadwerkelijk hogere kosten zijn op Aruba dan in Nederland. Volgens de vrouw heeft de man geenszins aangetoond dat partijen

op Aruba een duurder leven hadden dan wanneer zij in Nederland waren blijven wonen. Uit

productie 2 van de man blijkt dat partijen leefden van een bedrag van € 21.840,00 per jaar, zijnde € 1.820,00 netto per maand (gas, licht, water, boodschappen).Van dat bedrag leefden zij met z'n drieën. Dat bedrag wijkt niet veel af van de bijstandsnorm voor samenwoners van

€ 1.575,00 per maand zoals dat voorheen gold en zoals in de berekening wordt betrokken voor vaststelling van iemands draagkrachtruimte. Luxe uitgaven worden overigens niet

uit die norm betaald, maar uit de restruimte van 40% van de draagkrachtruimte. Daarbij is het standpunt van de man, dat de kosten van € 26.264,11 aan levensonderhoud

inclusief verzekeringen op de buitenlandtoelage van € 45.600,00 in mindering dienen te

worden gebracht, onjuist. Enkel de extra kosten (bovenop de in Nederland

gebruikelijke kosten) strekken eventueel in mindering op de buitenlandtoelage. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man deze extra kosten echter niet heeft aangetoond en dat dus geen enkel bedrag in mindering dient te strekken op de buitenlandtoelage.

De rechtbank is van oordeel dat de buitenlandtoelage dient te worden meegenomen bij het inkomen van de man. De rechtbank is, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw, van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem genoemde kosten van € 26.264,11 per jaar extra kosten op Aruba zijn bovenop de gebruikelijke kosten als partijen in Nederland woonachtig zouden zijn. De rechtbank overweegt daartoe dat de man weliswaar een overzicht heeft gemaakt van de totale kosten voor levensonderhoud en verzekeringen, maar dit zijn naar het oordeel van de rechtbank gebruikelijke kosten die partijen in Nederland ook zouden hebben. De vrouw stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat het niet zo kan zijn dat de volledige door de man genoemde kosten van € 26.264,11 in mindering zouden moeten strekken op de buitenlandtoelage, maar enkel de extra kosten ten opzichte van de kosten in Nederland. Die extra kosten ten opzichte van een verblijf in Nederland heeft de man, zoals gezegd, echter niet aannemelijk gemaakt. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet onderbouwd dat de kosten voor levensonderhoud op Aruba hoger zijn dan de kosten in Nederland en dat er dus sprake is van “extra kosten”. De enkele verwijzing naar een krantenartikel over de inflatie op Aruba en de kosten van boodschappen is daartoe onvoldoende.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de door de man genoemde kosten niet in mindering zal brengen op de buitenlandtoelage, zodat de rechtbank rekening zal houden met een buitenlandtoelage van € 45.600,00 netto per jaar. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de partnerbijdrage van € 9.600,00 netto per maand in de buitenlandtoelage is inbegrepen, zodat de rechtbank deze toelage niet apart nog zal meenemen.

Kindertoelage

Tussen partijen is niet in geschil dat zij in 2024 een kindertoelage van € 2.508,00 per maand ontvingen, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten. De rechtbank volgt het standpunt van de man, dat de kosten van kinderopvang op dit bedrag in mindering moeten worden gebracht, niet. De rechtbank overweegt daartoe dat de enkele stelling dat er kosten tegenover de kindertoelage staan daarvoor onvoldoende is. Daarbij komt dat de kosten niet ‘gelabeld’ zijn als bijdrage in de kinderopvangkosten, maar als kindertoelage. De rechtbank acht dit vergelijkbaar met het in Nederland gewone kindgebonden budget, hetgeen in de berekening van de behoefte gewoonlijk wordt meegenomen. Waaraan de toelage is besteed, is in dat kader niet relevant. De rechtbank zal de kindertoelage daarom meenemen in de berekening als inkomen van de man onder post 119a.

Toelage wonen

Tussen partijen is niet in geschil dat de woonlast van partijen in 2024 € 2.510,00 per maand bedroeg.

De vrouw stelt dat de man een extra toelage voor wonen ontving van € 1.469,00 per maand. Het verschil tussen de werkelijke woonlasten van € 2.510,00 per maand en de redelijke woonlast (30% van het NBI) dient volgens de vrouw in mindering te worden gebracht op de extra toelage. De vrouw stelt dat het netto inkomen van de man in 2024, bestaande uit zijn basisinkomen, de kindertoelage en de buitenlandtoelage, € 89.982,00 per jaar bedroeg, zijnde € 7.498,50 netto per maand. Op basis van dat inkomen zou een redelijke woonlast € 2.250,00 per maand bedragen. Het verschil tussen de werkelijke woonlasten en de redelijke woonlasten bedraagt dus € 260,00 per maand (€ 3.120,00 per jaar). De vrouw stelt dat het bedrag aan extra toelage voor wonen dat resteert na aftrek van dit bedrag dient te worden beschouwd als een extra inkomstenbron die in de berekening van de behoefte moet worden meegenomen.

De man stelt in het verweerschrift dat de extra toelage voor wonen van € 17.628,00 (zijnde € 1.469,00 per maand) in het kader van de behoefte niet moet worden meegenomen, omdat partijen hier de volledige huurlasten van betaalden. In de door de man als productie 4a overgelegde berekening voert de man onder post 119a eerst het bedrag van € 17.628,00 op, waarna hij dit bedrag weer in mindering brengt op het klein netto inkomen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat uit de loonstrook juni 2025 (productie 6) een tegemoetkoming woninghuur blijkt van € 1.984,00 per maand, maar dat op dit bedrag vervolgens een bedrag van € 701,99 per maand wordt ingehouden onder de noemer inhouding woning Antillen/Aruba. Deze inhouding vindt plaats omdat de man nu niet meer met zijn gezin op Aruba woont. De man stelt dat het bedrag van € 701,99 per maand in mindering moet worden gebracht op de toelage voor wonen.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal in het kader van de behoefte ten aanzien van de hoogte van de toelage voor wonen uitgaan van een bedrag van

€ 1.469,00 per maand. Tijdens de mondelinge behandeling noemde de man weliswaar een bedrag van € 1.984,00 per maand, maar dat bedrag ziet op de maand juni 2025 en komt daarom pas aan de orde bij de draagkracht van de man. De rechtbank zal, anders dan de man stelt, in het kader van de behoefte het bedrag van € 701,00 per maand niet in mindering brengen op de toelage, omdat hij heeft gesteld dat deze inhouding pas vanaf 60 dagen na het uiteengaan van partijen geldt en dus niet al tijdens de relatie. De rechtbank zal dus in beginsel uitgaan van een ontvangen toelage van € 1.469,00 per maand.

De vraag is vervolgens op welke wijze in de berekening rekening moet worden gehouden met deze toelage. De man stelt dat de toelage niet bij de bepaling van de behoefte moet worden meegenomen, omdat partijen van die toelage de huurlasten betaalden. De vrouw stelt dat wel rekening moet worden gehouden met de toelage, maar zij brengt hierop een bedrag van € 260,00 per maand in mindering in verband met extra woonlasten op Aruba. De rechtbank overweegt dat in algemene zin bij het bepalen van de behoefte rekening wordt gehouden met alle inkomsten en dat vervolgens bij de berekening van de draagkracht wordt bekeken welke kosten hier tegenover staan. Gelet op de standpunten van partijen zal de rechtbank in het kader van deze procedure, conform het standpunt van de vrouw, rekening houden met een toelage voor wonen van € 1.209,00 per maand (€ 1.469,00 minus € 260,00).

De rechtbank zal verder rekening houden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

De vrouw gaat in de door haar als productie 15 overgelegde berekening uit van dezelfde uitgangspunten als hiervoor overwogen. De rechtbank zal deze berekening daarom volgen en het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op basis van de tarieven 2024-2 vaststellen op € 8.707,00 per maand.

NBI vrouw

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw geen inkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen, zodat het NBI van de vrouw € 0,00 per maand bedroeg.

Conclusie behoefte [de minderjarige]

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBG) bedroeg in 2024 aldus € 8.707,00 per maand. Nu dit het maximale tabelbedrag van € 6.000,00 per maand overstijgt, bedroeg de behoefte van [de minderjarige] in 2024 € 880,00 per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2025 € 937,00 per maand.

Conclusie huwelijksgerelateerde behoefte

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgegaan moet worden van de hofnorm. Voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte komen op het NBG de kosten van [de minderjarige] in mindering. De huwelijksgerelateerde behoefte van partijen conform de hofnorm bedroeg in 2024 aldus 60% (€ 8.707,00 minus € 880,00) = (afgerond) € 4.696,00 netto per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte in 2025 afgerond

€ 5.001,00 netto per maand.

Aanvullende behoefte en draagkracht vrouw

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de draagkracht van de vrouw op basis van de tarieven 2025-2 € 211,00 per maand bedraagt, zoals blijkt uit de door de vrouw als productie 5 overgelegde berekening. De rechtbank zal daarbij aansluiten.

Uit diezelfde berekening van de vrouw (en dus gebaseerd op dezelfde inkomensgegevens) volgt in het kader van de aanvullende behoefte een NBI van € 1.914,00 per maand, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.

Gelet op het voorgaande heeft de vrouw een aanvullende behoefte van € 2.782,00 netto per maand (€ 4.696,00 minus € 1.914,00).

Draagkracht man

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat het basisinkomen van de man ten opzichte van 2024 is gestegen en in 2025 € 61.000,00 bruto per jaar bedraagt, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten.

De rechtbank zal, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in het kader van de behoefte is overwogen, wederom rekening houden met de volledige door de man ontvangen buitenlandtoelage. De vrouw stelt dat de buitenlandtoelage (exclusief partner en kind)

€ 1.492,00 per maand bedraagt. Nu de man dit heeft erkend, zal de rechtbank daarvan uitgaan.

Toelage wonen

De man is na het vertrek van de vrouw in een goedkopere woning gaan wonen. Tussen partijen is in geschil met welk bedrag aan huur rekening moet worden gehouden. De man stelt dat de huur € 1.905,00 per maand bedraagt en overlegt daartoe als productie 5 de huurovereenkomst. De vrouw voert aan dat de kosten voor het onderhoud van het zwembad in mindering moeten worden gebracht op de huur, nu een zwembad een luxe uitgave is. De vrouw stelt dat van een huur van € 1.791,83 per maand moet worden uitgegaan.

De rechtbank zal in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure uitgaan van de daadwerkelijke huur van € 1.905,00 per maand zoals blijkt uit de door de man overgelegde huurovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat een onderzoek naar de vraag of een zwembad op Aruba moet worden gezien als een luxe uitgave zich niet leent voor onderhavige procedure en zal uitgaan van de daadwerkelijke kosten die de man op dit moment maakt.

Partijen verschillen vervolgens van mening over de hoogte van de toelage voor wonen. De man stelt dat uit de loonstrook juni 2025 blijkt dat hij een toelage ontvangt van

€ 1.984,00 per maand en dat op dit bedrag vervolgens een bedrag van € 701,99 per maand wordt ingehouden onder de noemer inhouding woning Antillen/Aruba. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat in eerste instantie een globaal bedrag aan toelage wordt uitgekeerd en dat vervolgens een verrekening plaatsvindt aan de hand van de persoonlijke situatie die op de man van toepassing is (dat zijn gezin niet meer bij hem woont) en dat de inhouding daarop ziet. De man stelt dat het bedrag van € 701,99 per maand daarom in mindering moet worden gebracht op de toelage.

De vrouw voert hiertegen verweer en stelt dat van de volledige toelage van

€ 1.984,00 per maand moet worden uitgegaan. Zij stelt dat de inhouding enkel heeft plaatsgevonden in de maanden mei en juni 2025, hetgeen vermoedelijk te maken heeft met een compensatie voor ten onrechte ontvangen woonvergoeding in de maanden dat de vrouw in Nederland verbleef en de man nog steeds een hoge woonvergoeding heeft ontvangen.

De rechtbank acht het gelet op de door de man gegeven toelichting in samenhang met de loonstroken van mei en juni 2025 aannemelijk dat er een bedrag van € 701,99 per maand in mindering wordt gebracht op de toelage voor wonen, zodat de rechtbank het standpunt van de man hierover zal volgen en rekening zal houden met een toelage van (afgerond) € 1.282,00 per maand (€ 1.984,00 minus € 701,99).

De vraag is vervolgens op welke wijze rekening moet worden gehouden met deze toelage. De vrouw houdt in de door haar als productie 17 overgelegde berekening bij de woonlasten (draagkrachtloos inkomen) rekening met de werkelijke woonlasten van de man door het verschil tussen het woonbudget en de werkelijke woonlasten van de man bij het woonbudget op te tellen. Vervolgens brengt zij de toelage voor wonen in mindering op de woonlasten van de man.

De man houdt in de door hem als productie 4a overgelegde berekening onder post 119a rekening met de toelage voor wonen, op welke toelage hij een bedrag in mindering brengt in verband met extra hoge woonlasten (een en ander zoals de vrouw in het kader van de behoefte heeft gedaan). Bij het draagkrachtloos inkomen houdt de man vervolgens rekening met de door hem berekende redelijke woonlast.

De rechtbank stelt vast dat beide partijen, zij het op een andere manier, rekening houden met de werkelijke woonlasten van de man en de door de man ontvangen toelage voor wonen. Gelet op het verschil in rekenwijze van partijen zal de rechtbank aansluiten bij de rekenwijze zoals die volgt uit het rapport alimentatienormen en de werkelijke woonlasten van de man opnemen in het draagkrachtloos inkomen. Dit betekent dat de rechtbank de volledige toelage voor wonen zal meenemen onder post 119a zonder daarop al op die plek een correctie toe te passen.

De rechtbank zal verder rekening houden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Gelet op het voorgaande becijfert de rechtbank het NBI van de man op basis van de tarieven 2025-2 op € 6.458,00 per maand. De berekening met kenmerk ‘NBI man draagkracht’ is aan deze beschikking gehecht.

Uitgaande van voornoemd NBI bedraagt de draagkracht van de man voor het betalen van kinderalimentatie op basis van de draagkrachtformule (2025) en rekening houdend met de werkelijke woonlasten:

70% x (NBI – (1.905,00 + 1.310) = (afgerond) € 2.270,00 per maand.

In het kader van het bepalen van partneralimentatie geldt dat 60% van de draagkracht beschikbaar is voor partneralimentatie. De rechtbank bepaalt de draagkracht van de man daarom op grond van de volgende formule: 60% van (NBI – (1.905 + 1.310)=

(afgerond) € 1.946,00 per maand.

Draagkrachtvergelijking kinderalimentatie

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 2.481,00 per maand (€ 211,00 + € 2.270,00). Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien, zodat de rechtbank een draagkrachtvergelijking dient te maken. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt € 2.270,00 / € 2.481,00 x € 937,00 =

(afgerond) € 857,00 per maand.

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt € 211,00 / € 2.481,00 x € 937,00 =

(afgerond) € 80,00 per maand.

Zorgkorting

De rechtbank neemt in aanmerking dat de man een deel van de kosten van de kinderen in natura betaalt in de vorm van zorgkorting waarmee bij het vaststellen van de kinderalimentatie rekening wordt gehouden. Conform het Rapport Alimentatienormen wordt de zorgkorting bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week (vakanties meegerekend) dat een kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

Tussen partijen is niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 5%, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten. Gelet op de behoefte van [de minderjarige] komt dit neer op een bedrag van (afgerond) € 47,00 per maand (5% van € 937,00).

Conclusie kinderalimentatie

Gelet op het voorgaande dient de man met ingang van 15 september 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] aan de vrouw te betalen van € 810,00 per maand

(€ 857,00 minus € 47,00).

Conclusie partneralimentatie

Op de draagkracht van de man van € 1.946,00 per maand strekt in mindering de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 857,00 per maand (zijnde de door de man te betalen kinderalimentatie vermeerderd met de zorgkorting). Met inachtneming van het voorgaande kan de man € 1.741,00 bruto per maand aan partneralimentatie betalen. De berekening met kenmerk ‘draagkracht man partneralimentatie’ is aan deze beschikking gehecht.

Nu de draagkracht van de man onvoldoende is om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien, wordt de bijdrage beperkt tot de draagkracht van de man.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van

15 september 2025 een partneralimentatie van € 1.741,00 bruto per maand dient te betalen aan de vrouw.

Indexering

De vrouw heeft verzocht de bijdragen te indexeren indien de beschikking na

31 december 2025 volgt. De man heeft daartegen bezwaar gemaakt.

De rechtbank zal de bijdragen met ingang van 1 januari 2026 indexeren. Dit volgt uit het systeem van de wet en de man heeft niet onderbouwd waarom dat in dit geval niet redelijk is.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank stelt de navolgende voorlopige voorzieningen vast:

stelt de volgende vakantieregeling vast ten aanzien van het verblijf van [de minderjarige] :

zomervakantie: in de oneven jaren heeft de vrouw de eerste drie weken en de man de laatste drie weken van de vakantie. In de even jaren heeft de man de eerste drie weken en de vrouw de laatste drie weken van de vakantie;

kerstvakantie: van tweede kerstdag tot nieuwjaarsdag 12.00 uur bij vader;

meivakantie: de oneven jaren heeft de vrouw de eerste week en in de even jaren heeft de man de eerste week;

herfstvakantie: in de even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;

voorjaarsvakantie: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;

bepaalt dat [de minderjarige] in het voorjaar 2026 (maanden mei/juni) tijdens een nader vast te stellen vakantieperiode van maximaal 18 dagen (2,5 week) bij de vrouw verblijft;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken ten aanzien van de vervangende toestemming voor een vakantie en een medische behandeling;

bepaalt het bedrag dat de man moet betalen tot verzorging en opvoeding van de minderjarige:

- [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

met ingang van 15 september 2025 op € 810,00 per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 847,26 per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 15 september 2025 moet betalen tot levensonderhoud van de vrouw op € 1.741,00 per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 1.821,09 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 16 januari 2026.

Conc: PAA

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?