ECLI:NL:RBOBR:2026:958

ECLI:NL:RBOBR:2026:958

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer 82.364035.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bewezenverklaring voor meerdere feiten met betrekking tot het in artikel 5 van de Wet op de Accijns opgenomen verbod. Verdachte is verschillende keren betrokken geweest bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten, waaronder een hoeveelheid van meer dan een miljoen stuks. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij tot op de dag van vandaag geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

vonnis

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 82.364035.24

Datum uitspraak: 12 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1. De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 oktober 2024.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van feit 1: Hij op of omstreeks 9 juli 2024 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten: (ongeveer) 96.800 stuks sigaretten en/of 19,4 kilogram waterpijptabak, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten en/of waterpijptabak, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken;

ten aanzien van feit 2: Hij op of omstreeks 11 september 2024 te Venray, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten: (ongeveer) 40.000 stuks sigaretten, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken; ten aanzien van feit 3: Hij op of omstreeks 9 november 2024 te Beesd, gemeente West Betuwe, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed (eren), te weten: (ongeveer) 2000 stuks sigaretten, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken; ten aanzien van feit 4: Hij op of omstreeks 12 november 2024 te Oss en/of Boxmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten: (ongeveer) 1.302.600 stuks sigaretten en/of 23 kilogram waterpijptabak, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten en/of waterpijptabak, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken.

2. De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

3. De bewijsbeslissing.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feiten 3 en 4 heeft de officier van justitie opgemerkt dat het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen kan worden. Verdachte heeft, aldus de officier van justitie, deze feiten alleen gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten bewijsverweren en/of juridische verweren gevoerd. Deze verweren houden - zakelijk weergegeven en onder meer - in dat:

het binnentreden op 9 juli 2024 als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De hieruit voortgekomen bewijsmiddelen dienen van het bewijs uit te worden gesloten;

verdachte voorafgaand aan zijn verhoor over de op 9 juli 2024 aangetroffen sigaretten op zijn verschoningsrecht jegens zijn zoon gewezen had moeten worden. De hieruit voortgekomen bewijsmiddelen dienen van het bewijs uit te worden gesloten;

het voorwaardelijk opzet van verdachte ontbreekt ten aanzien van het op 9 juli 2024 voorhanden hebben van de aangetroffen sigaretten;

de doorzoeking van de auto van verdachte op 11 september 2024 als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De hieruit voortgekomen bewijsmiddelen dienen van het bewijs uit te worden gesloten;

de aanhouding van verdachte op 9 november 2024 als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De hieruit voortgekomen bewijsmiddelen dienen van het bewijs uit te worden gesloten.

er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de op 12 november 2024 in Oss en Boxmeer aangetroffen onveraccijnsde sigaretten voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft de raadsvrouw van verdachte tevens vrijspraak bepleit. Naar het oordeel van de raadsvrouw is onvoldoende onderzocht dat de aangetroffen sigaretten daadwerkelijk tabak bevatten en dus tabaksproducten zoals bedoeld in de wet op de Accijns.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Voor zover de rechtbank hierna niet op de verweren van de verdediging zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.

De rechtbank zal, ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis, eerst de relevante feiten en omstandigheden omtrent de aangetroffen sigaretten vaststellen. Hierbij zal zij tevens ingaan op de door de verdediging aangevoerde vormverzuimen. Daarna zal zij ingaan op de vraag of verdachte deze sigaretten (als bedoeld in de wet op de Accijns, zie ECLI:NL:RBOBR:2025:3234) voorhanden heeft gehad en/of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van die sigaretten.

Vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden.

De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende af.

9 juli 2024.

Verbalisanten van de politie en medewerkers van de Douane zijn op 9 juli 2024, met toestemming van de op dat moment aanwezige bewoner ( [naam] ), de woning van verdachte aan de [adres] te Oss binnengetreden. In de woning troffen zij op zolder en in de kelder grote hoeveelheden sigaretten en waterpijptabak aan. Uit onderzoek is gebleken dat dit onveraccijnsde sigaretten en onveraccijnsde hoeveelheden aan waterpijptabak waren. De verpakkingen van de goederen waren namelijk niet voorzien van bijbehorende accijnszegels.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat het binnentreden onrechtmatig is geweest. Immers werd met toestemming van de aanwezige bewoner binnengetreden. De rechtbank verwerpt daarnaast ook het verweer dat de verhoorders van verdachte hem hadden moeten wijzen op zijn verschoningsrecht. De tabaksproducten werden in de woning van verdachte aangetroffen en verdachte werd daarover bevraagd. De betrokkenheid van zijn zoon werd pas duidelijk door zijn eigen spontaan gegeven verklaring, hetgeen als bewijs gebezigd mag worden

11 september 2024.

Omstreeks 23:15 uur controleerden politieagenten een auto waar verdachte als bijrijder in zat. De zoon van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , bestuurde de auto. De controle vond plaats omdat de desbetreffende auto niet verzekerd was. Tijdens deze controle zagen verbalisanten meerdere sloffen sigaretten achter de bijrijdersstoel liggen. Zij zagen dat er geen accijnszegels op de verpakkingen te zien waren. Gelet hierop hebben zij de hulp ingeschakeld van medewerkers van de Douane. Uiteindelijk bleken er in de auto 40.000 onveraccijnsde sigaretten te liggen.

Gelet op deze vastgestelde feiten en omstandigheden verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat het onderzoek op 11 september 2024 onrechtmatig is geweest. Er was een legitieme reden voor een controle, namelijk de omstandigheid dat de auto onverzekerd bleek te zijn. Ook voor het vervolgonderzoek bestond een duidelijk en redelijk vermoeden van schuld nu de verbalisanten verpakkingen van sigaretten zagen liggen die niet voorzien waren van een accijnszegel.

9 november 2024.

Verdachte werd staande gehouden door de politie op de A2 ter hoogte van Beesd. Zijn voertuig kwam in beeld bij de politie door een ANPR-hit. Gelet op de omstandigheid dat hij slechts een kortstondig verblijf in de omgeving van Amsterdam had gehad is een verkeerscontrole ingesteld. Op dat moment werden er 2.000 onveraccijnsde sigaretten aangetroffen in zijn auto.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de toestemming van de officier van justitie om het kentekenplaatnummer van de auto van verdachte in de ANPR-database te zetten aan het dossier toegevoegd moet zijn. De stelling van de raadsvrouw gaat uit van een eis die het strafprocesrecht niet kent. De door de politie verrichte verkeerscontrole en het aantreffen van de sigaretten hebben dan ook beiden rechtmatig plaatsgevonden, althans is het de rechtbank niet gebleken dat dit anders is.

12 november 2024.

Op 12 november 2024 zijn in drie voertuigen diverse grote hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak aangetroffen. Twee van deze voertuigen, een Volkswagen Caddy ( [kenteken 1] ) en een Renault Traffic ( [kenteken 2] ) stonden geparkeerd in de buurt van de woning van verdachte aan de [adres] in Oss. De kentekens stonden op naam van [bedrijf] te Boxmeer. Hierop is een controle uitgevoerd bij deze autogarage en is in die garage het derde voertuig, een Fiat Ducato, aangetroffen. De eigenaar van [bedrijf] getuige [getuige] , verklaarde dat hij alle drie de voertuigen had verhuurd aan verdachte. Daartoe overlegde hij ook van alle auto’s een huurovereenkomst vergezeld van een kopie van het rijbewijs van verdachte en een kopie van zijn verblijfsdocumentatie. De verbalisanten hebben onderzoek gedaan naar de pakjes sigaretten die in de drie voertuigen zijn aangetroffen. De verbalisanten hebben geconstateerd dat al die pakjes exact de zelfde code hadden daar waar dit bij veraccijnsde pakjes sigaretten unieke codes moeten zijn. Deze code, die dus identiek bleek te zijn op alle pakjes sigaretten die werden aangetroffen in de drie voertuigen, stond ook op de pakjes sigaretten die op 9 november 2024 bij verdachte zijn aangetroffen.

Het juridische toetsingskader.

Bij de beoordeling van het tenlastegelegde neemt de rechtbank onderstaand beslisschema met twee van elkaar te onderscheiden stappen als uitgangspunt (ECLI:NL:GHSHE:2024:2140).

Stap 1: ‘voorhanden hebben ’ volgens Unierecht.

Allereerst dient te worden vastgesteld of sprake is van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns. Daarbij geldt dat bij ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns reeds is voldaan als de verdachte bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde accijnsgoederen betrokken is en is:

het niet relevant als verdachte niet de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft, en

het al dan niet aanwezig zijn van wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland of elders in de Unie in de heffing zijn betrokken, bij de beoordeling of sprake is van ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Wet op de accijns niet relevant.

Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of verdachte dat voorhanden hebben opzettelijk heeft gedaan, in de zin dat verdachte willens en wetens onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens heeft te gelden. Daarbij geldt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid het opzet ook kan worden gebaseerd op feiten waaruit volgt dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben, zonder dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft en zonder dat hij/zij de vorenbedoelde wetenschap heeft.

De beoordeling van het toetsingskader.

Stap 1:

De rechtbank leidt uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden af dat verdachte telkens betrokken is geweest bij het (mede) voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak. De sigaretten zijn steeds aangetroffen in de woning van verdachte of in auto’s die aan verdachte te relateren zijn. Bovendien zijn de op 9 november 2024 bij verdachte aangetroffen sigaretten en de op 12 november 2024 in de drie auto’s aangetroffen sigaretten allen voorzien van precies dezelfde code, hetgeen nogmaals bevestigt dat verdachte ook betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de op 12 november 2024 aangetroffen sigaretten.

Stap 2:

Naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte, zoals hierboven reeds zijn uiteengezet, heeft verdachte zich steeds doelbewust ingelaten met het voorhanden hebben van grote hoeveelheden sigaretten. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij zijn sigaretten voor eigen gebruik bij handelaars in de buurt van een asielzoekerscentrum kocht. De op 11 september 2024 aangetroffen 40.000 sigaretten zouden verdachte slechts € 1.800,00 hebben gekost. Ten aanzien van de op 9 november 2024 aangetroffen hoeveelheid van 2000 sigaretten heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij deze slechts voor 160 euro zou hebben gekocht. En dat terwijl sigaretten die worden verkocht in erkende winkels in Nederland een veelvoud kosten. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij wist dat hij telkens veel te goedkope sigaretten kocht, afgezet tegen de prijzen die in erkende winkels in Nederland worden gerekend.

Uit het dossier blijkt bovendien dat er veel indicaties waren dat er, al voorafgaand aan de eerste inval op 9 juli 2024, vanuit de woning van en door verdachte gehandeld werd in illegale sigaretten. Zo heeft verdachte al vóór 9 juli 2024 een toegangsverbod gekregen voor het asielzoekerscentrum in Grave vanwege een ruzie over handel in “illegale” sigaretten. Dit sluit ook naadloos aan bij de telkens aangetroffen hoeveelheden. Duidelijk is dan ook dat verdachte zich van meet af aan en meerdere keren bezig heeft gehouden met het verhandelen van onveraccijnsde sigaretten. Het is niet geloofwaardig dat deze goederen afkomstig waren van een vriend van medeverdachte [medeverdachte] , er zijn ook geen feiten of omstandigheden aangedragen die dit enigszins onderbouwen. Ook is het ongeloofwaardig dat de goederen bedoeld zouden zijn geweest voor eigen gebruik en/of voor het uitdelen aan familieleden, dit alleen al vanwege de zeer grote hoeveelheden sigaretten waar het om gaat.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte redelijkerwijs steeds geweten heeft dat hij voor een veel te goedkope prijs sigaretten kocht en deze daarna met een winstoogmerk zelf heeft willen verkopen. Logischerwijs heeft hij zich dan ook steeds gerealiseerd dat de door hem gekochte sigaretten niet veraccijnsd waren. Dit betekent dat verdachte steeds opzet heeft gehad op zijn betrokkenheid bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak.

Medeplegen.

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 zonder meer sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] . Deze nauwe en bewuste samenwerking bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte ten aanzien van feit 3 en feit 4 met een ander nauw en bewust heeft samengewerkt. Dit betekent dat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

Het onderzoek naar de sigaretten.

Door de raadsvrouw is bepleit dat ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 onvoldoende wettig en overtuigend is vast komen te staan dat de aangetroffen goederen daadwerkelijk accijnsgoederen zijn in de zin van de Wet op de Accijns.

De rechtbank heeft geen reden om aan de bevindingen van de verbalisanten te twijfelen en komt op grond van die bevindingen tot het oordeel dat de in de tenlastelegging vermelde hoeveelheden sigaretten en waterpijptabak tabaksproducten zijn in de zin van de Wet op de Accijns. De rechtbank wordt gesterkt in dat oordeel, omdat tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven omstandigheden door de verdediging zelf ook niet is gesteld dat de aangetroffen goederen iets anders (kunnen) betreffen dan waterpijptabak en om die reden niet als “rooktabak” kunnen worden aangemerkt.

Omdat de aangetroffen goederen zijn aan te merken als rooktabak, hadden deze in de accijns moeten worden betrokken. Dat is niet gebeurd, gelet op het feit dat de verpakkingen niet waren voorzien van accijnszegels.

Ambtshalve merkt de rechtbank op dat op een deel van de op 12 november 2024 inbeslaggenomen sigaretten een Poolse accijnszegel is aangetroffen. Niet uitgesloten kan worden dat deze sigaretten wel degelijk veraccijnsd zijn. De rechtbank zal de sigaretten met een Poolse accijnszegel daarom in het voordeel van verdachte niet meenemen in haar bewezenverklaring.

Slotconclusie.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierna zal worden omschreven.

4. De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1: op 9 juli 2024 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk accijnsgoederen, te weten: 96.800 stuks sigaretten en 19,4 kilogram waterpijptabak, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;

ten aanzien van feit 2: op 11 september 2024 te Venray, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk accijnsgoederen, te weten: 40.000 stuks sigaretten, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;

ten aanzien van feit 3: op 9 november 2024 te Beesd, opzettelijk accijnsgoederen, te weten: 2000 stuks sigaretten, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;

ten aanzien van feit 4: op 12 november 2024 te Oss en Boxmeer, opzettelijk accijnsgoederen, te weten: 1.244.820 stuks sigaretten en 23 kilogram waterpijptabak, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

7. De oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de ter terechtzitting geschetste zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid sigaretten en waterpijptabak die niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing is betrokken. Feiten als de onderhavige hebben als resultaat dat voor zeer grote bedragen aan accijns wordt ontdoken, waardoor de staatskas wordt benadeeld, en dat bonafide bedrijven, die wel aan de accijnsverplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie wordt aangedaan. Tevens wordt het Europese beleid om door middel van hoge prijzen het gebruik van sigaretten en andere vormen van rooktabak te ontmoedigen teneinde de schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te beperken, gefrustreerd.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor fraude. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In deze concrete zaak geldt dat de sigaretten en het waterpijptabak die verdachte in totaal voorhanden heeft gehad, ruim € 550.000,-- aan (niet betaalde) accijns vertegenwoordigden. Het oriëntatiepunt bij een dergelijk benadelingsbedrag is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden.

Kijkend naar de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat hij tot op de dag van vandaag op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Nu verdachte in een tijdbestek van een half jaar vier maal is betrapt bij het voorhanden hebben van soms grote hoeveelheden onveraccijnsde sigaretten, kan onbegrip over de Nederlandse accijnswetgeving of de beperkte kennis van de Nederlandse taal geen argument meer zijn. Een dergelijke houding is volstrekt ongeloofwaardig en bovendien ondermijnend. Verdachte heeft alleen in deze zaak al vier keer te maken gehad met ingrijpen vanuit de politie en de douane.

Dat verdachte een hardleerse houding heeft blijkt ook uit het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie. Op 26 februari 2025 is verdachte onherroepelijk veroordeeld voor een nieuw soortgelijk vergrijp met betrekking tot een grote hoeveelheid aan onveraccijnsde sigaretten en andere vormen van rooktabak.

Op geen enkele wijze zou het dan ook te begrijpen zijn dat hij tot op de dag van vandaag nog steeds niet goed begrijpt dat een veraccijnsd pakje sigaretten duurder moet zijn dan de paar euro die hij er telkens voor betaald heeft. De rechtbank neemt het verdachte dan ook kwalijk dat hij nog steeds geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en dat hij, door middel van deze proceshouding, zijn zoon en medeverdachte [medeverdachte] behalve een slecht voorbeeld te hebben gegeven ook heeft meegesleept in deze problemen met Justitie. De onverbiddelijkheid van verdachte in combinatie met zijn proceshouding rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding, ter beveiliging van de maatschappij en gezien al het hiervoor genoemde een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. Daarnaast is het passend dat aan verdachte een forse waarschuwing wordt meegegeven zodat hij zich niet opnieuw inlaat met soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan zoals door de officier van justitie is geëist. Dit betekent dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

8. De beslagbeslissing.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en waarvan het ongecontroleerde bezit naar hun aard in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9. De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57, 63 Wetboek van Strafrecht

5, 97 Wet op de accijns.

10. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten alle op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met strafrechtelijk beslagtitel van 29 januari 2026.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,

mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. F.H.E. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,

en is uitgesproken op 12 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.J.H. van de Kant
  • mr. A.H.J.J. van de Wetering
  • mr. F.H.E. Boerma

Griffier

  • mr. S.B.J. de Leeuw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?