RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.158699.25
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
1. De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 oktober 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van feit 1: Hij op of omstreeks 9 juli 2024 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten: (ongeveer) 96.800 stuks sigaretten en/of 19,4 kilogram waterpijptabak, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten en/of waterpijptabak, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken; ten aanzien van feit 2: Hij op of omstreeks 11 september 2024 te Venray, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten: (ongeveer) 40.000 stuks sigaretten, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken;
2. De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
3. De bewijsbeslissing.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van feiten 3 en 4 heeft de officier van justitie opgemerkt dat het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen kan worden. Verdachte heeft, aldus de officier van justitie, deze feiten alleen gepleegd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten bewijsverweren en/of juridische verweren gevoerd. Deze verweren houden - zakelijk weergegeven en onder meer - in dat:
het binnentreden op 9 juli 2024 als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De hieruit voortgekomen bewijsmiddelen dienen van het bewijs uit te worden gesloten;
het voorwaardelijk opzet van verdachte ontbreekt ten aanzien van het op 9 juli 2024 voorhanden hebben van de aangetroffen sigaretten;
de doorzoeking van de auto van verdachte op 11 september 2024 als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De hieruit voortgekomen bewijsmiddelen dienen van het bewijs uit te worden gesloten;
onvoldoende is onderzocht dat de aangetroffen sigaretten daadwerkelijk tabak bevatten en dus tabaksproducten zijn zoals bedoeld in de wet op de Accijns.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Voor zover de rechtbank hierna niet op de verweren van de verdediging zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
De rechtbank zal, ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis, eerst de relevante feiten en omstandigheden omtrent de aangetroffen sigaretten vaststellen. Hierbij zal zij tevens ingaan op de door de verdediging aangevoerde vormverzuimen. Daarna zal zij ingaan op de vraag of verdachte deze sigaretten (als bedoeld in de wet op de Accijns, zie ECLI:NL:RBOBR:2025:3234) voorhanden heeft gehad en/of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van die sigaretten.
Vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden.
De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende af.
9 juli 2024.
Verbalisanten van de politie en medewerkers van de Douane zijn op 9 juli 2024, met toestemming van de op dat moment aanwezige bewoner ( [betrokkene] ), de woning van verdachte aan de [adres] te Oss binnengetreden. In de woning troffen zij op zolder en in de kelder grote hoeveelheden sigaretten en waterpijptabak aan. Uit onderzoek is gebleken dat dit onveraccijnsde sigaretten en onveraccijnsde hoeveelheden aan waterpijptabak waren. De verpakkingen van de goederen waren namelijk niet voorzien van bijbehorende accijnszegels.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat het binnentreden onrechtmatig is geweest. Immers werd met toestemming van de aanwezige bewoner binnengetreden. De rechtbank verwerpt daarnaast ook het verweer dat de verhoorders van medeverdachte [medeverdachte] hem hadden moeten wijzen op zijn verschoningsrecht. De tabaksproducten werden in zijn woning aangetroffen en hij werd daarover bevraagd. De betrokkenheid van zijn zoon werd pas duidelijk door zijn eigen spontaan gegeven verklaring, hetgeen als bewijs gebezigd mag worden.
11 september 2024.
Omstreeks 23:15 uur controleerden politieagenten een auto waar verdachte in zat. Verdachte bestuurde de auto en medeverdachte [verdachte] zat op de bijrijdersstoel. De controle vond plaats omdat de desbetreffende auto niet verzekerd was. Tijdens deze controle zagen verbalisanten meerdere sloffen sigaretten achter de bijrijdersstoel liggen. Zij zagen dat er geen accijnszegels op de verpakkingen te zien waren. Gelet hierop hebben zij de hulp ingeschakeld van medewerkers van de Douane. Uiteindelijk bleken er in de auto 40.000 onveraccijnsde sigaretten te liggen.
Gelet op deze vastgestelde feiten en omstandigheden verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat het onderzoek op 11 september 2024 onrechtmatig is geweest. Er was een legitieme reden voor een controle, namelijk de omstandigheid dat de auto onverzekerd bleek te zijn. Ook voor het vervolgonderzoek bestond een duidelijk en redelijk vermoeden van schuld nu de verbalisanten verpakkingen van sigaretten zagen liggen die niet voorzien waren van een accijnszegel.
Het juridische toetsingskader.
Bij de beoordeling van het tenlastegelegde neemt de rechtbank onderstaand beslisschema met twee van elkaar te onderscheiden stappen als uitgangspunt (ECLI:NL:GHSHE:2024:2140).
Stap 1: ‘voorhanden hebben ’ volgens Unierecht.
Allereerst dient te worden vastgesteld of sprake is van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns. Daarbij geldt dat bij ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in de Wet op de accijns reeds is voldaan als de verdachte bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde accijnsgoederen betrokken is en is:
het niet relevant als verdachte niet de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft, en
het al dan niet aanwezig zijn van wetenschap van de hoedanigheid van de goederen en de wetenschap van de omstandigheid dat de goederen niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland of elders in de Unie in de heffing zijn betrokken, bij de beoordeling of sprake is van ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Wet op de accijns niet relevant.
Stap 2: voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is (voorwaardelijk) opzet vereist.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of verdachte dat voorhanden hebben opzettelijk heeft gedaan, in de zin dat verdachte willens en wetens onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad, waarbij voorwaardelijk opzet als ondergrens heeft te gelden. Daarbij geldt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid het opzet ook kan worden gebaseerd op feiten waaruit volgt dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben, zonder dat die persoon de feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde accijnsgoederen heeft en zonder dat hij/zij de vorenbedoelde wetenschap heeft.
De beoordeling van het toetsingskader.
Stap 1:
De rechtbank leidt uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden af dat verdachte telkens betrokken is geweest bij het (mede) voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak. De tabaksproducten zijn aangetroffen in de woning waar verdachte woont en/of in de auto waar hij op dat moment in reed.
Stap 2:
Naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte, zoals hierboven reeds zijn uiteengezet, heeft verdachte zich steeds doelbewust ingelaten met het voorhanden hebben van grote hoeveelheden sigaretten. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij sigaretten voor eigen gebruik bij handelaars in de buurt van een asielzoekerscentrum kocht en dat de prijzen van sigaretten in de winkels voor hem te hoog zijn.
Uit het dossier blijkt bovendien dat er veel indicaties waren dat er, al voorafgaand aan de eerste inval op 9 juli 2024, vanuit de woning waar verdachte woonde gehandeld werd in illegale sigaretten. Zo blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] al vóór 9 juli 2024 een toegangsverbod had gekregen voor het asielzoekerscentrum in Grave vanwege een ruzie over handel in “illegale” sigaretten. Dit sluit ook naadloos aan bij de telkens aangetroffen hoeveelheden. Duidelijk is dan ook dat medeverdachte [medeverdachte] zich van meet af aan bezig heeft gehouden met het verhandelen van onveraccijnsde sigaretten. Verdachte heeft hem daarin ook ondersteund door 40.000 onveraccijnsde sigaretten met hem te vervoeren op 11 september 2024. Het is ongeloofwaardig dat de op 9 juli 2024 gevonden goederen afkomstig waren van een vriend van verdachte, er zijn ook geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit dit enigszins zou kunnen blijken. Ook is het gelet op de aangetroffen hoeveelheden ongeloofwaardig dat de op 11 september 2024 aangetroffen goederen bedoeld zouden zijn geweest voor eigen gebruik en/of voor het uitdelen aan familieleden.
De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte redelijkerwijs steeds geweten heeft dat hij voor een veel te goedkope prijs sigaretten kocht en deze daarna, samen met medeverdachte [medeverdachte] , met een winstoogmerk zelf heeft willen verkopen. Logischerwijs heeft hij zich dan ook steeds gerealiseerd dat de door hem gekochte sigaretten niet veraccijnsd waren. Dit betekent dat verdachte steeds opzet heeft gehad op zijn betrokkenheid bij het voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak.
Medeplegen.
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 zonder meer sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] . Deze nauwe en bewuste samenwerking bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Het onderzoek naar de sigaretten.
Door de raadsvrouw is bepleit dat onvoldoende wettig en overtuigend is vast komen te staan dat de aangetroffen goederen daadwerkelijk accijnsgoederen zijn in de zin van de Wet op de Accijns.
De rechtbank heeft geen reden om aan de bevindingen van de verbalisanten te twijfelen en komt op grond van die bevindingen tot het oordeel dat de in de tenlastelegging vermelde hoeveelheden sigaretten en waterpijptabak tabaksproducten zijn in de zin van de Wet op de Accijns. De rechtbank wordt gesterkt in dat oordeel, omdat tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven omstandigheden door de verdediging zelf ook niet is gesteld dat de aangetroffen goederen iets anders (kunnen) betreffen dan waterpijptabak en om die reden niet als “rooktabak” kunnen worden aangemerkt.
Omdat de aangetroffen goederen zijn aan te merken als rooktabak, hadden deze in de accijns moeten worden betrokken. Dat is niet gebeurd, gelet op het feit dat de verpakkingen niet waren voorzien van accijnszegels.
Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierna zal worden omschreven.
4. De bewezenverklaring.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
op 9 juli 2024 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk accijnsgoederen, te weten 96.800 stuks sigaretten en 19,4 kilogram waterpijptabak, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken; ten aanzien van feit 2: Op 11 september 2024 te Venray, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk accijnsgoederen, te weten: 40.000 stuks sigaretten, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
7. De oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de ter terechtzitting geschetste zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid sigaretten en waterpijptabak die niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing is betrokken. Feiten als het onderhavige hebben als resultaat dat voor zeer grote bedragen aan accijns wordt ontdoken, waardoor de staatskas wordt benadeeld, en dat bonafide bedrijven, die wel aan de accijnsverplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie wordt aangedaan. Tevens wordt het Europese beleid om door middel van hoge prijzen het gebruik van sigaretten en andere vormen van rooktabak te ontmoedigen teneinde de schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te beperken, gefrustreerd.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor fraude. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In deze concrete zaak geldt dat de sigaretten en het waterpijptabak die verdachte in totaal voorhanden heeft gehad, ruim € 68.000,-- aan (niet betaalde) accijns vertegenwoordigden. Het oriëntatiepunt bij een dergelijk benadelingsbedrag is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee tot vijf maanden.
De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten.
Kijkend naar de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat hij tot op de dag van vandaag te weinig verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte verschuilt zich achter de verklaring dat hij de Nederlandse taal en de Nederlandse accijnswetgeving niet goed zou begrijpen. Een dergelijke houding is volstrekt ongeloofwaardig en bovendien ondermijnend. Verdachte heeft in deze zaak twee keer te maken gehad met ingrijpen vanuit de politie en de Douane, na de eerste keer had het hem duidelijk moeten zijn dat hij zich bezig hield met illegale activiteiten.
De rechtbank zal deze proceshouding, anders dan in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] , niet strafverzwarend meewegen. De rechtbank komt tot dit oordeel nu verdachte een zeer jonge man betreft die, naar het oordeel van de rechtbank, in aanraking met politie en justitie is gekomen en deze proceshouding heeft aangenomen omdat hij steeds is meegegaan in het gedrag van zijn vader en medeverdachte [medeverdachte] . Het is de hoop dat verdachte na deze zaak in de toekomst hierin andere keuzes maakt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, alhoewel de hiervoor beschreven oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voorschrijven, een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een taakstraf van beperktere duur gelet op hetgeen hiervoor is beschreven afdoende.
8. De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 Wetboek van Strafrecht
5, 97 Wet op de accijns.
9. DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:
Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
Een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. F.H.E. Boerma, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 12 februari 2026.