ECLI:NL:RBOBR:2026:991

ECLI:NL:RBOBR:2026:991

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer 01/082991-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 81-jarige man tot een gevangenisstraf van 12 jaren voor doodslag op zijn vrouw. Hij heeft haar verschillende keren gestoken. Dat verdachte tijdens het delict slaapwandelde acht de rechtbank uitgesloten. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat het medicijngebruik van verdachte invloed had op zijn handelen. Verdachte wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.082991.24

Datum uitspraak: 17 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1945] ,

inschrijvingsadres: 5361ME Grave, Muntlaan 1,

thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juni 2024, 15 augustus 2024, 11 november 2024, 5 februari 2025, 17 april 2025, 14 juli 2025, 2 oktober 2025, 3 december 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026 en 3 februari 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 mei 2024.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Eindhoven, althans in Nederland,

[slachtoffer]

opzettelijk en al dan niet

met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd, door:

- meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer] in haar hart en/of hartstreek en/of romp en/of gezicht en/of hoofd, althans in haar lichaam te steken en/of snijden;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Op 10 maart 2024 even voor 21.30 uur ontving de 112-meldkamer een melding van verdachte dat hij zijn vrouw had gedood. Toen de politie bij diens woning in Eindhoven aankwam lag het reeds overleden 75-jarige slachtoffer op een bank in de woonkamer met, naar later is vastgesteld, 8 steekletsels en 18 snijletsels. Verdachte was in de woning aanwezig en werd aangehouden.

Kortgezegd wordt verdachte verweten dat hij zijn vrouw, [slachtoffer] , heeft gedood door haar meerdere keren te steken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag. Volgens de officier van justitie heeft verdachte het feit volledig bij bewustzijn gepleegd. De scenario’s dat ten tijde van het feit sprake was van slaapwandelen dan wel van een impulsdoorbraak als gevolg van (een combinatie van) medicatie zijn niet aannemelijk geworden. De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde moord, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld vanuit een vooropgezet plan, en er dus geen sprake is van voorbedachte raad.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht verdachte vrij te spreken van zowel de tenlastegelegde moord als de doodslag. Niet kan worden uitgesloten dat verdachte ten tijde van het delict aan het slaapwandelen was. Bij slaapwandelen is geen sprake van intentioneel, opzettelijk handelen. Daarom kan de opzet op de dood van zijn vrouw niet wettig en overtuigend worden bewezen. Hetgeen verdachte ten tijde van het 112-gesprek heeft gezegd kan ook zijn voortgekomen uit zijn gevolgtrekkingen naar aanleiding van zijn waarneming van de situatie die hij aantrof toen hij wakker werd. Het 112-gesprek sluit amnesie (geheugenverlies) als gevolg van slaapwandelen dus niet uit.

In ieder geval moet verdachte worden vrijgesproken van de voorbedachte raad, omdat daar geen aanwijzingen voor zijn.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen.

Verdachte heeft op 10 maart 2024 rond 21.30 uur de meldkamer gebeld. Hij heeft toen het volgende gezegd: “Ik heb mijn vrouw gedood (…) Ik heb mijn vrouw gedood”. Op de vraag van de medewerkster van de meldkamer om te zeggen wat er precies gebeurd is, antwoordde hij : “Ik heb mijn vrouw net gedood. Zij is gaan dementeren en ik kon niet meer, ik kon niet meer. Zij is dement, zij was dement”. Op de vraag van de medewerkster of ze wakker is, antwoordde hij: “Nee ze is al dood, ik heb haar gestoken (…) Verschillende keren gestoken”.

Toen de ambulancemedewerkers ter plaatse kwamen, troffen zij verdachte aan op de trap in de gang van de woning. Hij had bloed op zijn handen, kin en kleding. Vervolgens werd het slachtoffer dood op de bank aangetroffen met een mes in haar lichaam, ter hoogte van haar hart. Verdachte werd daarop aangehouden, waarbij hij ongevraagd zei: “ik heb het gewoon gedaan”. Uit het pathologisch onderzoek bleek dat het slachtoffer was overleden als gevolg van acht steekletsels in haar romp. Ook werden er verschillende snijletsels op beide handen geconstateerd, die qua locatie en aspect goed passen bij afweerletsel.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, die naast het slachtoffer als enige in de woning aanwezig was, degene is geweest die zijn vrouw om het leven heeft gebracht door haar verschillende keren met een mes te steken.

De vraag die zich vervolgens aandient is of verdachte ook opzet heeft gehad op de dood van zijn vrouw. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Slaapwandelen.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte op het moment van het delict aan het slaapwandelen was, waardoor de opzet van verdachte op de dood van zijn vrouw niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Deskundigen E. Strijks (neuroloog) en prof. dr. R.J. Verkes (psychiater) zijn gehoord tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting en hebben aangegeven dat wanneer er sprake is van slaapwandelen het motief van de daad te allen tijde ontbreekt. Daarnaast hebben Strijks en de eveneens ter zitting gehoorde deskundige F.A. Jonkers (klinisch neuropsycholoog) verklaard dat tijdens slaapwandelen geen inprenting van gebeurtenissen plaatsvindt en dat er dus geen sprake kan zijn van herinneringen aan handelingen die zijn verricht tijdens het slaapwandelen. Kort samengevat sluiten volgens de deskundigen zowel de aanwezigheid van een motief als een herinnering aan het plegen van het delict, het scenario van slaapwandelen uit. Deze conclusie neemt de rechtbank over en maakt die tot de hare.

De mededeling van verdachte aan de meldkamer dat hij zijn vrouw net gedood had en dat hij haar verschillende keren had gestoken, kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan dat hij die uit eigen herinnering gedaan heeft. De mededeling van verdachte in het 112-gesprek dat zij (zijn echtgenote) is gaan dementeren en hij niet meer kon, vat de rechtbank op als een zekere uitleg waarom hij tot het doden van het slachtoffer is overgegaan. Die uitleg beschouwt de rechtbank als een motief dan wel een intentie bij verdachte voor het doden van zijn vrouw.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de informatie die verdachte in het 112-gesprek gaf evengoed zou kunnen betekenen dat dit een gevolgtrekking was van verdachte naar aanleiding van de situatie die hij heeft geconstateerd toen hij wakker werd. Dat zou dan wel passen in het scenario van slaapwandelen, omdat verdachte dan geen herinnering heeft aan het plegen van het delict.

De rechtbank overweegt hierover dat de inhoud van het 112-gesprek, waarin verdachte stellige uitspraken doet over wat hij heeft gedaan en waarom, niet duidt op een waarneming en een daarop gevolgde conclusie van verdachte met betrekking tot de aangetroffen situatie, maar op een verklaring uit eigen herinnering aan zijn handelingen. In de 112-melding heeft verdachte immers meerdere malen en zonder enig voorbehoud gezegd dat hij zijn vrouw heeft gedood en daarbij ook een uitleg heeft gegeven waarom hij daartoe is overgegaan.

Daarnaast is van belang dat verdachte de dag na zijn aanhouding bij de politie heeft verklaard dat hij die bewuste avond wakker was geworden terwijl hij voor zijn vrouw stond, dat zij er bleek uitzag en achterovergeleund op de bank lag met een mes in haar borst óf buik en dat hij toen naar de gang is gelopen. Daar heeft hij eerst de voordeur open gedaan om frisse lucht binnen te halen. Pas daarna zag hij bloed en zag hij dat hij een telefoon vasthad. Toen heeft hij de meldkamer gebeld, aldus verdachte. Deze eigen verklaring van verdachte duidt er niet op dat verdachte, naast het mes in het lichaam van zijn vrouw, ook nog andere steekwonden heeft waargenomen en daar de door de raadsvrouw bedoelde conclusie (namelijk “Ik heb haar verschillende keren gestoken”) aan heeft verbonden. Zijn verklaring dat hij pas voor het eerst in de gang bloed zag is daarmee immers onverenigbaar. Het gesprek met de meldkamer, waarin verdachte zegt zijn vrouw verschillende keren te hebben gestoken, geeft dus geen blijk van een eigen interpretatie achteraf, maar van een herinnering aan het delict. De uitlating van verdachte dat hij niet meer kon duidt op een motief daarvoor.

Aangezien er tijdens slaapwandelen geen sprake kan zijn van een herinnering aan het delict en ook niet van een motief daarvoor, sluit de rechtbank het scenario dat verdachte zijn vrouw gedood heeft tijdens het slaapwandelen uit.

Al hetgeen de raadsvrouw verder nog heeft aangevoerd over de indicatoren die de kans op slaapwandelen bij verdachte zouden vergroten, brengt daar geen verandering in. Dit neemt namelijk niet weg dat de herinnering aan en het motief van verdachte voor het delict het scenario van slaapwandelen uitsluiten. Met andere woorden: ook al zou bij verdachte in zijn algemeenheid een vergrote kans op slaapwandelen bestaan, dan is daar ten tijde van het delict in ieder geval geen sprake van geweest. De rechtbank ziet daarom ook geen noodzaak om een aanvullend slaaponderzoek door middel van een polysomnogram (PSG) te laten plaatsvinden, zoals de raadsvrouw voorwaardelijk heeft verzocht.

Medicijngebruik.

De rechtbank is verder nagegaan of de bevindingen van deskundige prof. dr. J.G. Ramaekers over de invloed van een verhoogde dosis van de medicijnen citalopram en oxazepam een rol kunnen hebben gespeeld bij de totstandkoming van het delict. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit niet het geval is. Allereerst duiden de waardes in het bloed van verdachte, dat vlak na het ten laste gelegde is afgenomen, niet op een inname die hoger is dan de voorgeschreven hoeveelheid. Ramaekers heeft daarbij in zijn rapportage gesteld dat bij medicatiegebruik volgens voorschrift de invloed van oxazepam en/of citalopram op de gedragskeuzes van verdachte kleiner lijkt.

De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte al veertig jaar citalopram gebruikte en er al die tijd geen enkele toename in agressie is gemeld. Van oxazepam is daarnaast slechts een zeer lage concentratie in het bloed is aangetroffen. Ook de overgang van incidenteel naar structureel gebruik van oxazepam acht de rechtbank geen factor die kan hebben bijgedragen aan het ten laste gelegde. Verdachte gebruikte namelijk al bijna anderhalve maand structureel oxazepam. Ramaekers heeft tijdens de zitting aangegeven dat eventuele bijwerkingen (zoals bijvoorbeeld agressie) naar verwachting dan eerder na de overstap op structureel gebruik op hadden moeten treden bij verdachte. De rechtbank vindt het daarom niet aannemelijk dat het medicijngebruik van verdachte van invloed is geweest op zijn handelen.

Samenvattend sluit de rechtbank uit dat verdachte het delict tijdens het slaapwandelen heeft gepleegd en acht het verder niet aannemelijk dat hij het delict onder invloed van medicijnen heeft begaan. Daarnaast is bij het slachtoffer zeer ernstig (afweer)letsel geconstateerd. Dit alles leidt tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van zijn vrouw. De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vrouw opzettelijk om het leven heeft gebracht.

Moord of doodslag?

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad heeft gedood en of er dus sprake is van moord. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank overweegt dat het grote aantal steek- en snijverwondingen bij het slachtoffer erop duidt dat verdachte heeft gehandeld in een staat van razernij en ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit is een contra-indicatie voor voorbedachte raad. De enkele omstandigheid dat verdachte een nieuw mes uit de verpakking heeft gehaald en zijn vrouw daar vervolgens mee heeft gestoken is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake was van voorbedachte raad bij verdachte. Voor het overige blijken uit het dossier geen feiten en omstandigheden die duiden op voorafgaand beraad. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het handelen met voorbedachte raad en daarmee van de ten laste gelegde moord. Wel acht de rechtbank doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 10 maart 2024 te Eindhoven [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door meermalen met een mes die [slachtoffer] in haar hart en/of hartstreek en/of romp en/of gezicht en/of hoofd te steken en/of snijden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om uit te gaan van een mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid of het ontbreken daarvan. Deskundigen I. van Outheusden (psychiater), A.M.P Verwiel (arts in opleiding tot psychiater), prof. dr. R.J. Verkes (psychiater) en drs. L.R. van Beek (arts in opleiding tot psychiater) hebben wel enkele stoornissen bij verdachte vastgesteld, maar zij hebben niet vastgesteld dat deze het handelen van verdachte hebben beïnvloed.

Door de omstandigheden waaronder het slachtoffer is aangetroffen lijkt het delict te zijn gepleegd in een toestand van razernij. De deskundigen hebben de hypothese opgeworpen dat verdachte het feit heeft begaan als gevolg van een agressieve impulsdoorbraak. Vanwege de verklaring van verdachte over het ontbreken van iedere herinnering aan het gebeurde kon deze hypothese niet verder worden onderzocht. Het delict moet daarom volledig aan verdachte worden toegerekend. Verdachte is dus strafbaar voor de bewezenverklaarde doodslag.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van het ten laste gelegde feit. Gelet daarop heeft zij geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn echtgenote, met wie hij al meer 55 jaar samen was. Hij heeft zijn vrouw op brute wijze om het leven gebracht door haar met een keukenmes in haar borststreek te steken. Daarnaast heeft hij meerdere steek- en snijletsels toegebracht in haar gezicht en op haar handen. Dit alles vond plaats in hun woning, waar zij al vele jaren samenwoonden en wat bij uitstek de plek was waar het slachtoffer zich veilig moest kunnen voelen. Verdachte heeft hiermee het meest fundamentele recht van het slachtoffer, namelijk het recht op leven, op een gewelddadige manier ontnomen. Uit het ernstige afweerletsel op haar handen leidt de rechtbank af dat zij gevochten heeft voor haar leven, terwijl verdachte op haar instak. De angst die zij in de laatste momenten van haar leven voor haar eigen man gevoeld moet hebben, is niet te bevatten.

De rechtbank merkt hierbij op dat zij er niet vanuit gaat dat verdachte koelbloedig heeft gehandeld, maar dat hij overbelast was door de mantelzorg voor het slachtoffer, dat hij leed aan slaapgebrek en dat hij verdrietig was door de cognitieve achteruitgang van zijn echtgenote. Daarbij, zo blijkt uit de over hem uitgebrachte Pro Justitia-rapportages, internaliseerde hij zijn spanningen en vond hij het moeilijk om hulp te vragen. Kennelijk is dit hem op enig moment teveel geworden.

Verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer met zijn daad onherstelbaar leed aangedaan, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de zussen van het slachtoffer. Zij zijn hun zus kwijtgeraakt. De zoon van het slachtoffer en verdachte moet leven met de wetenschap dat zijn vader zijn moeder om het leven heeft gebracht.

De rechtbank gelooft verdachte niet in zijn verklaring dat hij geen herinnering heeft aan het delict. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat er geen sprake was van slaapwandelen ten tijde van het delict, waardoor overblijft dat verdachte de amnesie simuleert. De rechtbank rekent dit verdachte aan, omdat hij op die manier geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Dat is onverdraaglijk voor de zussen, zoals blijkt uit hun slachtofferverklaringen, en naar de rechtbank aanneemt ook voor de zoon van verdachte en het slachtoffer.

Niet alleen de directe omgeving van het slachtoffer is getroffen door deze gebeurtenis, ook de samenleving wordt geraakt door dit soort feiten die maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaken. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 6 januari 2026 met betrekking tot verdachte, waarin de reclassering het recidiverisico als laag inschat. Gezien de hoge leeftijd van verdachte, namelijk 81 jaar ten tijde van de uitspraak, wijst de reclassering er op dat een langere detentie nadelig zal zijn.

De op te leggen straf.

De rechtbank overweegt dat alleen een langdurige gevangenisstraf passend is bij het gruwelijke feit dat verdachte heeft gepleegd en het leed dat hij het slachtoffer en de nabestaanden heeft aangedaan. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf kijkt de rechtbank naar de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op de straf in mindering worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wetsartikel.

De beslissing is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

doodslag.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Bartels, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland en R.E. Otto, griffiers,

en is uitgesproken op 17 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.E. Bartels
  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. M.J.C. van der Vegte

Griffier

  • mr. N. Slingerland en R.E. Otto

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?