RECHTBANK OVERIJSSEL
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/188731 / KG ZA 16-243
Vonnis in kort geding van 1 september 2016
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. S.J.P. Kukolja te Hengelo,
tegen
de besloten vennootschap [A],
gevestigd en kantoorhoudend te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.F.M. Verheij te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [A] genoemd worden.
1. De procedure
Op 6 juli 2016 heeft [eiser] een aanvraag gedaan bij de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, voor een kort geding, zijnde een jegens [A] te entameren executiegeschil. De griffier van de locatie Almelo heeft [eiser] daarop medegedeeld dat de aanvraag is verwezen naar de locatie Zwolle. De griffier te Zwolle heeft daarop verlof verleend voor een kort geding, te houden in Zwolle op dinsdag 12 juli 2016 om 11.00 uur.
Bij exploot van dagvaarding d.d. 7 juli 2016 heeft [eiser] [A] gedagvaard om op dinsdag 12 juli 2016 te 11.00 uur te verschijnen voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, met als doel - samengevat - de schorsing van de tenuitvoerlegging van een door [A] jegens [eiser] verkregen vonnis van de kantonrechter te Almelo d.d. 28 juni 2016.
[eiser] heeft per brief, ontvangen op 8 juli 2016, een kopie van voormelde dagvaarding aan de locatie Zwolle van de rechtbank Overijssel toegezonden, met aankondiging dat het origineel ter zitting zal worden overhandigd.
Namens [A] heeft mr. Verheij zich per faxbrief van 8 juli 2016 gesteld, onder toezending van één productie.
In een aan de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, gericht e-mailbericht van 12 juli 2016 te 10.27 uur heeft de gemachtigde van [eiser] zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter te Zwolle zich onbevoegd dient te verklaren en de zaak dient te verwijzen naar de voorzieningenrechter te Almelo. [eiser] heeft in dit e-mailbericht aangekondigd niet ter zitting van 11.00 uur te verschijnen.
De zaak is op de zitting van de voorzieningenrechter te Zwolle, mr. T.R. Hidma, uitgeroepen, waarna [eiser] niet en [A] wel is verschenen.
De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat nu [eiser] niet is verschenen, niet kan worden overgegaan tot een behandeling van de zaak. [A] heeft daarop aanspraak gemaakt op een vergoeding van proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens een proces-verbaal van constatering opgemaakt. Daarin is onder meer vastgelegd dat het op een zeer korte termijn innemen van een standpunt dat de verwijzing naar de locatie Zwolle ambtshalve is geschied en dat de locatie Zwolle onbevoegd is, tardief en in strijd met de goede procesorde is.
De voorzieningenrechter heeft [eiser] daarop in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na 12 juli 2016 te reageren op het verzoek van [A] om een proceskosten-veroordeling en op het in dat verband door [A] op 12 juli 2016 ingezonden faxbericht.
Per faxbrief van 27 juli 2016 heeft [eiser] gereageerd en - samengevat - volhard in zijn stelling dat de zaak dient te worden verwezen naar de locatie Almelo en aldaar inhoudelijk dient te worden behandeld. [A] heeft - voor zover van belang - medegedeeld geen behoefte te hebben aan een inhoudelijke behandeling en haar verzoek beperkt tot het doen van een uitspraak over de proceskosten.
Per brief van 15 augustus 2016 heeft de griffier namens de voorzieningenrechter aan partijen medegedeeld dat wordt volhard in het in het proces-verbaal van 12 juli 2016 weergegeven oordeel dat het door [eiser] een half uur voor de zitting ingenomen standpunt dat de locatie Zwolle onbevoegd is, tardief en in strijd met de goede procesorde is.
Aan partijen is vervolgens bij diezelfde brief tot uiterlijk 25 augustus 2016 de gelegenheid geboden voor de opgaaf van verhinderdata voor een mondelinge behandeling van de vordering van [A] tot een proceskostenveroordeling althans voor een schriftelijke reactie op die vordering. In die brief is tevens vermeld dat bij het uitblijven van het een of het ander de voorzieningenrechter op die vordering zal beslissen.
[eiser] heeft daarop een verzoek tot wraking van mr. T.R. Hidma ingediend en vervolgens een verzoek tot wraking van de wrakingskamer, belast met de behandeling van het verzoek tot wraking van mr. T.R. Hidma.
Mr. T.R. Hidma heeft vervolgens in het verzoek tot wraking berust. Het bestuur van de rechtbank Overijssel heeft daarop mr. W.F. Boele belast met de verdere behandeling van de zaak.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil en de beoordeling daarvan
Op 12 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter, destijds belast met de behandeling van de zaak, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat door het niet verschijnen van [eiser] ter zitting van die dag om 11.00 uur niet tot een inhoudelijke behandeling kon worden overgegaan, dat een verzoek tot verwijzing naar de locatie Almelo tardief en in strijd met de goede procesorde is en dat uitsluitend nog op het verzoek van [A] tot een proceskostenveroordeling dient te worden beslist.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om op die beslissing terug te komen en anders te oordelen.
In geschil is daardoor nog slechts het antwoord op de vraag of [eiser] moet worden belast met een aan [A] toe te kennen vergoeding van proceskosten.
Het als eisende partij bewust niet ter zitting verschijnen voor de behandeling van de zelf verzochte voorlopige voorziening moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelijk worden gesteld met het intrekken daarvan. Immers, ook bij intrekking kan niet aan een inhoudelijke behandeling van die verzochte voorziening worden toegekomen. Ook indien een eisende partij alsnog meent dat de voorziening door een andere voorzieningenrechter moet worden behandeld, zoals [eiser] meent, had hij daarvoor ter zitting dienen te verschijnen, wilde zijn voorziening niet als ingetrokken worden beschouwd. De voorzieningenrechter ziet dan ook in dit geval voldoende aanleiding om dienaangaande op overeenkomstige wijze toe te passen hetgeen de Hoge Raad in zijn uitspraak van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) bij wege van prejudiciële beslissing kenbaar heeft gemaakt aangaande de proceskosten bij intrekking van een verzochte voorlopige voorziening.
In dit geval geldt dat [A] tijdig, dat wil zeggen bij gelegenheid van de voorgenomen mondelinge behandeling van de door [eiser] verzochte voorlopige voorziening op 12 juli 2016, aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding van haar proceskosten, zulks in verband met haar vergeefse verschijning ter zitting. [eiser] heeft, ondanks daartoe een en andermaal in de gelegenheid te zijn gesteld, zich niet uitgelaten over deze aanspraak van [A] .
Gelet op de onbepaalde waarde ter zake zal de voorzieningenrechter voor salaris advocaat uitgaan van tarief II (€ 452,00 per punt). Voor het verschijnen ter zitting van 12 juli 2016 zal één punt worden toegekend.
Aangezien de verzochte voorlopige voorziening niet is ingetrokken voor uitroeping van de zaak ter zitting van 12 juli 2016 en - daarnaast - op het geschil over de proceskosten door de voorzieningenrechter dient te worden beslist, is [eiser] griffierecht verschuldigd. [A] is als gedaagde partij eveneens griffierecht verschuldigd omdat zij ter zitting van 12 juli 2016 is verschenen en - daarnaast - op het geschil over de proceskosten moet worden beslist. Het voor [A] geldend griffierecht bedraagt € 619,00. Dit recht dient [eiser] aan [A] te vergoeden.
Gelet op het voorgaande worden de kosten aan de zijde van [A] aldus begroot op € 452,00 aan salaris advocaat (1,0 punten × tarief € 452,00) en € 619,00 aan griffierecht, samen in totaal € 1.071,00. Dit bedrag zal worden toegewezen, waarbij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
verstaat dat de verzochte voorlopige voorziening niet kan worden behandeld en als ingetrokken moet worden beschouwd;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 1.071,00;
verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2016