vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 9540504 EL 21-41
vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2023,
in de zaak van
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen
[partij A 1], [partij A 2],
beiden wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
Partijen worden hierna Dexia en [partij A] (gedaagde partijen in conventie tezamen in mannelijk enkelvoud, dan wel afzonderlijk [partij A 1] en [partij A 2]) genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 29 oktober 2021;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens houdende akte (voorwaardelijke) wijziging van eis;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
de conclusie van dupliek in reconventie;
de akte uitlaten jurisprudentie van Dexia;
de antwoordakte van [partij A]
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
2. 2. De feiten
[partij A] (dan wel [partij A 1] ten aanzien van overeenkomst I.) heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer 1]
22-09-2000
AEX Plus Effect
II.
[nummer 2]
20-04-2001
Triple Effect
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
17-05-2006
- € 665,54
€ 0,00. De restschuld is verminderd met 2/3e deel op basis van het hofmodel. Resterende bedrag is verrekend met hofmodeluitkering van 18 januari 2012.
II.
19-04-2004
- € 7.061,37
€ 7.060,22.
Volgens opgave van Dexia heeft [partij A] verder op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 6.298,68 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [partij A] € 28,14 aan dividenden ontvangen en € 236,48 aan fiscaal voordeel genoten. Op 18 januari 2012 heeft Dexia aan [partij A] een bedrag van € 6.297,95 uitgekeerd, volgens Dexia tweederde deel van de betaalde restschuld (van overeenkomst II) inclusief reeds verschenen rente. Op 27 november 2018 heeft Dexia ‘o.b.v. HR Eegalease uitspraak’ met betrekking tot overeenkomst I. aan [partij A] een bedrag uitgekeerd van € 4.237,46.
Bij brief van 3 november 2005 heeft [partij A 2] overeenkomst I. met een beroep op de artikelen 1:88 en 1:89 BW de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen.
Bij brief van 8 juli 2021 heeft Dexia [partij A] uitgenodigd om in gesprek te gaan en te onderzoeken of partijen tot afronding van het effectenleasedossier kunnen komen. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen.
3. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie
Dexia vordert thans, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:
zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [nummer 1] en [nummer 2], na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] verschuldigd is,
[partij A] zal veroordelen in de proceskosten.
[partij A] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij [partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover rechtens:
voor recht zal verklaren dat de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] rechtsgeldig is vernietigd en Dexia zal veroordelen om nog een bedrag van € 269,28 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2018) aan [partij A] terug te betalen,
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld,
Dexia zal veroordelen tot betaling van verschuldigde buitengerechtelijke kosten,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4. 4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie
algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A]
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
de verklaring voor recht en afwachten van ontwikkelingen in de jurisprudentie
Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij indien zij nog wat aan [partij A] verschuldigd is, na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, niets meer aan [partij A] verschuldigd.
[partij A] stelt dat nog niet te overzien is of er nog een vordering op Dexia resteert, omdat de jurisprudentie op een aantal onderwerpen nog niet is uitgekristalliseerd. Hij wenst de ontwikkelingen af te wachten. In elk geval meent hij nog een vordering te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999 of artikel 25 NR 1995. Verder stelt [partij A] dat Dexia nog een vergoeding dient te betalen in verband met verschuldigde rente en dat Dexia nog niet volledig voldaan heeft aan de vergoedingsplicht op grond van de vernietiging van overeenkomst I. Ook stelt [partij A] dat Dexia een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.
In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Het verweer van [partij A], dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt niet gevolgd.
verjaring
Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard. Dit verweer wordt niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
met betrekking tot overeenkomst II.
tussenpersoon
[partij A] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Groninger Verzekeringadviesbureau. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [partij A], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:Door een bekende werd [partij A] geattendeerd op het bestaan van een zogenaamde “Big Power” stofzuiger. Dit was een stofzuiger waar je álles mee kon, ramenlappen, strijken, vloeren stomen, enz. Het was ook een flink dure stofzuiger, zo’n NLG 6.000,-. Mevrouw [naam 1] kwam bij [partij A] thuis om het over de stofzuiger te hebben en te bespreken op welke wijze [partij A] een dergelijke stofzuiger ook kon krijgen. Mevrouw [partij A 2] wilde wel graag zo’n stofzuiger. Maar [partij A] had het geld niet om een dergelijke stofzuiger zelf aan te schaffen, nu het zo’n dure stofzuiger was. Om te kunnen realiseren dat mevrouw [partij A 2] de stofzuiger kon krijgen werd een constructie geadviseerd waarbij de Big Power stofzuiger en tevens een Triple Effect overeenkomst werd gefinancierd middels het aangaan van een krediet. De reden dat de constructie werd geadviseerd was dat niet alleen een voor de aankoop vereist krediet werd afgelost (en daarmee in feite de stofzuiger), maar dat tevens na 5 jaar nog een bedrag zou worden verkregen. [partij A] ging akkoord met de constructie omdat dit betekende dat de stofzuiger aangeschaft kon worden. Verder hadden ze geen verstand van ingewikkelde financiële constructies, kredieten of andere ingewikkelde financiële overeenkomsten. Vervolgens zorgde [naam 1] ervoor dat de constructie gerealiseerd kon worden. Mevrouw [naam 2] van Groninger Verzekeringsbureau heeft de aanvraag voor het krediet bij de Kredietbank in orde gemaakt en ervoor gezorgd dat [partij A] de Triple Effect overeenkomst ontving. De brief kwam [naam 1] persoonlijk bij [partij A] langsbrengen. Mevrouw [naam 2] zorgde ervoor dat het doorlopend krediet tot stand kwam en ook dat het Triple Effect werd aangevraagd. Mevrouw [naam 2] stuurde [partij A] een brief waarin zij wilde dat [partij A] de Triple Effect overeenkomst getekend aan haar retour zou sturen.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een stuk voorzien van het opschrift ‘BIG POWER’, waarop de gegevens van [partij A 1] zijn ingevuld en waaruit blijkt dat het de koop betreft van een apparaat,- een kopie van een visitekaartje voorzien van het logo van Groninger Verzekerings Adviesbureau en [naam 3] Voordeelfinancieringen, waarop vermeld staat: [naam 2],- enkele stukken van 15 maart 2001 en 23 april 2001 van [naam 3] Voordeelfinancieringen, betreffende de aanvraag van een krediet, waarop vermeld staat: Er zijn aandelen aangekocht voor f 7880,20. U krijgt van mij retour f 119,80,- een kopie van een kredietovereenkomst van maart 2001 tussen [partij A] en Direktbank, betreffende een krediet van NLG 25.000,-, waarop vermeld staat: Deze overeenkomst is tot stand gekomen door bemiddeling van [naam 3] Voordeelfinancieringen & Groninger Verzekerings Advies Bureau (…).,
- een kopie van een brief van 6 april 2001 van Direktbank gericht aan [partij A], betreffende een rentekrediet, waarop vermeld staat: Uw krediet is tot stand gekomen door bemiddeling van [naam 3] VOORDEELFINANCIERINGEN,
- een kopie van het aanvraagformulier van 12 april 2001 op naam van [partij A], betreffende het Triple Effect product met een vooruitbetaling van NLG 8.000,-, waarop handgeschreven de gegevens van [partij A] zijn ingevuld, onder vermelding van ‘Groninger Verzekerings Advies Bureau’ bij ‘Kantoor’ en ‘mw J [naam 2]’ bij ‘Naam adviseur’, voorzien van het adviseursnummer: [nummer 3],- een kopie van de overeenkomst van 20 april 2001 met contractnummer [nummer 2] op naam van [partij A], genaamd ‘Triple Effect Vooruitbetaling’, voorzien van het adviseursnummer: [nummer 3]-Groninger Verzekeringadviesbureau,
- een kopie van een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 3 november 2021 van [naam 3] Voordeelfinancieringen, waarop vermeld staat dat Groninger Verzekerings Adviesburo een handelsnaam daarvan is.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [partij A] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [partij A] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [partij A] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
[partij A] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [partij A] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [partij A], had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [partij A], actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [partij A] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [partij A] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia 4.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
De als gevolg hiervan door [partij A] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [partij A] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist.
In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
met betrekking tot overeenkomst I.
aanvullende vergoeding wettelijke rente
[partij A] stelt zich op het standpunt dat hij bij schending van artikel 41 NR 1999 nog recht heeft op een aanvullende vergoeding van de wettelijke rente nu deze bij een vordering op grond van onrechtmatige daad eerder verschuldigd was dan het moment op basis waarvan Dexia de uitkering op grond van de vernietiging van de overeenkomst berekende. Hierin wordt hij niet gevolgd. Partijen zijn het eens over de vernietiging van de overeenkomst op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW. De bedragen die door [partij A] op grond van de (vernietigde) overeenkomst aan Dexia werden betaald, zijn door Dexia, als zijnde onverschuldigd betaald, aan [partij A] terugbetaald. De wettelijke rente daarover is eerst verschuldigd nadat Dexia in verzuim is gekomen. De door Dexia aangehouden datum van 17 november 2005, twee weken na de sommatie, is daarom juist. Dit betekent dat er geen sprake is van een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en ook niet van wettelijke rente vanaf een eerdere datum. Om die reden wordt het verweer van [partij A] afgewezen. Met de voldoening van € 4.237,46 op 27 november 2018 heeft Dexia hetgeen onverschuldigd werd voldaan door [partij A] terugbetaald, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
met betrekking tot beide overeenkomsten
vorderingen van Dexia 4.17. Gelet op het voorgaande behoeven de overige verweren van [partij A] niet inhoudelijk besproken te worden. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590. De vordering van Dexia zal worden toegewezen als na te melden.
vorderingen van [partij A] 4.18. Op grond van het voorgaande zullen de door [partij A] gevorderde verklaringen voor recht worden toegewezen, in die zin dat voor recht verklaard wordt dat de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] rechtsgeldig is vernietigd en daarnaast dat Dexia met betrekking tot overeenkomst met contractnummer [nummer 2] onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
proceskosten
De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld.
5. Beslissing
De kantonrechter
in conventie
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [nummer 1] en [nummer 2], indien en voor zover is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding zoals die volgt uit r.o. 4.15 voor wat betreft de overeenkomst met contractnummer [nummer 2], aan al haar verbintenissen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] verschuldigd is,
in reconventie
verklaart voor recht dat de overeenkomst met contractnummer [nummer 1] rechtsgeldig is vernietigd,
verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de overeenkomst met contractnummer [nummer 2] onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
in conventie en in reconventie
wijst het meer of anders gevorderde af,
compenseert de proceskosten.
Aldus gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
typ: FM