RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/305042 / HA RK 23-122
Beschikking van 1 mei 2024
in de zaak van
1. [verzoeker 1],
te [vestigingsplaats],
2. [verzoeker 2],
te [woonplaats 1],
3. [verzoeker 3],
te [woonplaats 2],
verzoekers,
hierna samen te noemen: [verzoekers],
tegen
de publiekrechtelijke bestuurscommissie ex artikel 81 van de Provinciewet
UITVOERINGSCOMMISSIE STAPHORST,
zetelende te Zwolle,
hierna te noemen: de UC,
en
1. [belanghebbende 1],
te [woonplaats 3],
hierna te noemen: [belanghebbende 1],
2. [belanghebbende 2],
te [woonplaats 4],
hierna te noemen: [belanghebbende 2],
3. DIACONIE V/D HERSTELD HERVORMDE GEMEENTE TE STAPHORST,
te Punthorst,
hierna te noemen: Diaconie van de HHG,
belanghebbenden.
1. Samenvatting
In deze tussenbeschikking met betrekking tot de Lijst der Geldelijke Regelingen (LGR) oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende gronden en mogelijkheden zijn om in afwijking van de peildatum die in het Besluit Inrichting Landelijk Gebied (Bilg) staat, een andere dan agrarische waarde die na die peildatum is ontstaan, te verrekenen in de LGR. De beroepen met betrekking tot toedeling van percelen in een wratziektepreventiegebied en met betrekking tot wortel- en schaduwwerking worden wel gegrond verklaard. De UC dient een nieuw besluit te nemen.
2. De procedure
De UC heeft op 24 november 2021 een ontwerpbesluit tot het vaststellen van de LGR voor de landinrichting Staphorst genomen. Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 22 maart 2022 tot en met 2 mei 2022.
[verzoekers] heeft overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen het ontwerp een zienswijze ingediend.
[verzoekers] is op 17 januari 2023 over haar zienswijze gehoord.
Bij besluit van 14 juni 2023 heeft de UC de LGR voor de landinrichting Staphorst vastgesteld. De zienswijze van [verzoekers] heeft niet geleid tot aanpassing van de LGR.
De LGR heeft van 26 september 2023 tot en met 6 november 2023 ter inzage gelegen.
Tegen het besluit tot vaststelling van de LGR heeft [verzoekers] bij verzoekschrift gedateerd 4 november 2023, beroep ingesteld op grond van artikel 69 van de Wet inrichting landelijk gebied (WILG).
De UC heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep van [verzoekers] is op 6 maart 2024 ter zitting behandeld. Beide partijen zijn daarbij verschenen. De maatschap werd vertegenwoordigd door haar maten [verzoeker 2] en [verzoeker 3]. De uitvoeringscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. ing. [naam 1]. Belanghebbende mevrouw [belanghebbende 1] is vertegenwoordigd door de heer [naam 2]. Namens de Diaconie van de HHG was iemand als toehoorder aanwezig.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er besproken is.
Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.
3. Overgangsrecht
De WILG is per 1 januari 2024 ingetrokken. Ruilverkaveling is sindsdien geregeld in de Omgevingswet. De WILG blijft echter van toepassing op de vaststelling van de LGR als het ontwerpbesluit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd (artikel 4.5 lid 1 van de Aanvullingsweg grondeigendom Omgevingswet). Dat is hier het geval.
4. Het beroep van [verzoekers] en de reactie van de UC
[verzoekers] heeft bij brief van 4 november 2023 (door de rechtbank ontvangen op 6 november 2023) een verzoekschrift ingediend tegen de vastgestelde LGR.
[verzoekers] heeft drie punten van bezwaar:
1. Voor het inbrengperceel aan de [adres 1] moet een niet-agrarische meerwaarde worden verrekend.
2. Voor toedeling van een perceel dat in een wratziektepreventiegebied ligt is ten onrechte geen verrekening opgenomen in de LGR.
3. Door de zienswijze van de Diaconie van de HHG is de verrekening voor schaduw- en wortelwerking gewijzigd. [verzoekers] is het daarmee niet eens en wil dat deze wijziging ongedaan wordt gemaakt.
De Uitvoeringscommissie voert verweer. Wat de eerste twee onderdelen betreft concludeert zij tot ongegrondverklaring. Wat betreft het onderdeel schaduw- en wortelwerking stelt zij voor dit onderdeel gedeeltelijk gegrond te verklaren en zowel de LGR van de UC als van de Diaconie van de HHG te wijzigen, in die zin dat de LGR van [verzoekers] dient te worden gecorrigeerd met een te ontvangen bedrag van € 2.376,00 en die van de Diaconie van de HHG met een te betalen bedrag van € 2.376,00.
Nu het beroep gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard, verzoekt de UC de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat elke partij zijn of haar eigen kosten draagt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
1) Niet-agrarische meerwaarde perceel aan de [adres 1].
Het inbrengperceel aan de [adres 1] had in totaal een oppervlakte van 2.14.60 ha. Deze kavel is opgedeeld in twee stukken. Een deel van 1.78.50 ha is toegedeeld aan [belanghebbende 1] en een deel van 0.36.10 ha aan [belanghebbende 2].
[verzoekers] stelt dat dit perceel al geruime tijd voor het herverkavelings-moment is aangewezen als zoekgebied voor het toekomstig industrieterrein Esch 5. Deze grond had daarom op het moment van de kavelovergang een hogere waarde dan de agrarische waarde. Volgens [verzoekers] moet die hogere waarde worden verrekend in de LGR. De WILG en Bilg bieden met artikel 62 WILG en artikel 26 Bilg ook de mogelijkheid om een andere dan agrarische waarde te verrekenen.
De bedoeling van de wetgever was dat uitvoering van de WILG, zoals een ruilverkaveling, in overeenstemming gebeurt met ruimtelijk beleid in algemene zin. Dat is hier niet gebeurd. De situatie die zich hier voordoet is door de wetgever niet voorzien. Volgens het stelsel van de Wilg dienen alle voor- en nadelen van de herverkaveling via de LGR te worden verrekend. Deze ruiling is een groot nadeel en daar is ten onrechte geen rekening mee gehouden, aldus [verzoekers]. De UC heeft [verzoekers] gedwongen deze ingebrachte grond te verlaten.
De UC heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat de bestemming van het inbrengperceel nog immer “agrarisch met waarde archeologie” is. Voor de berekening van een andere dan agrarische waarde is het peilmoment doorslaggevend. Het peilmoment is het moment van de terinzagelegging van het ontwerpruilplan (in dit geval: 22 september 2014 tot en met 2 november 2014). Op dat moment was er geen bekende planologische of feitelijke ontwikkeling die een hogere waarde zou kunnen rechtvaardigen. [verzoekers] heeft niet aangegeven wanneer en of hun inbrengperceel is “aangewezen als zoekgebied”. Er is bij vaststelling van het Ruilplan geen bezwaar gemaakt tegen toedeling van dit perceel aan derden.
In haar pleitnota heeft [verzoekers] nog gereageerd op het verweerschrift van de UC. Voor zover van belang zal de rechtbank daar hierna op ingaan.
De rechtbank overweegt het volgende.
Ten eerste geldt dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], anders dan [verzoekers] stelt, terecht zijn aangemerkt als belanghebbenden voor dit onderdeel. Uitgangspunt is immers dat verschil in waarde wordt verrekend tussen de afgaande en de opkomende eigenaar (zie paragraaf 4, onderdeel 2 en 8 van de “Nadere regels voor de lijst der geldelijke regelingen voor het herverkavelingsblok Staphorst” (Nadere Regels)).
Verder neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het inbrengperceel aan de [adres 1] in een zoekgebied ligt voor de bestemming industrie. De UC heeft dat weliswaar formeel betwist, maar ook volgens de UC zelf is er in elk geval sprake van een omgevingsvisie van de gemeente Staphorst waarin dit naar voren komt (brief van 29 september 2020 van de secretaris van de UC aan [verzoekers], bijlage 2 bij het verzoekschrift).
Bovendien acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de Provincie zou aandringen op mediation met de gemeente over dit onderwerp als er niets aan de hand was.
De wet zegt het volgende over verrekening van een andere dan agrarische waarde.
Uit artikel 68, lid 1, sub b, onder 3 van de WILG volgt dat in de LGR ook een andere dan agrarische waarde kan worden verrekend.
Artikel 26, lid 2, van het Bilg bepaalt dat in de LGR verrekenposten kunnen worden opgenomen die onder meer kunnen betreffen “andere dan agrarische waarde” (sub h).
Uit artikel 27, lid 3 van het Bilg volgt dat bij de waardering van deze verrekenpost wordt uitgegaan van de situatie bij de terinzagelegging van het ontwerpruilplan.
[verzoekers] beroept zich erop dat het perceel is opgenomen in het zoekgebied voor het toekomstig industrieterrein Esch 5 van de Gemeente Staphorst. In haar brief aan de UC van 9 september 2020 stelt [verzoekers] dat de gemeente Staphorst sinds november 2016 de intentie heeft om ten zuiden van de Gorterlaan een nieuw industrieterrein aan te leggen.
Ter zitting heeft [verzoekers] verklaard dat volgens haar de gemeente begin 2017 is begonnen met het ontwerpen van de structuurvisie.
Op grond hiervan constateert de rechtbank dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpruilplan (dat is in dit geval de periode 22 september 2014 tot en met 2 november 2014) de structuurvisie/intentie tot aanwijzen als zoekgebied van de Gemeente Staphorst er nog niet was. In zoverre is er dus geen reden voor de UC om een andere dan agrarische waarde te verrekenen. Op het peilmoment was die waarde er immers in elk geval nog niet.
De vraag is of er in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt op deze regel.
[verzoekers] heeft daarvoor het volgende aangevoerd.
Volgens [verzoekers] is het de bedoeling van de wetgever geweest dat de twee sporen van landinrichting en gemeentelijke planologie (ruimtelijke ordening) op elkaar worden afgestemd c.q. dat er sprake is van samenwerking van de verschillende bestuurslagen. Uit de Memorie van Toelichting bij de WILG blijkt volgens [verzoekers] dat de ruimtelijke ordening daarbij leidend is. Het is volgens de wetgever noodzakelijk dat er sprake is van een goed bestuurlijk samenspel. Volgens de wetgever is de WILG zodanig opgesteld dat een adequate afstemming kan worden gegarandeerd tussen enerzijds het ruimtelijk beleid uit de (destijds geldende) WRO en anderzijds het gebiedsgericht beleid bedoeld in de WILG.
Volgens [verzoekers] is er in dit geval geen uitvoering gegeven aan deze bedoeling. Dat komt omdat de ruilverkaveling Staphorst veel langer heeft geduurd dan waar de wetgever van uitging. In dit geval was reeds 3 jaar voor de kavelovergang bekend dat de ingebrachte grond warme grond was. De wetgever heeft niet voorzien in de situatie dat in de tussentijd (tussen ter inzage leggen ontwerpruilplan en feitelijke kavelovergang) een ruimtelijke wijziging zou plaatsvinden.
Om die reden moet het verschil in waarde van de ingebrachte grond en de toegedeelde grond alsnog in de LGR worden opgenomen, volgens [verzoekers].
De rechtbank leest in hetgeen [verzoekers] heeft aangevoerd dat de wetgever inderdaad een bepaalde afstemming tussen ruimtelijke ordening (gemeente) en landinrichting (UC) heeft beoogd. Maar tegelijkertijd heeft de wetgever in artikel 27, lid 3 van het Bilg wel een peilmoment opgenomen waaraan de waardeverandering moet worden gerelateerd. Kennelijk heeft de wetgever wel een grens willen stellen aan het tijdstip waarop waardeveranderingen nog kunnen worden meegenomen.
Daarbij komt dat, als al vast zou komen te staan dat de gemeente Staphorst vóórdat het Ruilplan op 20 april 2017 werd vastgesteld, al plannen had om het gebied waarin dit perceel ligt de bestemming industrie te geven, en als vast zou komen te staan dat de UC op de hoogte was van de plannen van de gemeente – dit alles is door [verzoekers] gesteld maar niet met stukken onderbouwd – en daaruit de conclusie kan worden getrokken dat de UC het Ruilplan niet op deze manier had mogen vaststellen, dan vervolgens aan de orde komt de vraag of aangenomen moet worden dat [verzoekers] daar in het kader van het vaststellen van het Ruilplan nog tegen kon ageren omdat ze op dit punt geen zienswijze had ingediend en die termijn reeds voorbij was (maar de termijn voor het instellen van beroep tegen het Ruilplan nog niet), èn komt aan de orde de vraag per welk moment de waarde van het perceel dan wel moet worden bepaald. Zelfs als dit alles vast zou staan/duidelijk zou zijn, dan nog is het de vraag of dat tot een afwijking van de wet kan leiden.
De rechtbank ziet namelijk onvoldoende gronden en mogelijkheden om, in afwijking van de wettelijke regel van artikel 27, lid 3, Bilg, te bepalen dat een waardeverandering die na het peilmoment is opgetreden, ook moet worden verrekend in de LGR. Een dergelijke mogelijkheid is ook door de Hoge Raad (nog) niet aangenomen. Artikel 30 van het Bilg is naar het oordeel van de rechtbank niet toepasselijk op deze situatie, want dit artikel betreft de relatie tussen opkomend en afgaand eigenaar wat betreft de waarde, en niet het kunnen afwijken van de waarde op het peilmoment. Andere uitzonderingsmogelijkheden geeft de wet niet, terwijl de wetgever het kennelijk voldoende evenredig vond om als peilmoment de terinzagetermijn van het ontwerp-ruilplan te kiezen.
Dit alles leidt tot de conclusie dat het beroep wat dit onderdeel betreft niet gegrond verklaard kan worden. Bij eindbeschikking zal dit onderdeel ongegrond worden verklaard.
2) Percelen in wratziektepreventiegebied en perceel met aardappelmoeheid
In haar zienswijze heeft [verzoekers] aangevoerd dat een toegedeeld perceel (perceel aan de Veentjesweg van in totaal 9.6 ha.) in een wratziektepreventiegebied ligt. Hierdoor is [verzoekers] beperkt in de rassenkeuze van aardappelen en kan zij niet de aardappelen telen die een hoger saldo opbrengen. Ook is een deel van een perceel besmet met aardappelmoeheid, wat de keuze voor aardappelrassen nog meer beperkt.
De UC heeft advies gevraagd aan [naam 3] wat betreft de hoogte van de eventuele schade. [naam 3] komt uit op € 398,00 per ha per jaar.
In het besluit op de zienswijze heeft de UC echter geen schade aangenomen. Er is namelijk 36.0 ha voor aardappelteelt gebruikte grond ingebracht en 41.5 ha voor aardappelteelt geschikte grond toegedeeld. Daarbij houdt de UC rekening met het feit dat een ingebracht perceel van 5.7 ha aan de Schotsweg nooit voor aardappelteelt is gebruikt. Als gevolg van de ruilverkaveling neemt de voor aardappelteelt geschikte grond met 5.5 ha toe. Dit compenseert voor de toedeling in het wratziektepreventiegebied.
In haar beroepschrift heeft [verzoekers] aangevoerd dat het ingebrachte perceel van 5.7 ha wel geschikt is voor aardappelteelt, maar dat het perceel eerst vlakgemaakt zou moeten worden. Omdat ten tijde van de aankoop van dit perceel in 2012 nog gedacht werd dat de kavelovergang in 2016 zou plaatsvinden, heeft [verzoekers] ervoor gekozen dit perceel voor andere gewassen te gebruiken en niet gekozen voor het kostbare egaliseren ten behoeve van aardappelteelt. De terugverdientijd zou te kort zijn.
De UC blijft blijkens haar verweerschrift bij het standpunt dat bij vergelijking tussen inbreng en toedeling geen schade optreedt. De oppervlakte die geschikt is voor aardappelteelt neemt met 5.5 ha toe en daarmee heeft [naam 3] geen rekening gehouden. Als daar wel rekening mee wordt gehouden, heeft [verzoekers] juist voordeel bij de toedeling.
De rechtbank overweegt het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekers] voldoende aannemelijk gemaakt dat de 5.7 ha inbreng aan de Schotsweg op zichzelf wel geschikt is voor aardappelteelt, maar dat ze die niet als zodanig heeft gebruikt omdat het niet voldoende vlak lag. Dit is door de UC ook niet betwist.
Ook heeft [verzoekers] voldoende aannemelijk gemaakt dat ze dit perceel wel vlak gemaakt zou hebben en zo voor (lucratievere) aardappelteelt geschikt gemaakt zou hebben als er geen ruilverkaveling aan de orde was waarbij de verwachting was dat de kavelovergang in 2016 zou plaatsvinden. [verzoekers] heeft immers andere percelen, waarvan zij wist of verwachtte dat ze die langere tijd in eigendom zou houden, wel vlak gelegd. In haar beroepschrift noemt ze een perceel van 4 ha, en ook het toegedeelde perceel van 9.6 ha is deels op eigen kosten (en deels door kavelaanvaardingswerk) vlak gelegd. Dat de terugverdientijd te kort leek te zijn, ook gezien het feit dat slechts eenmaal per drie jaar aardappels op eenzelfde perceel kunnen worden geteeld, en dat [verzoekers] daarom er niet voor heeft gekozen het perceel aan de Schotsweg te egaliseren, is dan ook een aanvaardbare keuze.
Het voorgaande betekent dat bij de inbreng ook het perceel aan de Schotsweg moet worden meegerekend als geschikt voor aardappelteelt.
Dat zo zijnde heeft [verzoekers] minder oppervlakte voor onbeperkte aardappelteelt geschikte grond toegedeeld gekregen. Voor een deel van 9.6 ha gelden immers beperkingen wat betreft de aardappelteelt (gelegen in wratziektepreventiegebied A).
Dit verschil dient te worden verrekend onder de LGR. [naam 3] heeft een berekening gemaakt. Het bezwaar van de UC tegen deze berekening ziet alleen op het feit dat [naam 3] geen vergelijking heeft gemaakt met de oppervlakte van inbreng. Nu ze dat naar het oordeel van de rechtbank ook niet hoefde te doen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de berekening van [naam 3]. Deze komt uit op een schade van € 398,00 per ha per jaar en dient berekend te worden voor een periode van 10 jaar.
Wel is het redelijk om daarbij de uitgespaarde kosten voor het egaliseren van 5.7 ha grond aan de Schotsweg, mee te wegen.
Het beroep is dus gegrond en de LGR zal op deze wijze moeten worden aangepast.
[verzoekers] heeft ook nog gewezen op een perceel van 1.4 ha met aardappelmoeheid. In haar besluit heeft de UC aangevoerd dat [verzoekers] dit perceel kan gebruiken voor andere in het bouwplan van [verzoekers] voorkomende akkerbouwgewassen. In haar beroepschrift heeft [verzoekers] niet aangevoerd waarom dit onjuist zou zijn. Het beroep zal op dit punt dan ook ongegrond worden verklaard.
3) Wortel- en schaduwwerking
[verzoekers] had oorspronkelijk geen bezwaar tegen de vastgestelde bedragen voor wortel- en schaduwwerking. Door een zienswijze van de Diaconie van de HHG is de LGR van [verzoekers] wat betreft wortel- en schaduwwerking voor twee percelen gewijzigd.
A. Perceel aan de [adres 2]
Dit perceel is een inbrengperceel van [verzoekers] en is toegedeeld aan de Diaconie van de HHG. Er is wat betreft de wortel- en schaduwwerking rekening gehouden met een aantal losstaande bomen.
Naar aanleiding van de zienswijze van de Diaconie heeft de UC alsnog ook een te verrekenen bedrag opgenomen voor lage begroeiing. Langs de westzijde van het perceel, circa 560 meter, was sprake van laagopgaande beplanting. Deze valt in categorie O (zie de Nadere Regels onder paragraaf 4, onderdeel 6) en hiervoor wordt € 8,00 per meter gerekend. De geschatte dichtheid is gesteld op 40%. Het te verrekenen bedrag kwam daarmee op 560 meter x 0,4 x € 8,00 = € 1.792,00.
[verzoekers] heeft in haar beroepschrift deze correctie bestreden en stelt dat de lage begroeiing eens in de zoveel jaar werd weggehaald door Staatbosbeheer. Het ligt er dus maar net aan op welk moment je kijkt.
De UC heeft aangevoerd dat bepalend is het tijdstip van kavelovergang. Dit tijdstip wordt aangehouden tenzij er sprake is van een onredelijke of onbillijke uitkomst, hetgeen hier volgens de UC niet aan de orde is. Naar aanleiding van het beroep van [verzoekers] heeft de UC nogmaals naar de begroeiing langs het perceel gekeken. Gebleken is dat er langs een deel van het perceel (over een lengte van 270 meter) een sloot loopt. Die lengte valt in categorie P, met waarde € 0,00. De dichtheid van de overige lengte is gesteld op 30%.
De nieuwe berekening van de UC komt daarmee uit op een overgebleven lengte van 290 meter x 0,3 x € 8,00 = € 696,00.
Het te verrekenen bedrag moet dus niet € 1.792,00 zijn maar € 696,00. Het verschil is € 1.096,00 en dat verschil moet ten gunste van [verzoekers] en ten laste van de Diaconie van de HHG in de LGR worden verwerkt, aldus de UC.
Ter zitting heeft [verzoekers] nog aangevoerd dat er op het tijdstip van de kavelovergang geen lage beplanting was en dat er langs de hele westzijde een verplichte bufferstrook met een droge sloot ligt en dus alles in categorie P valt.
De UC heeft nog aangevoerd dat ten tijde van de kavelovergang geen beplanting zichtbaar was, maar wel stobberesten, en die lopen weer uit.
De rechtbank overweegt het volgende.
Partijen zijn het erover eens dat er wel lage begroeiing is, maar dat die af en toe door Staatsbosbeheer wordt weggehaald. Ook [verzoekers] zelf ging er af en toe met de klepelmaaier langs, zo verklaarden zij ter zitting. Kennelijk was er op het moment van de kavelovergang geen begroeiing zichtbaar, maar de wel aanwezige stobben lopen wel uit.
De vraag is dan of hier wortel- en schaduwwerking voor moet worden verrekend.
De rechtbank acht het in overeenstemming met de bedoeling van de verrekenpost voor wortel- en schaduwwerking en met de Nadere Regels dat met deze (deels dus latent) aanwezige lage begroeiing wel rekening wordt gehouden. Zolang Staatsbosbeheer niet heeft gesnoeid is de begroeiing na enige tijd weer aanwezig en ook het zelf weghalen ervan kost tijd en geld.
De bij de correctieberekening door de UC vastgestelde dichtheid van 30% is niet betwist.
De lengte is door [verzoekers] ter zitting wel betwist. Zij stelt dat er langs de hele westzijde een sloot ligt en niet slechts over 270 meter.
De rechtbank overweegt hierover dat het aan [verzoekers] is om dat te onderbouwen. Dat had met foto’s naar het de rechtbank voorkomt wel gekund. Nu deze stelling van [verzoekers] niet voldoende onderbouwd is, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden.
De conclusie is dat de berekening van de UC in het verweerschrift stand houdt. De LGR zal dus op deze wijze moeten worden aangepast. Omdat de LGR naar aanleiding van het beroep moet worden gewijzigd, is het beroep in zoverre gegrond.
B. Perceel aan de [adres 3].
Het perceel aan de [adres 3] is ingebracht door de Diaconie van de HGG en toegedeeld aan [verzoekers]. De dichtheid van de bomenrij langs de [adres 3] is in eerste instantie gesteld op 80%. [verzoekers] was het hiermee eens.
Naar aanleiding van een zienswijze van de Diaconie is de dichtheid door de UC nader vastgesteld op 50%. Dat betekende dat [verzoekers] op de LGR een lager bedrag voor wortel- en schaduwwerking zou ontvangen.
In haar beroepschrift voert [verzoekers] aan dat de dichtheid 82% is, zoals zij recent heeft berekend, en zij onderbouwt dat met foto’s (bijlage 5 bij verzoekschrift).
De UC heeft naar aanleiding van het verzoekschrift opnieuw naar de bomenrij gekeken. Het gaat daarbij (uitsluitend) om de bomenrij die door de UC is aangeduid als rij 51. Dit is de beplanting aan de westzijde van het perceel (zie bijlage 12.1.2 en 12.1.3 bij het verweerschrift). Bovendien gaat het bij nadere beschouwing niet om 607,4 meter maar om 590 meter.
De UC komt tot de conclusie dat er niet alleen eiken staan (die vallen in categorie E; € 16,00 per strekkende meter), maar ook 60 meter berken (die vallen in categorie O; € 8,00 per strekkende meter). Wat betreft de eiken heeft 160 meter een dichtheid van 100% en 370 meter een dichtheid van 50%. De UC onderbouwt een en ander met een luchtfoto, overgelegd als bijlage 12.4.
De nieuwe berekening van de UC komt daarmee uit op:
60 meter berken met een beplantingsdichtheid van 100%
160 meter eiken met een dichtheid van 100%
370 meter eiken met een dichtheid van 50%
Dus: (60 x 1,0 x € 8,00) + (160 x 1,0 x € 16,00) + ( 370 x 0,5 x € 16,00) = € 6.000,00 (in plaats van de eerder berekende € 4.720,00).
De LGR moet volgens de UC aldus worden aangepast.
[verzoekers] heeft de nieuwe berekening van de UC ter zitting betwist. Volgens haar is het 90% eiken en af en toe een berk, die bovendien net zo hoog, zo niet hoger zijn dan de eiken.
De rechtbank overweegt het volgende.
In de Nadere Regels wordt in paragraaf 4 onder 6, onderscheid gemaakt tussen hoogopgaande beplanting en laagopgaande beplanting. Bij hoogopgaande beplanting wordt genoemd: eik, es, populier. Bij laagopgaande beplanting wordt genoemd: houtwal, overige beplanting.
De rechtbank gaat ervan uit dat de genoemde bomen bij hoogopgaande beplanting voorbeelden zijn. Er zijn immers wel meer bomen die hoog worden (beuk, kastanje etc.) en als deze niet onder hoogopgaande beplanting zouden vallen maar onder “overige beplanting”, zouden deze dus verrekend worden als laagopgaande beplanting. Dat is niet in overeenstemming met het doel van de Nadere Regels, namelijk om een eerlijke verrekening uit te kunnen voeren.
Ook berken kunnen hoog en groot worden. [verzoekers] heeft onbetwist aangevoerd dat de berken aan [adres 3] dat ook zijn. De rechtbank zal alle bomen aanmerken als hoogopgaande beplanting (€ 16,00 per strekkende meter).
Wat betreft de dichtheid van de begroeiing overweegt de rechtbank het volgende. Op de luchtfoto die de UC heeft overgelegd is niet te zien wat de ruimte tussen de bomen is. Op de foto’s die [verzoekers] heeft overgelegd is in elk geval beter te zien waar er tussenruimte tussen de bomen is, en hoe groot die ongeveer is. [verzoekers] heeft haar standpunt dus beter onderbouwd, en dat is door de UC onvoldoende onderbouwd betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de berekening van [verzoekers] en zal dat afronden op 80%.
De verrekening voor wortel- en schaduwwerking moet dus worden gewijzigd naar 590 meter x 0,8 x € 16,00 = € 7.552,00.
Conclusie
Het beroep van [verzoekers] is deels gegrond. De rechtbank zal de UC in de gelegenheid stellen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in r.o. 5.20, 5.32 (conform voorstel UC) en 5.40. [verzoekers] zal in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren, waarna de rechtbank een (eind)beschikking zal nemen.
Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond voor zover het betreft de verrekening wegens toedeling in een wratziektepreventiegebied en voor zover het betreft de verrekening wegens wortel- en schaduwwerking;
bepaalt dat de UC een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze beschikking is overwogen en beslist, met name in r.o. 5.20, 5.32 en 5.40 en stelt haar daartoe in de gelegenheid tot 12 juni 2024, waarna [verzoekers] in de gelegenheid zal worden gesteld om daar op te reageren;
houdt elke verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Bottenberg – van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.