ECLI:NL:RBOVE:2024:7205

ECLI:NL:RBOVE:2024:7205, Rechtbank Overijssel, 11-12-2024, C/08/314756 / HA ZA 24-211

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 11-12-2024
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer C/08/314756 / HA ZA 24-211
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Eiser heeft in opdracht van Indulux werkzaamheden (in onderaanneming) verricht. Na voltooiing van de werkzaamheden heeft eiser Indulux facturen voor de verrichte werkzaamheden op regiebasis gestuurd. Indulux wil deze factuur niet betalen omdat zij van mening is dat zij een vaste prijs is overeengekomen met eiser van € 15.000,00 exclusief BTW. Ook stelt zij dat eiser meer werkzaamheden heeft verricht dan waartoe Indulux haar opdracht heeft gegeven. Eiser vordert in deze procedure betaling van haar facturen. De rechtbank draagt Indulux in dit tussenvonnis op te bewijzen dat een vaste prijs is overeengekomen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/314756 / HA ZA 24-211

Vonnis van 11 december 2024

in de zaak van

[eiser] B.V.,

te [vestigingsplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. J.M.J. Kosman,

tegen

INDULUX B.V.,

te Enschede,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Indulux,

advocaat: mr. R.M.A. van den Berg.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 mei 2024, met producties 1 tot en met 16,- de conclusie van antwoord van 3 juli 2024, met producties 1 tot en met 18, - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- een akte overlegging productie, waarbij [eiser] productie 17 in het geding heeft gebracht,

- een akte overlegging productie, waarbij Indulux productie 19 in het geding heeft gebracht,

- de mondelinge behandeling van 1 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de spreekaantekeningen van [eiser],

- de spreekaantekeningen van Indulux.

Ten slotte is vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op vandaag.

2. De zaak in het kort

[eiser] heeft in opdracht van Indulux werkzaamheden (in onderaanneming) verricht. Na voltooiing van de werkzaamheden heeft [eiser] Indulux facturen voor de verrichte werkzaamheden op regiebasis gestuurd. Indulux wil deze factuur niet betalen omdat zij van mening is dat zij een vaste prijs is overeengekomen met [eiser] van € 15.000,00 exclusief BTW. Ook stelt zij dat [eiser] meer werkzaamheden heeft verricht dan waartoe Indulux haar opdracht heeft gegeven. [eiser] vordert in deze procedure betaling van haar facturen. De rechtbank draagt Indulux in dit tussenvonnis op te bewijzen dat een vaste prijs is overeengekomen.

3. De feiten

Indulux is een groothandel in verlichtingsartikelen en houdt zich onder andere bezig met de vervaardiging van elektrische lampen en verlichtingsapparaten.

[eiser] houdt zich onder andere bezig met de elektronische bouwinstallatie en installatietechniek.

Indulux heeft in juli 2021 via [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) de opdracht van PON Luxury Cars B.V. (hierna: PON) gekregen om voor de gevel bij het nieuwbouwproject van het Porsche Centrum in Rotterdam, de levering en montage van de LED-lichtlijnen uit te voeren.

De heer [naam 1] van [bedrijf] is toezichthouder op het project namens PON.

Indulux heeft vervolgens rond december 2022 [eiser] mondeling de opdracht gegeven om de montage van de LED-lichtlijnen (in onderaanneming) te verzorgen. De levering van de LED-lichtlijnen zou Indulux zelf verzorgen.

[eiser] heeft naast de montage van de LED-lichtlijnen naar eigen zeggen de volgende werkzaamheden verricht: het verwijderen van de bestaande gevelpanelen, het inslijpen van deze panelen, verlijmen van beugels, het trekken van kabels en het plaatsen van voedingen en kabels.

Op 31 januari 2023 heeft [bedrijf] per e-mail aan Indulux medegedeeld dat er te weinig voortgang wordt gemaakt en dat zij bevestiging wil dat de werkzaamheden vrijdag (3 februari 2023) worden opgeleverd, omdat de vergunning voor de hoogwerker dan verloopt. Indulux heeft de e-mail naar [eiser] doorgestuurd en gevraagd om bevestiging dat de werkzaamheden vrijdag gereed zijn. [eiser] heeft daarop gereageerd dat het vrijdag klaar is.

Op 3 februari 2023 heeft [bedrijf] per e-mail aan Indulux medegedeeld dat de LED-lijnen die dag niet gereed zullen zijn.

Vanwege het verlopen van de vergunning heeft [eiser] een andere (duurdere) hoogwerker gehuurd (waarmee volgens haar zonder vergunning gewerkt kon worden) om de montage te voltooien.

Na voltooiing van alle werkzaamheden heeft [eiser] op 12 april 2023 een factuur verstuurd aan Indulux voor de door haar verrichte werkzaamheden, inclusief urenoverzicht. De factuur bedraagt € 36.896,70 inclusief BTW.

Op 13 april 2023 heeft [eiser] een factuur verstuurd aan Indulux voor de huur van twee hoogwerkers. De factuur bedraagt € 18.161,45 inclusief BTW.

In verband met het niet betalen van de facturen, heeft [eiser] aan Indulux op 14 juni 2023 en op 3 juli 2023 aanmaningen en op 31 juli 2023 een sommatiebrief verstuurd.

Op 11 juli 2023 heeft Indulux per e-mail het volgende aan [eiser] medegedeeld:

“(…) Even over de uren, ik moet de bruto en netto uren indienen en dat heb ik nog niet kunnen doen omdat ik niets had gekregen. Er is gevraagd om een overzicht. Ik zou dit doen in de vorm van een tabel, datum, persoon, aantal uren en de werkzaamheden. De reden waarom ik dit zo in wil dienen is omdat wij dan aan PON aan kunnen tonen dat de uren die gemaakt zijn totaal niet in verhouding staan met het pakket wat aangeboden is voor 15K (welke overigens ook nog niet betaald is)”

Op 15 september 2023 heeft Indulux een bedrag van € 18.150,00 (€ 15.000,00 plus BTW) betaald aan [eiser].

4. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Indulux tot betaling van € 43.156,30. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

€ 55.058,15 aan hoofdsom,

€ 1.325,58 aan buitengerechtelijke incassokosten,

€ 4.922,57 aan wettelijke handelsrente tot en met 1 april 2024,

minus het al door Indulux betaalde bedrag van € 18.150,00), en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 2 april 2024 tot aan de dag van volledige betaling.

[eiser] legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat er sprake is van aanneming van werk op grond van artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] zou de opdracht hebben aangenomen op regiebasis. Er is geen uurloon afgesproken. Conform het bepaalde in artikel 7:752 BW is dan een redelijke prijs verschuldigd. [eiser] stelt dat zij een redelijke prijs in rekening heeft gebracht. Zij heeft € 45,00 per uur gerekend en heeft een urenoverzicht meegestuurd bij de betreffende factuur. Daarnaast heeft zij de kosten voor de huur van de hoogwerkers in rekening gebracht.

Indulux voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Indulux stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de opdracht alleen op het plaatsen van LED-lijnen zag en dat partijen een vaste prijs van € 15.000,00 exclusief BTW hebben afgesproken. Subsidiair voert Indulux aan dat de hoogte van de door [eiser] gestuurde facturen niet redelijk is. Zij betwist de gefactureerde uren en betwist dat zij de kosten van de hoogwerkers moet betalen. De hoogwerkers zijn bij de vaste prijs inbegrepen. Daarnaast heeft [eiser] in de periode van 16 januari 2023 tot 29 januari 2023 twee hoogwerkers gehuurd, terwijl in die periode nauwelijks werkzaamheden zijn uitgevoerd vanwege de weersomstandigheden. Dit valt volgens Indulux onder de verantwoordelijkheid en het risico van [eiser].

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overeenkomst tot aanneming van werk zoals bedoeld in artikel 7:750 BW.

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of partijen hebben afgesproken dat de werkzaamheden zijn verricht op basis van regie zoals [eiser] stelt, of dat zij een vaste prijs zijn overeengekomen, zoals Indulux stelt. Als een vaste prijs is afgesproken kan Indulux immers niet tot een hoger bedrag worden veroordeeld dat de afgesproken prijs en moet de vordering van [eiser] reeds om die reden worden afgewezen.

[eiser] stelt dat partijen geen bedragen hebben genoemd en dat zij de werkzaamheden in regie heeft uitgevoerd. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat toen zij op de eerste dag op de locatie aankwam, duidelijk werd dat de geleverde LED-lichtlijnen niet pasten. Zij heeft Indulux gebeld en gezegd dat zij de werkzaamheden op regiebasis wilde uitvoeren, omdat zij niets kon garanderen. Bovendien heeft zij vaker op regiebasis voor Indulux gewerkt. Als er een vaste prijsafspraak zou zijn gemaakt, dan zou dat volgens [eiser] schriftelijk zijn vastgelegd.

Indulux betwist dat is afgesproken om op regiebasis te werken en stelt dat de heer [naam 2] (bestuurder van Indulux) met de heer [naam 3] (directeur van [eiser]) mondeling een vaste prijs is overeengekomen van € 15.000,00 exclusief BTW. Indulux heeft met haar opdrachtgever PON een vaste prijs afgesproken van voormeld bedrag en heeft daarom ook met [eiser] afgesproken dat dit het budget was. Indulux en [eiser] hebben vaker samengewerkt. Bij projecten waarvan de kosten meer dan € 10.000,00 bedroegen, is nooit op regiebasis gewerkt.

De rechtbank overweegt het volgende. Volgens vaste rechtspraak ligt de stelplicht en bewijslast dat een vaste prijs voor de werkzaamheden is overeengekomen bij Indulux, aangezien zij zich op dit standpunt stelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Indulux voldoende onderbouwd gesteld en heeft [eiser] voldoende gemotiveerd betwist dat partijen een vaste prijsafspraak hebben gemaakt. Indulux moet daarom bewijzen dat partijen een vaste prijs zijn overeengekomen van € 15.000,00 exclusief BTW. Indulux heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden hier bewijs van te leveren. Indulux zal overeenkomstig haar bewijsaanbod, worden toegelaten tot het leveren van bewijs dat een vaste prijs is overeengekomen van € 15.000,00 exclusief BTW.

De rechtbank overweegt nu vast dat als Indulux niet kan bewijzen dat partijen een vaste prijs hebben afgesproken, de rechtbank ervan uitgaat dat partijen geen prijs zijn overeengekomen. Indulux is dan op grond van artikel 7:752 BW een redelijke prijs aan [eiser] verschuldigd. De rechtbank zal in dat geval uitgaan van het door [eiser] gestelde uurtarief van € 45,00, omdat Indulux tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat dit een redelijk uurtarief is. De rechtbank zal, ingeval Indulux niet slaagt in de aan haar gegeven bewijsopdracht, vervolgens een oordeel moeten geven of de door [eiser] in rekening gebrachte uren als redelijk kunnen worden beschouwd en voor wiens rekening de overige doorbelaste bedragen komen.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor uitlating door Indulux of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, dan wel of zij van bewijslevering afziet.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

draagt Indulux op te bewijzen dat Indulux en [eiser] een vaste prijs zijn overeengekomen voor de werkzaamheden van € 15.000,00 exclusief BTW.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 8 januari 2025 voor uitlating door Indulux of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat, als Indulux geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat, als Indulux getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met april 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. H. Bottenberg-van Ommeren, in het gerechtsgebouw te Almelo, Egbert Gorterstraat 5,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?