RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11424615 \ CV EXPL 24-2352
Vonnis van 1 juli 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij, hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] , werkzaam bij Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D.S. Muller.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties van 6 mei 2025 van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025
- de akte uitlating partijen van 10 juni 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 19 maart 2024 is [gedaagde] in de functie van Verkoper Binnendienst in dienst getreden bij [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de duur van 1 jaar.
In de brief van 14 maart 2024 van [eiser] aan [gedaagde] staat:
“Gezien een afwikkeling in je financiële privé situatie, spraken we af, dat je salaris op enig moment, met terugwerkende kracht (vanaf datum indiensttreding) verhoogd zal worden naar € 4.200,00 bruto.”
[eiser] heeft een document overgelegd met het kopje: “Leenovereenkomst.”
Hierin staat:
“Stellen hierbij vast dat geldgever op 16.04.2024 aan geldlener een bedrag heeft geleend groot EUR 7.000,00 (hoofdsom), zegge: Zevenduizend Euro.”
Onder dit document staan de namen van partijen, met onder elke naam een handtekening.
3. Het geschil
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 7.000,00. [eiser] stelt, kort samengevat, dat hij dit geld heeft geleend aan [gedaagde] en dat [gedaagde] dit bedrag aan hem moet terugbetalen.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist dat hij geld heeft geleend van [eiser] . De handtekening op het onder 2.3 vermelde document is niet van hem, aldus [gedaagde] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat een onderzoek door een handschriftdeskundige aangewezen is. De kantonrechter zal daarom een deskundigenonderzoek door een handschriftdeskundige bevelen.
Partijen zijn het er ook over eens welke deskundige het onderzoek zal kunnen uitvoeren. Partijen hebben in gezamenlijk overleg het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. (hierna NFO) te Enschede voorgesteld.
NFO heeft voorgedragen de heer Ing. C. Verhulst, NRGD (onder nummer 1006.3) en LDM geregistreerd als handschriftdeskundige en documentexpert. Verhulst heeft verklaard niet bekend te zijn met een van de partijen.
Verhulst begroot het voorschot van het deskundigenonderzoek op € 3.599,75 inclusief btw. De kantonrechter zal partijen in de gelegenheid stellen uiterlijk twee weken na de datum van dit vonnis te reageren op de begroting van het voorschot van de deskundige.
De kantonrechter zal partijen in de gelegenheid stellen zich uiterlijk twee weken na de datum van dit vonnis uit te laten over de hoogte van het te deponeren voorschot. Voor het geval partijen van deze gelegenheid geen gebruik maken, zal de kantonrechter de hoogte van het voorschot reeds nu voor alsdan bepalen op het door de deskundige begrote bedrag van € 3.599,75 inclusief btw. Indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing.
[eiser] zal als eisende partij het voorschot op de kosten van de deskundige moeten betalen.
De kantonrechter zal de onder de beslissing vermelde deskundige benoemen. Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.
Partijen zullen eerst in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op de begroting van het voorschot door de deskundige.
De kantonrechter wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De kantonrechter zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de kantonrechter daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kantonrechter:
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
“is de handtekening op de als productie 1 aan de dagvaarding gehechte geldleenovereenkomst van de heer [gedaagde] en waarom is dit wel of waarom is dit niet het geval?”
benoemt tot deskundige:
Ing. C. Verhulst, werkzaam bij Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V.,
adres: Gronausestraat 710, Unit 710,
7534 AM Enschede
telefoon: 035 820 0347,
e-mailadres: info@nfob.nl,
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
begroot de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige op het bedrag van € 3.599,75 inclusief btw en stelt partijen in de gelegenheid binnen twee weken na datum vonnis schriftelijk bij de griffie van deze rechtbank hiertegen bezwaar te maken,
bepaalt dat:
- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige zal worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag, welk bedrag [eiser] moet voldoen binnen twee weken nadat van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LCDR) een nota is ontvangen,
- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de kantonrechter worden vastgesteld,
het onderzoek
bepaalt dat [eiser] - na vaststelling van het voorschot - het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025.