RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.333430.21 (P)
Datum vonnis: 1 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 november 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. J.W. Bosman, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging (opzet/schuld)witwassen van een door [bedrijf 1] B.V. aangeschafte partij Disqs.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
Hij,
op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21
november 2020 tot en met 23 november 2021 te [plaats], althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen,
(sub a)
van een of meer voorwerp(en), te weten een hoeveelheid disqs (bestaande uit het
restant van de door de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. aangeschafte partij disqs
(DOC-056)), althans een of meerdere disqs,
(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de
vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of
verborgen en/of verhuld heeft/hebben wie de rechthebbende(n) op
bovenomschreven voorwerp(en) is/was en/of wie bovenomschreven voorwerp(en)
voorhanden heeft/hebben gehad,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of
redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat de/het bovenomschreven voorwerp(en) -
onmiddellijk of middellijk - (deels) afkomstig was/waren uit enig(e) misdrij(f)(ven).
3. Vrijspraak
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde in de vorm van het verbergen/verhullen van de vindplaats/vervreemding/verplaatsing van de Disqs wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft gesteld dat in de keten van verkrijging meerdere strafbare feiten zoals valsheid in geschrift, verduistering en faillissementsfraude zijn gepleegd voordat verdachte de beschikking kreeg over de Disqs. Volgens de officier van justitie is dat ook niet betwist in de strafzaak tegen de heer [naam] , die via een onherroepelijke strafbeschikking is afgedaan. Verdachte had daarnaast redelijkerwijs moeten vermoeden dat de Disqs een criminele herkomst hadden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat (1) verdachte zich in Nederland schuldig heeft gemaakt aan enige witwasgedragingen, (2) verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verhullen en/of verbergen van de Disqs, (3) de Disqs uit misdrijf afkomstig waren en (4) verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Disqs uit misdrijf afkomstig waren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het dossier aanwijzingen bevat dat er strafbare feiten zijn gepleegd bij ofwel de beslaglegging dan wel de verkrijging van de Disqs door [bedrijf 2] en de latere (door)verkoop. De rechtbank wijst in dit verband op de vermoedens die de FIOD in het procesdossier heeft uitgewerkt van valsheid in geschrifte bij het opmaken van de pandovereenkomst die aan de oorspronkelijke beslaglegging ten grondslag lag en van faillissementsfraude omdat daarmee in het zicht van het faillissement van [bedrijf 2] een groot deel van het vermogen aan die onderneming werd onttrokken. Bij die (mogelijke) strafbare feiten was verdachte echter niet rechtstreeks betrokken, en de wel rechtstreeks betrokken verdachten hebben ontkend dat hun handelen strafbaar was. In het onderzoek tegen verdachte kan daarom niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de Disqs inderdaad (middellijk) van misdrijf afkomstig waren. Dat verdachte [naam] uiteindelijk een strafbeschikking zou hebben geaccepteerd doet daar niet aan af.
Nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld of er sprake is geweest van een verkrijgend grondmisdrijf en welk gronddelict dat dan zou zijn, komt de rechtbank niet toe aan de overige bewijsverweren. Verdachte zal van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
4. De beslissing
De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. R.P. van Eerde en mr. D. ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
Mr. J. van Bruggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.