[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Het UWV heeft de herzieningsaanvraag met het besluit van 4 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van verzoeker is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiƫle nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.Bij brief van 17 november 2025 is verzoeker er op gewezen dat hij zijn verzoek nader dient te onderbouwen. Het huidige verzoek van verzoeker heeft betrekking op een herzieningsverzoek in het kader van de Wet WIA. Het staat hem echter vrij om een bijstandsuitkering aan te vragen. De voorzieningenrechter heeft hem daarom verzocht aan te geven waarom sprake is van onverwijlde spoed in het kader van deze WIA herzieningsaanvraagVerzoeker voert hierover aan dat de voorzieningenrechter het UWV kan opdragen een passende tijdelijke inkomensondersteuning te verstrekken die zijn directe bestaansonzekerheid wegneemt. De voorzieningenrechter heeft verzoeker er echter op gewezen dat de Participatiewet in dat geval voorliggend is. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: