RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/340650 / HA ZA 25-390
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
LUC ANTONIUS MARIA STORTELDER q.q.,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van Rockin Burgers B.V.,
te Almelo ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator q.q.,
advocaat: mr. L.A.M. Stortelder,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2025 met 16 producties;
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Een kopie van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht. In het petitum van de dagvaarding staan de volgende vorderingen:
I. te verklaren voor recht dat de bestuurder zijn bestuurstaak (kennelijk) onbehoorlijk heeft vervuld en dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Rockin Burgers ;
II. te verklaren voor recht dat de bestuurder vanwege de onbehoorlijke taakvervulling hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van Rockin Burgers ;
III. de bestuurder te veroordelen tot het betalen aan de curator van het tekort in het faillissement van Rocking Burgers , voor zover dit niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, zoals dit na een te houden verificatievergadering zal komen vast te staan, te vermeerderen met de boedelvorderingen waaronder mede begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten met veroordeling van de bestuurder tot betaling aan de curator van een voorschot op het tekort in het faillissement van Rocking Burgers van € 300.000,-;
IV. te verklaren voor recht dat de bestuurder zijn bestuurstaak onbehoorlijk heeft vervuld jegens Rocking Burgers en hij aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Rocking Burgers geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van de bestuurder tot het betalen van een voorschot op die schade van € 198.000,-;
V. te verklaren voor recht dat de door de curator op 3 juli 2025 buitengerechtelijk vernietigde rechtshandelingen gekwalificeerd moeten worden als paulianeuze rechtshandelingen in de zin van artikel 42 Faillissementswet;
VI. te verklaren voor recht dat de curator de paulianeuze rechtshandelingen rechtsgeldig heeft vernietigd, althans om de bij brief van 8 oktober 2024 buitengerechtelijk vernietigde rechtshandelingen alsnog te vernietigen en de bestuurder te veroordelen om aan de curator te voldoen het bedrag van € 6.781,50, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 25 juni 2023, althans datum dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening;
VII. de bestuurder te veroordelen in de kosten van dit geding, de kosten van de conservatoire beslaglegging en de nakosten daarin begrepen.
In het lichaam van de dagvaarding is toegelicht dat de curator q.q met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid zowel primaire als subsidiaire vorderingen instelt. De primaire vorderingen zien op de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid uit artikel 2:248 BW. De subsidiaire vorderingen betreffen de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW.
Uit het lichaam van de dagvaarding volgt verder dat de onder I en II gevorderde verklaringen voor recht in het licht moeten worden gezien van vordering III. Verder blijkt uit het lichaam van de dagvaarding dat bedoeld is tot een verklaring voor recht te komen die ziet op de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW. Voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW is onder meer vereist dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Het woord ‘kennelijk’ is niet opgenomen in de onder II gevorderde verklaring voor recht, maar wel in de onder I gevorderde verklaring voor recht. De rechtbank zal de twee afzonderlijk gevorderde verklaringen voor recht dus tezamen beoordelen. De te beoordelen verklaring voor recht luidt dan als volgt:
- te verklaren voor recht dat de bestuurder zijn bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, dat die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Rockin Burgers en dat de bestuurder daarom hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van Rockin Burgers .
De rechtbank zal de onder vordering VI gevraagde vernietiging van de gestelde paulianeuze handelingen behandelen als een subsidiaire vordering. De rechtbank komt aan vernietiging immers niet toe als de buitengerechtelijke vernietiging door de curator als rechtsgeldig wordt beoordeeld. Omwille van de leesbaarheid wordt de onder VI gevorderde verklaring voor recht samengenomen met de onder V gevorderde verklaring voor recht.
De curator q.q. vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is toewijsbaar. Dat volgt uit artikel 706 Rv. De beslagkosten worden vastgesteld op € 2.316,30 inclusief BTW voor kosten deurwaardersexploten (zijnde het in de dagvaarding opgenomen bedrag van € 2.435,70 minus de kosten van de dagvaarding in hoofdzaak, die immers al met de proceskosten in hoofdzaak worden gevorderd), € 331,00 voor griffierecht en € 3.502,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 3.502,00). De beslagkosten belopen daarmee in totaal € 6.149,30.
Tegen voormelde achtergrond komen de primaire vorderingen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De primaire vorderingen zullen daarom worden toegewezen. Aan de subsidiaire vorderingen komt de rechtbank dus niet toe.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator q.q. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
2.392,00
- salaris advocaat
€
3.502,00
(1 punt × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.191,40
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat [gedaagde] zijn bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, dat die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Rockin Burgers B.V. en dat [gedaagde] daarom hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van Rockin Burgers B.V.;
veroordeelt [gedaagde] om aan de curator q.q. een schadevergoeding te betalen ter hoogte van het tekort in het faillissement van Rockin Burgers B.V., voor zover dit niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, zoals dit na een te houden verificatievergadering zal komen vast te staan, te vermeerderen met de boedelvorderingen waaronder mede begrepen het salaris van de curator en de overige faillissementskosten;
veroordeelt [gedaagde] om aan de curator q.q. een voorschot te betalen op de onder 3.2 genoemde schadevergoeding, ter hoogte van € 300.000,-;
verklaart voor recht dat de door de curator op 3 juli 2025 buitengerechtelijk vernietigde rechtshandelingen gekwalificeerd moeten worden als paulianeuze rechtshandelingen in de zin van artikel 42 Faillissementswet en dat de curator deze paulianeuze rechtshandelingen op 3 juli 2025 rechtsgeldig heeft vernietigd;
veroordeelt [gedaagde] om aan de curator q.q. te betalen een bedrag van € 6.781,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juni 2023, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 6.149,30;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.191,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.