RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna: [eiser])
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/366
en
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: mr. M.T.M. Vroklage).
Deze uitspraak gaat over het besluit van het college op een verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid. Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van documenten die zien op het al dan niet toestaan en verlenen van vergunningen aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers voor de bouw van een asielzoekerscentrum in Albergen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 september 2023. Het college heeft binnen de reikwijdte van dit verzoek 721 documenten gevonden en (deels) openbaar gemaakt. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij vindt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom bepaalde onderdelen niet openbaar zijn gemaakt. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een goed besluit heeft genomen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
1. [eiser] heeft bij brief van 1 september 2023 een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) ingediend. Het college heeft op dit verzoek beslist met het besluit van 20 juni 2024.
Hangende het door hem ingediende bezwaar heeft [eiser] de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 13 augustus 2024 is dit verzoek afgewezen.
Met het bestreden besluit van 16 december 2024 heeft het college het bezwaar van [eiser], onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij brief van 25 januari 2025 heeft [eiser] een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
2. [eiser] heeft het college verzocht om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op het al dan niet toestaan en verlenen van vergunningen aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers voor de bouw van een asielzoekerscentrum in Albergen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 september 2023.
Besluitvorming
3. Naar aanleiding van het Woo-verzoek heeft het college gezocht in de (digitale) archiefsystemen van de gemeente Tubbergen en de e-mailboxen en telefoons van de betrokken medewerkers. Na ontdubbelen en een toetsing op de reikwijdte van het verzoek heeft het college 721 documenten aangetroffen die binnen de reikwijdte van het verzoek van [eiser] vallen. Het college heeft als uitgangspunt gehanteerd dat de informatie openbaar wordt gemaakt, tenzij een van de uitzonderingsgronden reden geeft de informatie niet openbaar te maken. Op de inventarislijst is per document vermeld welke uitzonderingen op de openbaarmaking zijn toegepast.
Overweging vooraf
4. [eiser] is voor het door hem ingestelde beroep € 194,- aan griffierecht verschuldigd. Bij brief van 25 januari 2025 heeft [eiser] verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank stelt vast dat [eiser] zich ten tijde hiervoor van belang in detentie bevond. Op grond hiervan wordt het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toegewezen.
Bespreking van de gronden van beroep
5. De rechtbank overweegt allereerst dat het college in het bestreden besluit op de gronden van bezwaar is ingegaan. Voor zover [eiser] geen redenen heeft aangevoerd waarom de weerlegging van de gronden van bezwaar in het bestreden besluit onjuist is, bestaat met de enkele verwijzing naar de gronden van bezwaar geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
6. Volgens [eiser] is gesteld noch gebleken dat de gelakte stukken vallen onder de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo.
7. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo luidt:
Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
(…)
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
(…).
Het college heeft bij deze uitzonderingsgrond overwogen dat het hier gaat om gegevens waaruit informatie kan worden afgelezen of afgeleid over de technische bedrijfsvoering, het productieproces, de afzet van producten of de afnemers of leveranciers. Ook financiële gegevens kunnen als bedrijfs- en fabricagegegevens worden aangemerkt. De informatie waar [eiser] om heeft gevraagd gaat onder andere over offertes en vertrouwelijk verstrekte prijsopgaven. Uit de informatie die aan het college is medegedeeld in het kader van geleverde producten/diensten aan de gemeente Tubbergen, kan worden afgeleid welke tarieven de leveranciers vragen voor uitvoering van specifieke werkzaamheden. Het college heeft deze informatie daarom niet openbaar gemaakt. Het college heeft in de inventarislijst aangegeven bij welke documenten deze uitzonderingsgrond is toegepast.
Gelet op deze toelichting door het college en de opgestelde inventarislijst volgt de rechtbank [eiser] niet in het betoog dat het college niet heeft gesteld dat de gelakte stukken onder van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo vallen. Evenmin wordt [eiser] gevolgd in het betoog dat niet is gebleken dat het college met toepassing van deze uitzonderingsgrond bepaalde gegevens niet openbaar heeft gemaakt.
8. Volgens [eiser] is de belangenafweging ten aanzien van de toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo onvoldoende gemotiveerd.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo luidt:
Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
(…)
b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
(…).
In het bestreden besluit heeft het college bij deze uitzonderingsgrond overwogen dat de verzochte informatie niet openbaar is gemaakt, omdat openbaarmaking van deze informatie negatieve gevolgen kan hebben voor de privaatrechtelijke verhouding met een onderneming of burger. Bij diverse documenten is dit het geval gebleken. De financiële belangen van de gemeente worden geschaad als bekend wordt welke prijs de gemeente bereid is te betalen voor diensten van leveranciers. De onderhandelingspositie van de gemeente kan door openbaarmaking van de betreffende gegevens in de toekomst slechter worden. Het college heeft daarom het belang van de onderhandelingspositie van de gemeente zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarheid van de betreffende informatie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee voldoende gemotiveerd waarom de openbaarmaking van de in het besluit genoemde documentonderdelen op deze grond geweigerd is. Dat het niet voor de hand ligt dat er nog een AZC zal komen in de gemeente zodat van concurrentie geen sprake is, zoals door [eiser] is betoogd, doet hier niet aan af. Het gaat om de onderhandelingspositie van de gemeente in de toekomst in algemene zin en daarbij is niet relevant of er nog een AZC kan of zal worden geopend.
9. [eiser] is van mening dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd wat betreft de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo. Niet is gebleken dat uit de zienswijze procedure een belang naar voren is gekomen dat de weigering billijkt.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo luidt:
Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
(…)
f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
(…).
Het college heeft de toepassing van deze uitzonderingsgrond gemotiveerd door te overwegen dat in bepaalde documenten bedrijfs- en/of fabricagegegevens staan en daaruit
wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot het fabricageproces of de strategie van een onderneming. Concurrenten kunnen daar hun voordeel mee doen en dat is niet wenselijk voor de partij die de gegevens met de overheid heeft gedeeld. Het college vindt dit belang zwaarder wegen dan het belang van openbaarheid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat het college geen toepassing heeft kunnen geven aan de uitzonderingsgrond over bedrijfs- en/of fabricagegegevens. Zoals ook door het college in het verweerschrift is aangegeven, heeft het college niet naar aanleiding van ontvangen zienswijzen de informatie geweigerd, maar heeft zij daarin een eigen afweging gemaakt. Eiser heeft geen aanknopingspunten aangereikt voor de conclusie dat het college niet in redelijkheid tot deze afweging heeft kunnen komen. Evenmin zijn voldoende aanknopingspunten aangereikt voor de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
10. Volgens [eiser] is het niet aannemelijk dat alle (interne) communicatie, zoals e-mails en whatsapp-berichten, zijn geopenbaard. Gelet op de hoeveelheid handelingen en de omvang van het project moet er volgens [eiser] meer zijn.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
Het college heeft in het verweerschrift nader toegelicht hoe de zoekslag naar aanleiding van het Woo-verzoek van [eiser] is uitgevoerd. De lijst met zoektermen zit bij de processtukken.
Met de omschrijving van de zoekslag in het bestreden besluit en de aanvullende toelichting in het verweerschrift heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de zoekslag is uitgevoerd. Het door het college uitgevoerde onderzoek naar aanleiding van het Woo-verzoek van [eiser] is volledig geweest. De mededeling van het college dat er niet meer documenten onder hem berusten, komt de rechtbank daarom niet ongeloofwaardig voor. Het is dan aan [eiser] om aannemelijk te maken dat er meer documenten onder het college berusten. Met de enkele stelling dat er meer informatie (zoals e-mails en whatsapp-berichten) moet zijn, zonder onderbouwing van die stelling, is [eiser] hierin niet geslaagd.
11. Volgens [eiser] heeft het college niet gesteld waarom er niet secuurder gelakt kon worden. Ter zitting is duidelijk geworden dat [eiser] hiermee heeft bedoeld te betogen dat het college te grote stukken tekst niet openbaar heeft gemaakt.
Desgevraagd heeft [eiser] deze beroepsgrond niet gespecificeerd en heeft hij geen begin van een onderbouwing gegeven ten aanzien van de stelling dat de weigeringsgronden te ruim zijn toegepast. Hij heeft niet gespecificeerd bij welk document of bij de toepassing van welke weigeringsgrond het niet secuur genoeg lakken aan de orde is. Alleen de enkele stelling van [eiser] dat het college in algemene zin niet secuur genoeg heeft gelakt, is onvoldoende voor het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en [eiser] geen gelijk krijgt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.