ECLI:NL:RBOVE:2025:7454

ECLI:NL:RBOVE:2025:7454, Rechtbank Overijssel, 16-12-2025, 11523398 \ CV EXPL 25-380

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer 11523398 \ CV EXPL 25-380
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Gedaagde huurt een woning van SWZ. Gedaagde heeft een huurachterstand laten ontstaan. SWZ vordert betaling van de huurachterstand, rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst de vorderingen toe.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11523398 \ CV EXPL 25-380

Vonnis van 16 december 2025

in de zaak van

WONINGSTICHTING SWZ,

te Zwolle,

eisende partij,

hierna te noemen: SWZ,

gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden,

tegen

IJSSEL BEWINDVOERING B.V. in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde]

te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 januari 2025,- de conclusie van antwoord van 8 april 2025,

- de conclusie van repliek van 25 april 2025,

- de conclusie van dupliek van 1 juli 2025,

- de aanvullende producties 17 tot en met 21 van SWZ,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de e-mail van SWZ van 27 oktober 2025,

- de aanvullende productie 22 van SWZ,

- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Samenvatting

[gedaagde] huurt een woning van SWZ. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. SWZ vordert betaling van de huurachterstand, rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst de vorderingen toe. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3. De feiten

[gedaagde] huurt van SWZ de woning aan de [adres]. De huurprijs bedraagt – na huurprijsverhoging van 1 juli 2025 – € 698,27.

[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. SWZ heeft [gedaagde] herhaaldelijk aangemaand en op 13 november 2024 de laatste aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toegezonden.

4. Het geschil

SWZ vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.042,87 aan huurachterstand, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 over een bedrag van € 870,57 tot de voldoening en een bedrag van € 121,64 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

SWZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, omdat [gedaagde] de huur niet, niet op tijd of niet volledig betaalt. Op het moment van dagvaarden was de huurachterstand € 870,57 berekend tot en met 31 januari 2025. Op het moment van de mondelinge behandeling is de huurachterstand opgelopen tot € 2.042,87 berekend tot en met 31 november 2025.

Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat sprake is van een huurachterstand. Volgens hem is de huurachterstand ontstaan in februari 2024 door handelen van SWZ zelf. [gedaagde] heeft namelijk noodgedwongen een hondenrolstoel van € 500,00 moeten kopen, omdat zijn vorige hondenkarretje is verwijderd door SWZ. Aangezien [gedaagde] leeft van een bijstandsuitkering moet hij keuzes maken. Hij heeft ervoor gekozen om een keer geen huur te betalen en in plaats daarvan een nieuwe hondenkar aan te schaffen. [gedaagde] was voornemens om de huurachterstand te betalen met zijn vakantiegeld, maar dat is niet gelukt omdat onder andere zijn hond ziek was geworden en hij daarvoor kosten moest maken en hij bovendien zelf veel last heeft van gezondheidsklachten door long-covid. [gedaagde] heeft geprobeerd hierover in gesprek te gaan met SWZ, maar hij voelt zich niet gehoord. SWZ heeft geen begrip getoond voor zijn gezondheidsklachten. Verder heeft hij veel last van tocht in de woning. Tot slot is [gedaagde] het niet eens met de huurverhoging van 1 juli 2025.

SWZ heeft bij conclusie van repliek en ter zitting gereageerd op de stellingen van [gedaagde]. Volgens SWZ heeft [gedaagde] vaker een huurachterstand laten ontstaan. Dit heeft op 1 juli 2014 geresulteerd in een vonnis, terwijl SWZ ook tweemaal een huurachterstand heeft kwijtgescholden. Over het hondenkarretje heeft SWZ aangevoerd dat de wijkconsulent en de huismeester [gedaagde] meerdere malen hebben verzocht om het karretje van de galerij te verwijderen in verband met de (brand)veiligheid. Omdat [gedaagde] het karretje niet zelf heeft verwijderd, heeft SWZ het karretje zelf weggehaald en dit zowel mondeling als per e-mail aan [gedaagde] medegedeeld. SWZ is bekend met de klacht van [gedaagde] over de tocht. Zij is bezig de oorzaak van de klacht te onderzoeken en te behandelen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Huurachterstand

In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] de door SWZ gestelde huurachterstand moet betalen. De kantonrechter vindt van wel. Volgens [gedaagde] heeft hij inderdaad een huurachterstand. Hij heeft ook uitgelegd hoe die achterstand is ontstaan, namelijk doordat hij keuzes moet maken in waar hij zijn geld aan uitgeeft en dat betekent dat soms andere dingen voor de huur gaan. Hij wil de achterstand wel terugbetalen, maar met een minimuminkomen is dat heel moeilijk, eigenlijk onmogelijk. Door zijn slechte gezondheid kan hij niet werken en is hij afhankelijk van een bijstandsuitkering. Alles wordt steeds duurder, en het is steeds lastiger om van de bijstand rond te komen. [gedaagde] ervaart de afhankelijkheid van het ontoereikende sociale vangnet als vernederend en onmenselijk, en ontmoet weinig begrip - onder andere bij SWZ - voor zijn persoonlijke omstandigheden. Om zijn financiële situatie zoveel als mogelijk op de rit te krijgen en te houden heeft hij zelf om bewindvoering gevraagd en ook verkregen, aldus [gedaagde]. De bewindvoerder is per half oktober 2025 benoemd, en is sindsdien bezig overzicht te verkrijgen en dingen te regelen.

Hoe voorstelbaar ook wat [gedaagde] schetst over zijn persoonlijke situatie, dat neemt de betalingsverplichting voor de huur niet weg. Dat SWZ in het verleden tot kwijtschelding is overgegaan betekent niet dat zij daartoe nu opnieuw gehouden is. SWZ heeft ook voldoende duidelijk gemaakt dat aan het verwijderen van de hondenkar verzoeken en waarschuwingen vooraf zijn gegaan. De kantonrechter ziet daarom geen grond om aan te nemen dat [gedaagde] de aanschafkosten van een nieuw kar kon verrekenen met de huurbetalingen aan SWZ.

Over de huurverhoging per 1 juli 2025 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat deze voldoet aan de wettelijke eisen, zodat SWZ terecht om betaling daarvan vraagt. Er is verder niet gebleken van een grond om minder huur te betalen vanwege gebrekkig onderhoud of tocht, zodat [gedaagde] gehouden is de volledige huur te betalen.

Toekomstige huur

SWZ vordert daarnaast – zo leest de kantonrechter – betaling van de toekomstige huurtermijnen. SWZ heeft haar vordering niet gemotiveerd, bijvoorbeeld door te stellen dat zij goede gronden heeft om te vrezen dat [gedaagde] de huur in de toekomst niet zal betalen. De kantonrechter wijst de vordering van SWZ tot betaling van toekomstige huur daarom af.

Bijkomende kosten

De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval, behalve voor de buitengerechtelijke incassokosten.

De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen, zoals in de beslissing is vermeld.

Artikel 13.2 van de algemene huurvoorwaarden huurovereenkomst (6 december 2011) betreft een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:

‘De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft en bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 25,- vermeerderd met het geldend BTW-percentage.’

De kantonrechter overweegt het volgende. Volgens bovenstaand beding zijn de incassokosten al verschuldigd zodra de vordering uit handen wordt gegeven. De wettekst schrijft voor dat er eerst een ‘veertiendagenbrief’ moet worden verstuurd. Pas als de schuldenaar de achterstallige hoofdsom na die veertien dagen nog niet heeft betaald, wordt hij daarbovenop incassokosten verschuldigd. Daarnaast is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van de hoofdsom, deze bepaling wijkt af van de tarieven zoals opgenomen in het Besluit incassokosten. De kantonrechter is hierom van oordeel dat dit beding ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten. Daarmee wordt het beding als oneerlijk beoordeeld en is de consument daaraan niet gebonden. De buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar. Nu sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk, zie HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68.

Proceskosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gelet op de aard en de inhoud van de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek en de mondelinge behandeling ziet de kantonrechter aanleiding om twee punten voor salaris gemachtigde toe te wijzen. De proceskosten van SWZ worden daarmee begroot op:

- kosten van de dagvaarding

146,15

- griffierecht

340,00

- salaris gemachtigde

270,00

(2 punten × € 135,00)

- nakosten

67,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

823,65

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan SWZ te betalen een bedrag van € 2.042,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 870,57, met ingang van 30 januari 2025 (de dag van de dagvaarding), tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 823,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. (jm)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?