RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser, hierna: [eiser]
De minister van Economische Zaken, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/235
en
(gemachtigde: mr. E. van Kerkhoven).
Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid. Eiser heeft de minister verzocht om alle informatie over [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De minister heeft gezocht, maar heeft de gevaagde documenten niet aangetroffen. Volgens eiser moet de minister over de documenten beschikken. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Procesverloop
1. [eiser] heeft op 10 januari 2024 een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) bij de minister ingediend. De minister heeft op dit verzoek beslist met een besluit van 7 maart 2024.
Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij dit besluit gebleven.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , bijgestaan door [naam 2], en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
2. [eiser] heeft bij brief van 10 januari 2024 een Woo-verzoek bij de minister ingediend en gevraagd om alle informatie die betrekking heeft op [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (veehouderijbedrijf). In het verzoek is verder vermeld dat het gaat om alle contacten, zowel intern als extern, met derden, zoals het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV), inclusief al zijn (sub)afdelingen, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA), de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) en anderen en alle overige (overheids)instanties. [eiser] heeft in zijn Woo-verzoek aangegeven dat het gaat om alle voornoemde informatie vanaf 2014.
Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de minister op het Woo-verzoek van [eiser] beslist. De minister heeft het verzoek niet ingewilligd, omdat na een intensieve zoekslag is gebleken dat de gevraagde documenten niet bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat zijn aangetroffen.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
De minister heeft naar aanleiding van het bezwaar het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit is overwogen dat er, ondanks herhaald zoeken, geen documenten bij de minister zijn aangetroffen die vallen onder het Woo-verzoek van [eiser] . De minister heeft toegelicht dat als gevolg van de opheffing van de productschappen de melkquoteringsregeling met ingang van 1 januari 2014 is overgegaan naar het ministerie van Economische Zaken. De RVO heeft vanaf 1 januari 2014 deze regeling uitgevoerd voor het ministerie van Economische Zaken. De minister heeft toegelicht dat er niet altijd een ministerie van LNV heeft bestaan en dat de RVO en de NVWA uitvoeringsorganisaties zijn met taken op het gebied van landbouw. Tussen oktober 2010 en oktober 2017 vielen deze uitvoeringsorganisaties onder het ministerie van Economische Zaken. Naar aanleiding van het bezwaar van [eiser] heeft de minister opnieuw gezocht in de digitale archiefsystemen met verschillende zoektermen. De met deze zoektermen gevonden documenten staan vermeld op overzichten. Op grond van de inhoud van het betreffende document staat vast dat geen enkel document betrekking heeft op het Woo-verzoek van [eiser] . De informatie die [eiser] zoekt, is bij de minister niet aanwezig.
Gronden van beroep
4. [eiser] heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat er documenten bij de minister moeten zijn. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat het gaat om beleid dat specifiek gemaakt is ten aanzien van zijn bedrijven en beleid wordt op het kerndepartement gemaakt. [eiser] heeft verder betoogd dat het bestreden besluit aantoont dat ieder naar de ander wijst en niemand verantwoordelijkheid meent af te hoeven leggen. Volgens [eiser] had de minister het Woo-verzoek eventueel moeten doorzenden naar de RVO en de NVWA als de minister niet verantwoordelijk is voor de uitvoering van bepaalde wetten of regelingen.
Beoordeling
5. Het is vaste rechtspraak dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
6. De minister heeft uiteengezet hoe de zoekslag naar aanleiding van het Woo-verzoek van [eiser] heeft plaatsgevonden. Er is gezocht in de digitale archiefsystemen van het ministerie van Economische Zaken. Er is gezocht met de zoektermen 'veehouderijbedrijf [bedrijf 1] ', ' [bedrijf 1] ', ' [bedrijf 2] ' en ' [eiser] '. Daarbij zijn geen documenten gevonden. Naar aanleiding van wat [eiser] in bezwaar naar voren heeft gebracht heeft de minister opnieuw gezocht in de digitale archiefsystemen en is gezocht met de zoektermen 'superheffing', 'koperserkenning', 'vee-ophalingen', 'geweld [eiser] ', 'fosfaatreductieplan – fosfaatrechten' en 'positie [eiser] Handelsmaatschappij fosfaatreductieplan'. Vervolgens is nog gezocht met de volgende zoektermen: 'fosfaatreductieplan en [bedrijf 1] ', 'fosfaatreductieplan en [eiser] ', 'fosfaatreductieplan en [eiser] Handelmaatschappij', 'fosfaatreductieplan of fosfaatrechten of [eiser] of [bedrijf 1] ', 'geweld [eiser] of [bedrijf 1] ', 'koperserkenning en [bedrijf 1] ', 'koperserkenning en [eiser] ', 'superheffing en [bedrijf 1] ', 'superheffing en [eiser] ', 'vee-ophalingen en [bedrijf 1] ', 'vee-ophalingen en [eiser] ' en ' [eiser] en [naam 1] '.
7. De rechtbank overweegt dat de minister hiermee inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag is uitgevoerd. De gehanteerde zoektermen volgen uit het Woo-verzoek en er zijn geen aanknopingspunten dat de zoekslag onzorgvuldig is uitgevoerd. De minister heeft naar aanleiding van de bezwaarprocedure verder een aanvullende zoekslag verricht. Het onderzoek naar aanleiding van het Woo-verzoek van [eiser] is daarmee naar het oordeel van de rechtbank volledig geweest.
8. Het betoog dat de door [eiser] gevraagde documenten onder de minister moeten berusten omdat beleid op het kerndepartement wordt gemaakt en er beleid ten aanzien van zijn bedrijven is gemaakt, volgt de rechtbank niet. De minister heeft toegelicht, dat algemeen beleid op het kerndepartement wordt gemaakt en dat door organisaties, zoals de RVO en de NVWA, naar individuele gevallen wordt gekeken. De minister neemt geen beslissingen in het kader van de melkquoteringsregeling of een andere regeling die specifiek zijn gericht op het bedrijf of de koperserkenning van [eiser] . Deze toelichting komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Dat in een door [eiser] aangedragen e-mailbericht het ministerie van Economische Zaken wel in de ondertekening voorkomt, maakt dit niet anders. De minister heeft hier een afdoende verklaring voor gegeven met de toelichting dat de RVO en de NVWA uitvoeringsorganisaties zijn met taken op het gebied van landbouw en dat zij in de periode tussen oktober 2010 en oktober 2017 onder het ministerie van Economische Zaken vielen. Hierdoor is het mogelijk dat personen in deze organisaties in de betreffende periode e-mailadressen van het ministerie van Economische Zaken hadden, of dat in de handtekening in e-mails de naam van het ministerie van Economische Zaken staat vermeld. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat het ministerie van Economische Zaken als departement inhoudelijk betrokken was bij concrete dossiers van de RVO of de NVWA of dat de door [eiser] gevraagde documenten bij het ministerie van Economische Zaken zouden moeten berusten. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de stelling van de minister dat er niet meer documenten onder hem berusten, de rechtbank voldoende geloofwaardig voor komt en [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er wel documenten onder de minister berusten.
9. Voor zover [eiser] heeft beoogd te betogen dat de minister zijn Woo-verzoek had moeten doorzenden naar de RVO en NVWA, slaagt dit beroep niet. De minister heeft toegelicht dat het stafbureau van de Woo-unit van de directie Wetgeving en Juridische Zaken in het kader van het Woo-verzoek van [eiser] zowel bij de RVO-EZK als bij de NVWA navraag heeft gedaan of er bij de RVO en de NVWA documenten zijn die [eiser] zoekt. De NVWA heeft aangegeven dat in 2023 in drie besluiten op Woo-verzoeken aan [eiser] is bericht dat de NVWA geen documenten over hem heeft en dat de NVWA twee verzoeken heeft doorgezonden aan de RVO. De RVO-EZK heeft aangegeven dat bij het EZ-deel van de RVO geen documenten zijn die [eiser] zoekt. Elk dienstonderdeel heeft zelfstandig gezocht naar de documenten waar het [eiser] om gaat of reeds op Woo-verzoeken beslist die op die documenten zien. De rechtbank overweegt verder dat [eiser] ter zitting heeft erkend dat hij eerder rechtstreeks Woo-verzoeken bij de RVO en de NVWA heeft ingediend. Onder deze omstandigheden rustte er naar het oordeel van de rechtbank geen doorzendplicht op de minister. De minister heeft hier kunnen volstaan met het zelf beslissen op het Woo-verzoek en het inwinnen van inlichtingen bij de RVO en de NVWA.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.