RECHTBANK OVERIJSSEL
beslissing
Wrakingskamer
Zittingsplaats: Almelo
zaaknummer: C/08/341590 KG RK 25-551
Beslissing van 19 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking.
1. De procedure
In de strafzaak tegen verzoeker onder parketnummer 96.391310.24 heeft op 24 november 2025 een openbare terechtzitting plaatsgevonden, alwaar mr. M.S. de Waard zitting had.
Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft verzoeker een mondeling verzoek tot wraking van mr. De Waard gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek van 24 november 2025.
2. De beoordeling
De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek van verzoeker zonder mondelinge behandeling kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 5, lid 2, onder a en b, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Overijssel van 10 november 2020.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat hij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
De wrakingskamer is van oordeel dat er geen sprake is van vooringenomenheid en ziet ook geen aanwijzingen voor een objectief gerechtvaardigde vrees hiervoor. De enkele omstandigheid dat mr. De Waard zijn paspoort ter identificatie op verzoek van verzoeker niet heeft laten zien, is onvoldoende. Dit geldt ook voor het antwoord van mr. De Waard op de vraag van verzoeker of het recht op vrijheid van meningsuiting 100% is. Het antwoord van mr. De Waard dat vrijheid van meningsuiting een grondrecht is, maar dit recht kan worden beperkt, is een uitleg van de wet. Hieruit kan naar het oordeel van wrakingskamer, anders dan verzoeker naar aanleiding van deze mededeling van mr. De Waard heeft aangevoerd, niet worden afgeleid dat de kantonrechter verzoeker (op voorhand) heeft beperkt in zijn recht om zichzelf te verdedigen of door zijn optreden en uitlatingen de indruk heeft gewekt dat te zullen doen. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit een en ander in onderling verband en samenhang bezien niet worden opgemaakt dat bij mr. De Waard sprake is van vooringenomenheid. Verzoeker heeft verder geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit de wrakingskamer vooringenomenheid van mr. De Waard kan afleiden of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer komt daarmee dus tot de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
3. De beslissing
De wrakingskamer
verklaart het verzoek kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, H.T. Pos en H. Manuel in tegenwoordigheid de griffier, en in openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.