ECLI:NL:RBOVE:2025:7549

ECLI:NL:RBOVE:2025:7549, Rechtbank Overijssel, 23-12-2025, ak_25_2061

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer ak_25_2061
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het herzieningsverzoek van eisers. Eisers hebben een verzoek ingediend bij de SVB om terug te komen op besluitvorming rondom hun aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun herzieningsverzoek; zij zijn van mening dat zij nieuwe feiten en omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan de SVB tot een ander oordeel zou moeten komen. Beroep gegrond. Besluit is onvoldoende gemotiveerd, gelet op het toetsingskader.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats], eisers

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

Samenvatting

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/2061

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),

en

(gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het herzieningsverzoek van eisers. Eisers hebben een verzoek ingediend bij de SVB om terug te komen op besluitvorming rondom hun aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun herzieningsverzoek; zij zijn van mening dat zij nieuwe feiten en omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan de SVB tot een ander oordeel zou moeten komen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen dus gelijk en het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 worden de beroepsgronden vermeld. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Namens eisers is op 29 mei 2024 verzocht om terug te komen op besluitvorming rondom hun AIO-aanvulling. De SVB heeft dit verzoek met het besluit van 7 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de SVB bij de afwijzing van het verzoek gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de SVB.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Eisers ontvangen een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Met ingang van 1 april 2015 is aan hen in aanvulling hierop een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend.

Bij verschillende brieven zijn eisers geïnformeerd over de verplichtingen die aan deze AIO-aanvulling verbonden zijn, waaronder het melden van vermogen in het buitenland.

Naar aanleiding van een anonieme tip van 5 juni 2018, inhoudende dat eiseres een pensioen zou ontvangen van het SGK in Turkije, is de SVB een onderzoek gestart naar het recht op AIO-aanvulling van eisers. Uit dossieronderzoek is de SVB niet gebleken dat eiseres een Turks pensioen ontvangt en ook verder zijn geen bijzonderheden gebleken met betrekking tot vermogen/inkomen uit Turkije.

Vervolgens heeft de SVB verschillende keren bij eisers informatie opgevraagd. Uiteindelijk is uit de verkregen informatie gebleken dat eiseres sinds 1 juni 2016 een pensioen ontvangt uit Turkije.

Bij besluit van 15 januari 2019 heeft de SVB de AIO-aanvulling van eisers over de periode van 1 juni 2016 tot en met december 2018 herzien. Tegen dit besluit hebben eisers geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

Bij besluit van 4 maart 2019 heeft de SVB van eisers een bedrag van € 13.937,91 teruggevorderd en aan hen een boete opgelegd van € 5.533,33.

Bij besluit van 14 juni 2019 heeft de SVB het hiertegen gerichte bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2020 heeft deze rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 oktober 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De SVB heeft aan eisers een betalingsregeling opgelegd voor aflossing van de terugvordering en de boete.

Op 29 mei 2024 is namens eisers een verzoek gedaan aan de SVB om “tot een herberekening te komen”. De reden daarvoor is dat het Turkse pensioen, dat redengevend was voor de besluiten van 15 januari 2019 en 4 maart 2019, in maart 2024 is stopgezet en dat het SGK in Turkije heeft bepaald dat het volledige pensioen moet worden terugbetaald. Eisers moeten nu dus een bedrag dat zij één keer hebben ontvangen, twee keer terugbetalen.

Bij besluit van 7 maart 2025 heeft de SVB besloten “de beslissing niet aan te passen”, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn genoemd. Ook is geen sprake van een onjuiste beslissing.

Eisers hebben bezwaar gemaakt.

In het bestreden besluit van 23 juli 2025 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. De SVB stelt dat, omdat het pensioen van eiseres pas in 2024 is teruggevorderd, “dit niet als reden voor het verzoek om herziening kan worden aangenomen”. Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd. In de bezwaarprocedure wordt aan de evenredigheid van de beslissing niet toegekomen. Daar zullen eisers apart bericht van ontvangen.

Beroepsgronden

4. Eisers stellen dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en inzichtelijk is.

De SVB motiveert niet duidelijk of de terugvordering van het Turkse pensioen niet wordt gezien als nieuw feit, of dat de inhoud van de omstandigheid niet kan maken dat tot herziening wordt overgegaan. Ook wordt niet gemotiveerd waarom het dan geen nieuw feit zou zijn of waarom het niet tot herziening zou kunnen leiden. Het is tevens onduidelijk of het bestreden besluit enkel betrekking heeft op het verzoek tot herziening van het besluit van 19 januari 2019 of ook op het besluit van 4 maart 2019.

Kennelijk wordt de tijdsperiode tussen de eerdere besluiten van de SVB en het moment van intrekken en terugvorderen van het Turks pensioen relevant geacht, maar de SVB motiveert geenszins waarom deze tijdsperiode maakt dat geen sprake is van een nieuw feit. Het is voor eisers verder volstrekt onduidelijk waarom een heroverweging van het bestreden besluit op grond van het evenredigheidsbeginsel niet kan passen in een (bezwaar)procedure die gaat over een (eerder gedaan) herzieningsverzoek.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit, waarbij de vraagt voor ligt of de SVB het herzieningsverzoek met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft mogen afdoen.

6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de SVB ten onrechte niet heeft onderkend dat het herzieningsverzoek van 29 mei 2024 niet alleen betrekking heeft op het besluit van 19 januari 2019, maar ook op het besluit van 4 maart 2019.

In het verzoek van 29 mei 2024 is weliswaar niet duidelijk aangegeven van welk besluit men precies herziening wil, maar het is aan het bestuursorgaan om dat duidelijk te krijgen, temeer omdat het verzoek is ingediend door een niet-juridisch geschoolde burger.

Eisers wilden, zoals hun dochter in het verzoek aangaf, dat de SVB tot een herberekening zou komen, omdat ze nu niet alleen de boete en de te veel ontvangen AIO-aanvulling moeten betalen, maar ook het Turske pensioen moeten terugbetalen. Een bedrag dat ze één keer hebben ontvangen, moeten ze nu twee keer terugbetalen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke aanwijzing dat eisers wilden dat er iets zou veranderen aan de terugvordering en boete, welke voortvloeien uit het besluit van 4 maart 2019.

Zelfs als het de SVB in de primaire fase niet duidelijk was waar het verzoek precies op zag, dan bleek dit naar het oordeel van de rechtbank alsnog duidelijk uit de aanvullende gronden van bezwaar van 14 april 2025. Hierin maakt de gemachtigde duidelijk dat eisers herziening wensen van de beslissingen (meervoud) die zijn genomen omtrent herziening/intrekking, terugvordering en bestuurlijke boete.

Namens de SVB is ter zitting van de rechtbank bevestigd dat het bestreden besluit alleen ziet op het besluit van 15 januari 2019. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de SVB de herzieningsaanvraag te beperkt heeft opgevat en dat de SVB ten onrechte niet (ook) heeft beslist op het verzoek om herziening ten aanzien van het besluit van 4 maart 2019. Reeds om die reden is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

7. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Uit de uitspraak van 20 december 2016 van de CRvB vloeit voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

Als van dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is gebleken, dan dient het bestuursorgaan de vraag te beantwoorden of deze nieuwe feiten of omstandigheden, als ze eerder bekend waren geweest, tot een ander besluit hadden geleid.

Het bestreden besluit vermeldt:

“(..) Wij hebben gekeken of er feiten en omstandigheden waren die, toen wij de beslissingen van 15 januari 2019 namen, nog niet bij ons bekend waren. Wij hebben vastgesteld dat het intrekken en terugvorderen van het Turks pensioen pas in 2024 heeft plaatsgevonden. Dat kunnen we niet als reden voor het verzoek om herziening aannemen.”

De rechtbank kan eisers volgen in hun betoog dat uit bovenstaand citaat niet kan worden afgeleid of de SVB zich op het standpunt stelt dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hierboven gedefinieerd, of dat wél sprake is van dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, maar dat deze, als ze eerder bekend waren geweest, niet tot een ander besluit hadden geleid. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en dient ook om deze reden te worden vernietigd.

De rechtbank merkt nog op dat ter zitting de vraag aan de orde is gekomen of het niet terugkomen op de besluiten uit 2019 evident onredelijk is. Mocht de SVB in het nieuw te nemen besluit het standpunt innemen dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen omdat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, dan zal de SVB zich ook uit moeten laten over de vraag of het niet terugkomen op de besluiten uit 2019 evident onredelijk is. De rechtbank verwijst hierbij naar het toetsingskader zoals dit onder 7.2 van deze uitspraak is opgenomen.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de SVB een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de SVB hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is moet de SVB het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De SVB moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 juli 2025;

- draagt de SVB op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden;

- veroordeelt de SVB tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Hoekstra

Griffier

  • mr. E.G.M. ten Kate

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?