RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser, hierna: [eiser]
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/359
en
het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn, verweerder, hierna: het college
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] B.V. uit [vestigingsplaats], hierna: de vergunninghouder.
Deze uitspraak gaat over een aan de vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonneveld met energieopslagsysteem aan de [straatnaam 1] te [woonplaats] . Het college heeft hiervoor een vergunning verleend voor het bouwen, voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan en voor het uitvoeren van een
werk of werkzaamheden. [eiser] is omwonende en is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Hij is het onder meer niet eens met het energieopslagsysteem en de locatie van het zonneveld, namelijk dichtbij een Natura 2000-gebied. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Het beroep is ongegrond en [eiser] krijgt dus geen gelijk.
Procesverloop
1. Bij besluit van 4 december 2024 heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonneveld en het plaatsen van een erfafscheiding aan de [straatnaam 1] te [woonplaats] .
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Op 16 mei 2025 heeft het college het besluit van 4 december 2024 in zoverre gewijzigd dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van maximaal 25 jaar, ingaande op de datum van de start van de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voortvloeiende uit de vergunning, maar uiterlijk 1 januari 2030.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft [dochter] namens [eiser] deelgenomen. [dochter] is de dochter van [eiser] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . De vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
2. De vergunninghouder wil een zonneveld met energieopslagsysteem realiseren op een perceel tussen [autoweg] en een spoorlijn. Het gaat om ongeveer drie hectare zonnepanelen op een agrarisch perceel op de hoek van de [straatnaam 2] en [autoweg] in [woonplaats] .
[eiser] woont naast/tegenover het perceel waarop de vergunninghouder het zonneveld met energieopslagsysteem wil realiseren.
Op 29 september 2023 heeft de vergunninghouder bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het project ingediend. In de aanvraag is gevraagd om een vergunning voor het bouwen van de zonnepanelen, een erfafscheiding, een transformatorstation en een energieopslagsysteem, voor het afwijken van het bestemmingsplan en voor de aanleg van het zonnepark met bijbehorende installaties en elektriciteitskabels.
Het college heeft op 28 juni 2024 een ontwerpbesluit tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning vastgesteld. Dit ontwerpbesluit heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Onder meer [eiser] heeft tegen dit ontwerpbesluit een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 26 november 2024 heeft de raad van de gemeente [gemeente] een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor de omgevingsvergunning voor het
realiseren van een tijdelijk zonneveld met bijbehorende bouwwerken met een instandhoudingstermijn van maximaal 25 jaar.
Vervolgens heeft het college de besluiten van 4 december 2024 en 16 mei 2025 genomen (hierna: de bestreden besluiten).
De besluitvorming
3. Het zonnepark is in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden' met de lettertekenaanduiding 'Specifieke vorm van waarde - kleinschalig landschap' en de dubbelbestemming 'Waarde - archeologische verwachtingswaarde' uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2009". Het college heeft daarom niet alleen een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), maar ook voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° en 3°, van de Wabo). Tevens is aan de vergunninghouder een vergunning voor de activiteit aanleggen op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo verleend. Aan de omgevingsvergunning is de ruimtelijke onderbouwing “ [Ruimtelijke Onderbouwing] ” van [adviesbureau 1] ten grondslag gelegd en aan de omgevingsvergunning zijn verschillende voorschriften verbonden. Volgens het college is de hoogte van de batterijopslag maximaal 4 meter en de afstand tot de woning van [eiser] ongeveer 250 meter. De ruimtelijke effecten zullen mede door de landschappelijke inpassing naar de mening van het college zeer beperkt zijn.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De vergunninghouder heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 29 september 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordeling van het beroep
Stellingen en vragen
5. [eiser] heeft in het beroepschrift enkele stellingen ingenomen die de rechtbank niet als beroepsgrond tegen de bestreden besluiten kwalificeert. Dit geldt voor de opmerkingen dat [eiser] tegen een overvloed aan zonneparken op land en landbouwgrond is, dat het park snel verouderd zal zijn en daardoor een desinvestering zal blijken te zijn en dat het merkwaardig is dat de gemeente van dit stuk landbouwgrond een industrieel zonnepark wil maken met een transformatorhuis en energieopslagsysteem. Het staat [eiser] vrij deze stellingen in te nemen, maar uit deze stellingen kan niet worden afgeleid op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie zou moeten komen dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het recht (rechtsregels en/of -beginselen). Met betrekking tot de in het beroepschrift opgenomen vragen, geldt eveneens dat deze niet als beroepsgrond kunnen worden aangemerkt. Ook hierop zal de rechtbank in deze uitspraak niet ingaan.
Zorgvuldigheid en motivering
6. Het college heeft bij de besluitvorming de ruimtelijke onderbouwing van [adviesbureau 1] betrokken. Uit deze ruimtelijke onderbouwing volgt dat het zonneveld landschappelijk wordt ingepast, waarbij aan de noordzijde een takkenril wordt gerealiseerd, de oost-, zuid- en westzijde van het plangebied worden ingepast met struweelsingels en aan de zuidwestzijde wordt een aarden wal aangelegd van circa 1.20 m hoog waarop inheemse heesters worden geplant. In de ruimtelijke onderbouwing is onder meer aandacht besteed aan het Rijksbeleid, Provinciaal beleid en gemeentelijk beleid, aan bodem, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren, water, lichtreflectie en energienetwerk.
De beslissing om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is een bevoegdheid van het college. Het project mag daarbij niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Verder geldt dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De bestuursrechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de motivering in de bestreden besluiten en de ruimtelijke onderbouwing niet dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de impact van de aanleg van een zonnepark en een batterijopslag voor de leefomgeving. Het college heeft gemotiveerd waarom het project niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is geacht. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel motiveringsbeginsel, zoals door [eiser] is betoogd, is dan ook geen sprake.
Geluid en brandgevaar
7. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het project geluidsoverlast geeft en brandgevaarlijk is.
Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Onderzocht is of de geluidemissie van het zonneveld inclusief het energieopslagsysteem ter hoogte van de woningen voldoet aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Geconcludeerd is dat er vanuit het aspect geluid sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Uit de bestreden besluiten volgt dat de brandweer advies heeft uitgebracht over het project. Er moet gezorgd worden voor een toereikende bluswatervoorziening. Voor de aanvang van de werkzaamheden moet een nader voorstel/uitwerking met betrekking tot de
uitvoering van de wegen op het zonnepark en bluswatervoorzieningen worden ingediend en akkoord worden bevonden.
Uit het uitgevoerde akoestische onderzoek en de advisering door de brandweer volgt niet dat er uit het oogpunt van geluidsoverlast of brandgevaar redenen zijn om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Omdat [eiser] niet heeft onderbouwd waarom de motivering van het college op deze onderdelen ontoereikend is dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat deze motivering onjuist is, slaagt deze beroepsgrond niet.
Natuur en dieren
8. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning niet verleend mag worden gelet op het dichtbijgelegen Natura 2000-gebied en gelet op geluidsoverlast voor dieren.
In de ruimtelijke onderbouwing is gewezen op de uitkomsten van de quickscan natuurwaarden, uitgevoerd door [adviesbureau 2] B.V. Geconcludeerd is dat de ingrepen behorend tot het project niet leiden tot effecten op beschermde natuurgebieden, zoals aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen van het Natuurnetwerk Nederland of externe effecten op Natura 2000-gebieden. Verder heeft de AERIUS-berekening laten zien dat de stikstofdepositie uitkomt op 0,00 mol/ha/jaar op habitattypen van Natura 2000-gebieden. Wat betreft de soortenbescherming is geconcludeerd dat voor de kleine marterachtigen en de egel een mitigatieplan opgesteld dient te worden.
[eiser] heeft niets aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat de conclusies uit de quickscan natuurwaarden onjuist zijn. Met de enkele - niet nader onderbouwde - stelling dat het geluid van de batterij schadelijk zal zijn voor dieren, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de motivering in de bestreden besluiten op het punt van natuur en dieren onjuist is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Water en strijd met beleid
9. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat het betrokken gebied gelegen is in een waterwingebied, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht gesteld dat het gebied geen deel uitmaakt van een aangewezen waterwingebied. In de ruimtelijke onderbouwing is daarnaast geconcludeerd dat het aspect ‘water’ geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. De beroepsgrond van [eiser] ten aanzien van water slaagt dan ook niet.
[eiser] heeft betoogd dat de bestreden besluiten in strijd zijn met landelijk beleid, provinciaal beleid en de omgevingsverordening. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het project voldoet aan het provinciale beleid en de zogenoemde zonneladder. Hierbij is toegelicht dat het een project betreft langs hoofdinfrastructuur dat zowel binnen de beleidsvoorwaarden van de provincie als die van de gemeente valt. Nu [eiser] niet heeft gespecificeerd of geconcretiseerd waarom dit onjuist is, slaagt deze beroepsgrond niet.
Onveilige verkeerssituatie
10. [eiser] heeft betoogd dat met het zonnepark een onveilige verkeerssituatie wordt gecreëerd.
In de ruimtelijke onderbouwing is ten aanzien van verkeer vermeld dat het plangebied wordt ontsloten via de [straatnaam 2] . Het aantal verkeersbewegingen voor het zonneveld zal beperkt zijn. Voor de aanlegfase zal het om bouwverkeer gaan en daarna zal het uitsluitend zijn voor beheer en onderhoud van het terrein. Gelet op de hoeveelheid verkeer en de snelheid daarvan blijft deze hoek voldoende overzichtelijk voor het verkeer. Het betreft een voorrangskruising en het verkeer rijdende op de parallelweg moet voorrang verlenen aan het verkeer op de [straatnaam 2] . Er is dan voldoende zicht naar rechts. Het plan zal niet tot onaanvaardbare verkeerssituaties leiden.
In de ruimtelijk onderbouwing is voorts uitgebreid stil gestaan bij lichtreflectie. Hierbij is geconcludeerd dat het aspect lichthinder geen belemmering vormt voor de planontwikkeling.
Gelet op deze motiveringen in de ruimtelijke onderbouwing volgt de rechtbank [eiser] niet in de niet nader onderbouwde stelling dat een onveilige situatie wordt gecreëerd.
Alternatieve locatie
11. [eiser] heeft gewezen op een andere locatie voor een zonnepark binnen de gemeente [gemeente] .
De rechtbank overweegt hierbij dat het college dient te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor een vergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarbij gaat het niet alleen om bezwaren aan de kant van [eiser] , maar ook aan de kant van het college en de vergunninghouder.
Voor zover [eiser] heeft beoogd te betogen dat er binnen de gemeente geschiktere locaties zijn voor het project, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarbij sprake is van een alternatieve locatie waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden verkregen met aanmerkelijk minder bezwaren. Het door [eiser] aangehaalde alternatief is volgens het college geen ruimtelijk aanvaardbaar plan gebleken en kende financiële en uitvoeringstechnische complicaties. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Overige punten
12. De rechtbank overweegt verder nog dat er in de ruimtelijke ordening geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Gewezen wordt op een uitspraak van 3 december 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ten aanzien van de door [eiser] gestelde waardevermindering overweegt de rechtbank dat een eventuele waardevermindering van zijn perceel geen omstandigheid is die het college van het verlenen van toestemming voor afwijking van het bestemmingsplan had behoren te weerhouden.
Het college heeft aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat binnen het plangebied van het zonneveld minimaal 25% open ruimte tussen de tafels met zonnepanelen moet zijn. In het licht hiervan kan de rechtbank [eiser] niet volgen in het betoog dat het project niet voldoet aan 25% open ruimte tussen de panelen.
Het college heeft het plan voor het zonneveld voorgelegd aan zowel de provincie als Rijkswaterstaat. Zij hebben niet negatief geadviseerd op het plan. Volgens het college komt dit doordat het exacte tracé van de mogelijke toekomstige verbreding van [autoweg] op dit stuk nog niet bekend is. Onder deze omstandigheden volgt de rechtbank [eiser] niet in het betoog dat de toekomstige ontwikkelingen rondom [autoweg] in de weg staan aan de bestreden besluiten.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepsgronden van [eiser] slagen niet. De rechtbank komt tot de slotsom dat het college op goede gronden de gevraagde omgevingsvergunning aan vergunninghouder heeft verleend.
Dat betekent dat de bestreden besluiten in rechte stand houden. Het beroep is daarom ongegrond.
Beslissing
Het beroep is ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.