RECHTBANK OVERIJSSEL
beslissing
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: 339284 KG RK 25-474
Beslissing van 23 december 2025
in de zaak van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
Verzoeker tot wraking
hierna te noemen: [verzoeker] .
1. De procedure
Op 23 september 2025 heeft [verzoeker] het verzoek tot wraking gedaan van
mr. H.W.H. Oude Aarninkhof , rechter in deze rechtbank (hierna: de rechter) en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/1967. [verzoeker] heeft het verzoek gedaan tijdens de mondelinge behandeling van die zaak en hij heeft dit op 7 oktober 2025 schriftelijk verduidelijkt.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Zij heeft op 15 oktober 2025 schriftelijk op het verzoek gereageerd.
Het wrakingsverzoek is op 17 december 2025 behandeld.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- [verzoeker] ;
- de gewraakte rechter en
- [belanghebbende] , heffingsambtenaar van de gemeente Hof van Twente, als belangstellende.
2. Het wrakingsverzoek
2. De zaak geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/1967 gaat over de WOZ-waarde van de woning van [verzoeker] . [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling van die kwestie de indruk gekregen dat de rechter bevooroordeeld is. Hij vindt dat zij niet onpartijdig optrad. De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling de wet uitgelegd zonder ruimte te bieden voor een alternatieve uitleg of burgerperspectief. [verzoeker] kreeg niet de gelegenheid voor het houden van een pleidooi. Hij vindt dat dit in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor en dat dit zijn recht op een eerlijke procesgang belemmert.
Daarnaast werd de stelling van [verzoeker] dat hij de verdagingsbrief niet had ontvangen niet serieus door de rechter onderzocht. De indruk werd gewekt van een standaard behandeling waarbij weinig ruimte was voor zijn kant van het verhaal. [verzoeker] ziet geen ander middel dan wraking om zijn zaak onpartijdig en eerlijk behandeld te krijgen.
3. Het standpunt van de rechter
3. De rechter is van mening dat zij geen vooringenomenheid heeft getoond of de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Volgens de rechter heeft zij op neutrale wijze uitleg gegeven over het wettelijk kader waarbinnen zij een beslissing neemt en heeft [verzoeker] voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt nader toe te lichten. Het was haar doel om duidelijkheid te verschaffen over het wettelijk kader waarbinnen zij een beslissing neemt.
4. De beoordeling
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat zij die indruk bij [verzoeker] heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen over het persoonlijke gevoel van [verzoeker] , maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van [verzoeker] op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is.
Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
De klachten van [verzoeker] bevatten stellingen en veronderstellingen, maar geen concrete feiten en omstandigheden waaruit de wrakingskamer vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. De wrakingskamer licht dit als volgt toe.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling leidt de wrakingskamer af dat de rechter [verzoeker] voldoende gelegenheid heeft gegeven om zijn standpunt mondeling toe te lichten. Ook blijkt daaruit dat de rechter de visie van [verzoeker] gehoord heeft. Het is in het bestuursrecht niet gebruikelijk dat partijen de gelegenheid krijgen een pleidooi te houden. Aan het eind van de mondelinge behandeling geeft een rechter partijen de gelegenheid tot het maken van laatste opmerkingen. Nu de mondelinge behandeling met een wrakingsverzoek is geëindigd, is daaraan in deze zaak niet toegekomen.
De wrakingskamer maakt uit het proces-verbaal op dat de rechter [verzoeker] voldoende ruimte heeft gegeven om zijn zienswijze over het al dan niet ontvangen van een verdagingsbrief en de gevolgen van het eventueel te laat beslissen van de heffingsambtenaar toe te lichten. De rechter heeft uitgelegd, dat ook in het geval dat [verzoeker] de verdagingsbrief niet heeft ontvangen, de wettelijke regeling het mogelijk maakt voor de heffingsambtenaar om (alsnog) te beslissen. [verzoeker] heeft daarop voldoende kunnen reageren en heeft dit ook gedaan.
Het enkele feit dat de rechter de wet heeft uitgelegd, welke uitleg overeenkomt met hoe de heffingsambtenaar het ziet, maakt de rechter nog niet partijdig of vooringenomen. Het wettelijk kader waaraan een zaak wordt getoetst is immers voor iedereen gelijk, ook voor [verzoeker] .
Conclusie
Wat [verzoeker] naar voren heeft gebracht komt er op neer dat hij zich onvoldoende gehoord heeft gevoeld. Uit het proces-verbaal en wat [verzoeker] heeft aangevoerd blijkt echter niet dat de rechter hem onvoldoende gelegenheid heeft geboden om zijn kant van het verhaal te doen en evenmin dat de rechter blijk heeft gegeven van (schijn van) partijdigheid en/of vooringenomenheid.
Gelet op bovenstaande wordt het verzoek ongegrond verklaard.
5. De beslissing
De wrakingskamer verklaart het verzoek ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. A. van Holten, A. Smedes en J.N. Bartels, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.A.H. Beenen-Oskam en in het openbaar uitgesproken op
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.