RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.055805.22
Datum vonnis: 30 december 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 648.289,18.
2. De procedure
Op de openbare regiezitting van 5 juni 2025 zijn door de rechtbank data vastgesteld voor schriftelijke rondes. De officier van justitie, mr. P.J. Dees, heeft een conclusie van eis ingediend op 16 mei 2025. De raadsman van veroordeelde, mr. E.G.S. Roethof, advocaat in Amsterdam, heeft geen schriftelijke stukken ingediend.
De vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de ontnemingsvordering) is inhoudelijk behandeld op de openbare terechtzitting van
18 november 2025. De veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie zijn op die terechtzitting verschenen.
Standpunt van de veroordeelde
De raadsman heeft het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd.
De raadsman verzoekt de vordering af te wijzen. Het OM heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) is verder ten onrechte geen rekening gehouden met testladingen en de fluctuerende inkoop- en verkoopprijzen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zijn vordering gehandhaafd en het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd. Het rapport gaat uit van de bewezenverklaring van het vonnis en de daarin beschreven rolverdeling. Uit het vonnis volgt dat de containers allen cocaïne bevatten, van proefzendingen is geen sprake geweest. De berekening is sterk in het voordeel van de veroordeelden uitgevallen, dat geldt voor het aantal kilogram cocaïne per container en ook voor de gehanteerde prijzen en kosten.
3. De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 14 december 2023 veroordeeld voor het medeplegen van het invoeren van cocaïne in Nederland, deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van opiumwetsmisdrijven en het voorbereiden en bevorderen van die misdrijven.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering
samenhangende strafdossier, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 12 maart 2025, de conclusie van eis van 16 mei 2025 en foto’s van documenten over het vermogen van de veroordeelde die de raadsman tijdens de zitting van 18 november 2025 heeft gemaild.
De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat is bewezenverklaard in het vonnis van de rechtbank. De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten van de door hem ingevoerde cocaïne en de deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen de schatting van dat voordeel.
Uit het onderliggende vonnis volgt dat er in december 2020, juni 2021 en januari 2022 transporten kalkzandsteen met cocaïne verscheept zijn van Curaçao naar Nederland. Het betrof in totaal vijf containers, door middel van vier zendingen. De rechtbank heeft de invoer van deze cocaïne bewezen verklaard, zodat niet wordt uitgegaan van proefzendingen. In het rapport wordt een hoeveelheid van 60 kilogram cocaïne per container gehanteerd. Medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] heeft tijdens zijn verhoor van 8 juli 2022 verklaard dat er de laatste drie jaar ongeveer elk half jaar een lading binnenkwam, met tussen de 40 en 50 kilogram cocaïne per container. De rechtbank gaat op basis van zijn verklaring uit van een gemiddelde van 45 kilogram cocaïne per container. De rechtbank neemt de prijzen en de kosten over die in de berekening van het rapport gehanteerd zijn, nu deze prijzen en kosten onderbouwd en aannemelijk zijn.
De verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport gebaseerd op de rolverdeling die voortvloeit uit het vonnis van de rechtbank. De verdeelsleutel is een procentueel aandeel naar gelang de omvang van de rol per veroordeelde en de rechtbank sluit hierbij aan.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank komt tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Opbrengst: 45 kilogram x 5 containers x € 21.725, -- per kilogram = € 4.888.125, --.
De kosten van € 34.608,17 worden in mindering gebracht op de opbrengst.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt € 4.853.516,83.
De veroordeelde had een organiserende en coördinerende rol bij de invoer van de cocaïne en stond in hiërarchie onder medeveroordeelden [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3]. De veroordeelde komt tien procent van het wederrechtelijk verkregen voordeel toe, dit bedraagt: € 485.351,68
De vaststelling van de betalingsverplichting
De redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn, uitgaande van de aankondiging van de ontnemingsvordering op 31 oktober 2023, met twee maanden is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd. In gevallen waarin de redelijke termijn met zes maanden of minder is overschreden, wordt het ontnemingsbedrag in beginsel met vijf procent verminderd, met dien verstande dat de maximale vermindering € 5.000, -- mag bedragen. Door de raadsman is op de dag voor de regiezitting van 5 juni 2025 verzocht om getuigen te horen van wie bekend was dat zij zich zouden beroepen op hun verschoningsrecht, terwijl de rechtbank had verzocht uiterlijk 24 april 2025 kenbaar te maken of er onderzoekswensen waren. Ook heeft de raadsman de door de rechtbank bepaalde schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511d Wetboek van Strafvordering genegeerd. Dit optreden in combinatie met een slechts algemeen verweer tegen de vordering kan enkel gericht zijn op vertraging van het strafproces. Nu 5% van het wederrechtelijk verkregen voordeel ruim hoger is dan € 5.000, -- zal de rechtbank dit traineren veroordeelde niet aanrekenen. De rechtbank zal de betalingsverplichting daarom toch verminderen met € 5.000, --.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 480.351,68.
4. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
5. De beslissing
De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. M.W. Eshuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch en mr. E.A.N. Sjerps, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
Buiten staat
Mrs. Eshuis en Van den Bosch zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.