ECLI:NL:RBOVE:2025:7607

ECLI:NL:RBOVE:2025:7607, Rechtbank Overijssel, 30-12-2025, 08.963591.20 (P)

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 30-12-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer 08.963591.20 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verdachte heeft zijn zwager, een politieambtenaar, omgekocht om beveiligde informatie te verkrijgen en is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 46 dagen en een taakstraf van 120 uur.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.963591.20 (P)

Datum vonnis: 30 december 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats],

wonende aan [geboorteplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsman mr. P.M. Rombouts, advocaat in Amsterdam, namens verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een politieambtenaar heeft uitgelokt tot het delen van vertrouwelijke informatie;

feit 2: al dan niet tezamen en in vereniging met anderen geldbedragen en/of giften heeft aangeboden aan een politieambtenaar om hem te bewegen vertrouwelijke informatie in de politiesystemen te raadplegen en die informatie met onbevoegden te delen;

feit 3: al dan niet tezamen en in vereniging met anderen een politieambtenaar heeft uitgelokt tot het delen van vertrouwelijke informatie.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

[politieambtenaar] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 april

2020 tot en met 25 april 2020 te Heiloo en/of Beverwijk en/of Alkmaar en/of

Castricum en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk een geheim waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt en wettelijk

voorschrift(namelijk artikel 3 Wet Politiegegevens en/of artikel 7 Wet

Politiegegevens), te weten als politieambtenaar ([positie]

), verplicht was te

bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, [politieambtenaar],

(telkens) opzettelijk in een of meer politiesystemen, te weten de Basis Voorziening

Informatie-Integraal Bevragen (BVI-B) en/of een of meer andere (daaraan

gekoppelde) politiesystemen, (vertrouwelijke) informatie met betrekking tot het

kenteken [kenteken 1] en/of de kenosleutel [kenosleutel] en/of postcode /

huisnummer [adres 1] en/of het adres [adres 2]

, en/of (vertrouwelijke) informatie met betrekking tot de persoon

[naam 1], geboren op [geboortedatum 2] en/of het kenteken [kenteken 2] en/of

postcode/huisnummer [adres 3], althans (vertrouwelijke) informatie, opgezocht

en/of bevraagd en vervolgens (telkens) die (vertrouwelijke) informatie verstrekt aan

verdachte [verdachte] welk feit verdachte [verdachte] op een of meer

tijdstippen in de periode van 3 april 2020 tot en met 25 april 2020 te Beverwijk en/of

Heiloo en/of (elders) in Nederland (telkens) opzettelijk heeft uitgelokt door het

verschaffen van inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, (telkens) aan die [politieambtenaar]

gegevens/informatie verstrekt van het volgende kenteken en/of persoon

met als doel aanvullende gegevens/informatie te verkrijgen:

- kenteken [kenteken 1] en/of

- de persoon [naam 1], geboren [geboortedatum 2];

2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot 1

september 2020 te Beverwijk en/of te Heiloo en/of te IJmuiden en/of (elders) in

Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen

meermalen, althans eenmaal, een ambtenaar van de politie ([positie]

),

genaamd [politieambtenaar] één of meer gift(en) heeft/hebben gedaan en/of

aangeboden, te weten:

- één of meer geldbedragen (4300 euro en/of 2500 euro en/of 2300 euro) en/of (een vergoeding voor) een nieuw koffieapparaat en/of één of meer drankjes en/of een etentje, (telkens) met het oogmerk om die [politieambtenaar] te bewegen in zijn bediening, iets te doen, te weten (telkens):

- het bevragen van een of meer politiesystemen op (vertrouwelijke) informatie met betrekking tot de perso(o)n(en) [naam 2] (geboren op [geboortedatum 3]) en/of [naam 3] (geboren op [geboortedatum 4]) en/of de aan die [naam 2] en/of [naam 3] te relateren administratieve gegevens en/of persoonsgegevens en/of

(opsporings)onderzoeken en/of incidenten en/of kentekens en/of één of meer

andere personen en/of adressen in de omgeving van die [naam 2] en/of [naam 3]

en/of (vervolgens) die (vertrouwelijke) informatie uit een of meer

politiesystemen aan verdachte en/of zijn mededader en/of (een) andere daartoe

niet-gerechtigde perso(o)n(en)/derde(n) te verstrekken en/of te openbaren;

3

[politieambtenaar] op een of meer tijdstippen in of omstreeks periode van 6 juli 2020

tot en met 15 augustus 2020 te Heiloo en/of Beverwijk en/of Alkmaar en/of

Castricum en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk een geheim waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt en wettelijk

voorschrift (namelijk artikel 3 Wet Politiegegevens en/of artikel 7 Wet

Politiegegevens), te weten als politieambtenaar ([positie]

), verplicht was te

bewaren, opzettelijk heeft geschonden,

- immers heeft hij, [politieambtenaar], (telkens) opzettelijk in een of meer politiesystemen, te weten de Basis Voorziening Informatie-Integraal Bevragen (BVI-B) en/of een of meer andere (daaraan gekoppelde) politiesystemen, (vertrouwelijke) informatie met betrekking tot de perso(o)n(en) [naam 2] (geboren op [geboortedatum 3]) en/of [naam 3] (geboren op [geboortedatum 4]) en/of de aan die [naam 2] en/of [naam 3] te relateren administratieve gegevens en/of persoonsgegevens en/of (opsporings)onderzoeken en/of incidenten en/of kentekens en/of één of meer andere personen en/of adressen in de omgeving van die [naam 2] en/of [naam 3], althans (vertrouwelijke) informatie, opgezocht en/of bevraagd en vervolgens (telkens) die (vertrouwelijke) informatie verstrekt aan verdachte [verdachte] en/of verdachtes mededader, welk feit verdachte [verdachte] en/of verdachtes mededader op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2020 tot en met 15 augustus 2020 te Beverwijk en/of Heiloo en/of te IJmuiden en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of verdachtes mededader,(telkens) aan die [politieambtenaar] gegevens/informatie verstrekt van de perso(o)n(en) [naam 2] (geboren op [geboortedatum 3]) en/of [naam 3] (geboren op [geboortedatum 4]) en/of kenteken [kenteken 3] en/of adresgegevens [adres 4] en/of [naam 4], althans een of meer gegevens/informatie, met als doel aanvullende gegevens/informatie te verkrijgen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

Ten aanzien van de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging overweegt de rechtbank als volgt. Op 1 november 2021 is verdachte veroordeeld voor het ten laste gelegde onder 1 en 2 en vrijgesproken voor het onder 3 ten laste gelegde. Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) heeft bij arrest van 28 maart 2025 besloten dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank Overijssel teneinde op basis van de reeds bestaande dagvaarding opnieuw recht te doen.

De rechtbank stelt op basis van deze beslissing van het Hof vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de gehele oorspronkelijke tenlastelegging, dus ook ten aanzien van feit 3

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten vrijgesproken dient te worden.

Wat betreft het feit onder 2 is medeverdachte [medeverdachte] door het hof integraal vrijgesproken. Ook voor verdachte geldt dat er geen sprake was van een oogmerk dat [politieambtenaar] het politiesysteem zou gaan bevragen. Daarnaast is er geen sprake van medeplegen nu verdachte in een te ver verwijderd verband staat tot het feit. Hij was aanwezig bij de ontmoetingen tussen [medeverdachte] en [politieambtenaar], maar nam niet deel aan de gesprekken.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 oktober 2020, pagina 713;

het proces-verbaal van verhoor van [politieambtenaar] op 5 oktober 2020, pagina 694;

het proces-verbaal van bevindingen (AMB.02.001), pagina’s 15 en 16;

het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 667 tot en met 669.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

De redengevende feiten en omstandigheden

[politieambtenaar] heeft verklaard dat hij in juli 2020 door verdachte is benaderd voor een observatieklus voor [medeverdachte]. Subjecten van de observatieklus waren [naam 2] en [naam 3]. Zij zouden zich een groot geldbedrag hebben toegeëigend en de familie van [medeverdachte] hebben bedreigd. [medeverdachte] wilde dat de twee mannen werden gevolgd en dat er een baken werd geplakt. Op verzoek van [politieambtenaar] heeft [naam 5] zijn medewerking aan de klus verleend. Voor de observatie werd een tarief van 50 euro per uur per persoon afgesproken. Nadat [politieambtenaar] en [naam 5] te kennen hebben gegeven niet te willen observeren, hebben zij op verzoek van [medeverdachte] geprobeerd om peilbakens onder de auto’s van [naam 2] en [naam 3] aan te brengen maar het is hen niet gelukt deze onder de auto’s te plakken. [politieambtenaar] heeft via verdachte de pijlbakens aan [medeverdachte] teruggegeven. In deze periode was [politieambtenaar] werkzaam als brigadier van het basisteam Alkmaar, onderdeel van de politie eenheid Noord-Holland.

Door een observatieteam is gezien dat er ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte, [politieambtenaar], [medeverdachte] en [naam 5] op 8 juli 2020 bij een restaurant in Heiloo en op 22 juli 2020 bij een restaurant in IJmuiden.

[politieambtenaar] heeft later verklaard dat verdachte hem met [medeverdachte] in contact heeft gebracht en dat hij [medeverdachte] niet kende. [medeverdachte] gaf namen, adressen en kentekens en een verhaal over verduistering van geld. [medeverdachte] zei dat het ging om de heer [naam 3] en de heer [naam 2]. [politieambtenaar] heeft deze personen vervolgens in de politiesystemen bekeken om te controleren of het verhaal van [medeverdachte] klopte, omdat hij wilde weten waar hij mee te maken had. Daarna heeft hij aan verdachte doorgegeven dat het verhaal van [medeverdachte] juist was. De informatie die [politieambtenaar] opvroeg had niets te maken met zijn werk, maar met de observatieklus. [medeverdachte] heeft geen informatie bij hem opgevraagd, omdat hij de informatie al had. [medeverdachte] had bakens en vroeg of [politieambtenaar] en [naam 5] deze onder de auto wilden aanbrengen. Uiteindelijk hebben [politieambtenaar] en [naam 5] besloten dat ze wilden stoppen met de klus en heeft [politieambtenaar] de twee zenders aan verdachte teruggegeven, waarna verdachte deze aan [medeverdachte] heeft doorgegeven. [politieambtenaar] heeft via verdachte geld van [medeverdachte] ontvangen. In totaal heeft [politieambtenaar] € 4.300,00 ontvangen voor de observatieklus.

In een afgeluisterd telefoongesprek van 15 augustus 2020 tussen verdachte en [politieambtenaar] werd er gesproken over ‘4300’. Tussen 6 juli 2020 en 15 augustus 2020 heeft [politieambtenaar] meerdere bevragingen in het politiesysteem BVI-IB gedaan die zijn te relateren aan [naam 2] en [naam 3].

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] aan hem vroeg of hij iemand wist van de observatiepolitie, waarna hij aan zijn zwager [politieambtenaar], van wie hij wist dat hij politieambtenaar was, heeft gevraagd of hij ‘dit’ wilde doen. [politieambtenaar] wilde meer details weten en daarop heeft verdachte een afspraak geregeld tussen [medeverdachte] en [politieambtenaar]. Ook heeft hij verklaard dat hij van [medeverdachte] een enveloppe met geld heeft ontvangen en dat hij deze enveloppe aan [politieambtenaar] heeft gegeven. Op het moment dat verdachte het geld bij [medeverdachte] ophaalde, heeft hij de peilbakens aan [medeverdachte] teruggegeven. Ook heeft verdachte verklaard dat hij twee keer bij een ontmoeting aanwezig is geweest tussen [politieambtenaar], [medeverdachte] en [naam 5] om de plannen te bespreken.

Overwegingen en conclusies

Voor strafbare omkoping in de zin van artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat een verdachte een gift of belofte heeft gedaan of aangeboden met het oogmerk om de ambtenaar (in strijd met zijn plicht) iets wel of juist niet te laten doen. Het is niet vereist dat de ambtenaar in beginsel tot de handeling is bevoegd, maar slechts dat zijn functie hem tot het verrichten van de verlangde handeling in staat stelt.

Om tot een bewezenverklaring te komen moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, dat [politieambtenaar] in strijd met zijn plicht vertrouwelijke informatie zou gaan raadplegen, zonder dat hij daar op dat moment toe bevoegd was. Van voorwaardelijk opzet is sprake als een verdachte bewust de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van vol of voorwaardelijk opzet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte [politieambtenaar] heeft benaderd voor het doen van een observatieklus op verzoek van [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft daarbij expliciet verzocht om iemand van de observatiepolitie. Verdachte heeft zijn zwager, toenmalig politieambtenaar [politieambtenaar], en [medeverdachte] vervolgens met elkaar in contact gebracht en was tot tweemaal toe aanwezig bij besprekingen, waaruit duidelijk werd dat [medeverdachte] wilde dat [naam 2] en [naam 3] geobserveerd zouden worden. De rechtbank constateert dat op foto’s van het observatieteam is te zien dat verdachte, [politieambtenaar], [medeverdachte] en [naam 5] tijdens die ontmoeting dichtbij elkaar zaten.

Ten aanzien van de vraag of het voor verdachte vervolgens voorzienbaar was dat [politieambtenaar] als gevolg van het verzoek tot het doen van de observatieklus vertrouwelijke informatie in de politiesystemen over [naam 2] en [naam 3] zou gaan raadplegen, overweegt de rechtbank het volgende.

Op het moment dat verdachte zijn zwager, toenmalig politieambtenaar [politieambtenaar], voor deze observatieklus bij [medeverdachte] heeft aangedragen, wist hij dat het voor [politieambtenaar] vanuit zijn functie mogelijk was in de politiesystemen vertrouwelijke informatie te raadplegen. Verdachte wist dat [politieambtenaar] ook buiten zijn functie om informatie in politiesystemen opzocht. [politieambtenaar] heeft immers voor juli 2020 op verzoek van verdachte meermalen informatie in politiesystemen opgezocht en ook met hem, verdachte, gedeeld, zoals blijkt uit de bewezenverklaring voor het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, met het verzoek aan [politieambtenaar] deel te nemen aan de observatieklus, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [politieambtenaar] politiesystemen ging bevragen over [naam 2] en [naam 3] ten behoeve van die observatieklus. Verdachte had immers kunnen voorzien dat [politieambtenaar] de ontvangen informatie van [medeverdachte] in de politiesystemen ging verifiëren. Er is dus sprake van opzet in voorwaardelijke zin. Hierdoor bestond bij verdachte het oogmerk om politieambtenaar [politieambtenaar] te bewegen in zijn bediening in strijd met zijn plicht iets te doen.

De vraag welke vertrouwelijke informatie is gedeeld en of er vertrouwelijke informatie is gedeeld door [politieambtenaar], is niet relevant voor de vraag of er sprake is van een overtreding in de zin van artikel 177 Sr.

Aan [politieambtenaar] zijn bovendien giften beloofd en gedaan in het kader van de observatieklus. Verdachte heeft als tussenpersoon gefungeerd tussen [medeverdachte] en [politieambtenaar], terwijl [medeverdachte] [politieambtenaar] wilde betalen voor deze klus en verdachte ook daadwerkelijk het geld van [medeverdachte] aan [politieambtenaar] heeft overgedragen.

Partiële vrijspraak: medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de ambtenaar – [politieambtenaar] – die een gift aanneemt zelfstandig strafbaar is. De omkoper (verdachte) en omgekochte ([politieambtenaar]) zijn geen deelnemers aan elkaars misdrijven.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen om [politieambtenaar] tegen betaling te bewegen politiesystemen te bevragen. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

Voor een bewezenverklaring van dit feit – het uitlokken van [politieambtenaar] tot het delen van vertrouwelijke informatie, artikel 272 Sr – is onder meer vereist dat komt vast te staan dat [politieambtenaar] vertrouwelijke informatie heeft gedeeld. De rechtbank is van oordeel dat dit op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

[politieambtenaar] op een of meer tijdstippen in de periode van 5 april 2020 tot en met 25 april 2020 in Nederland, meermalen, opzettelijk een geheim waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt en wettelijk voorschrift (namelijk artikel 3 Wet Politiegegevens en/of artikel 7 Wet Politiegegevens), te weten als politieambtenaar ([positie]), verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, [politieambtenaar], (telkens) opzettelijk in een politiesysteem, te weten de Basis Voorziening Informatie-Integraal Bevragen (BVI-B) vertrouwelijke informatie met betrekking tot het kenteken [kenteken 1] en de kenosleutel [kenosleutel] en postcode / huisnummer [adres 1] en het adres [adres 2], en vertrouwelijke informatie met betrekking tot de persoon [naam 1], geboren op [geboortedatum 2] en het kenteken [kenteken 2] en postcode/huisnummer [adres 3], bevraagd en vervolgens die vertrouwelijke informatie verstrekt aan

verdachte welk feit verdachte op meer tijdstippen in de periode van 3 april 2020 tot en met 25 april 2020 in Nederland telkens opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, telkens aan die [politieambtenaar]

gegevens/informatie verstrekt van het volgende kenteken en/of persoon met als doel aanvullende gegevens/informatie te verkrijgen:

- kenteken [kenteken 1] en/of

- de persoon [naam 1], geboren [geboortedatum 2];

2

hij in de periode van 1 juli 2020 tot 1 september 2020 in Nederland, een ambtenaar van de politie ([positie]), genaamd [politieambtenaar] giften heeft gedaan en

aangeboden, te weten:

- geldbedragen met het oogmerk om die [politieambtenaar] te bewegen in zijn bediening, iets te doen, te weten:

- het bevragen van een politiesysteem op vertrouwelijke informatie met betrekking tot de personen [naam 2] (geboren op [geboortedatum 3]) en [naam 3] (geboren op [geboortedatum 4]) en aan die [naam 2] en [naam 3] te relateren administratieve gegevens en/of persoonsgegevens en/of (opsporings)onderzoeken en/of incidenten en/of kentekens en/of één of meer andere personen en/of adressen in de omgeving van die [naam 2] en/of [naam 3];

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 177 en 272 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijke uitlokking van opzettelijke schending van een ambtsgeheim door het verschaffen van gelegenheid en middelen, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 en 2 komt, verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen met aftrek van het voorarrest. Er dient rekening gehouden te worden met het geringe aantal bevragingen, welke verdachte opvroeg als vriendendienst voor een onbekend persoon, en met de ernstige overschrijding van de redelijke termijn.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zijn zwager, die werkzaam was als brigadier bij de politie, meerdere keren benaderd om vertrouwelijke informatie uit het politiesysteem te raadplegen en die aan hem te verstrekken. Verdachte deed het daarbij voorkomen alsof hij deze informatie opvroeg vanwege dringende privékwesties, zoals een verdacht voertuig in zijn straat. Uit onderzoek volgt echter dat verdachte de verkregen vertrouwelijke informatie via Encrochat deelde met iemand wiens identiteit verdachte niet heeft willen noemen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de actieve omkoping van zijn zwager. De omkoping van een politieagent is een ernstig strafbaar feit. Met zijn handelen heeft verdachte het publiek vertrouwen in de politie geschaad en zijn handelen levert een bedreiging op voor de integriteit van de politie als organisatie. Verdachte heeft weinig opening van zaken willen gegeven en hij heeft er bovendien geen blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. De rechtbank neemt dit alles verdachte kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 15 september 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Vanwege de ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Een gevangenisstraf van langere duur dan de duur van het reeds ondergane voorarrest zou op zijn plaats zijn. Er is echter sprake van overschrijding van de redelijke termijn, waar de rechtbank rekening mee dient te houden. De rechtbank zal aan verdachte om die reden geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht met daarbij een taakstraf van na te noemen duur.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 46 dagen opleggen met aftrek van de tijd (46 dagen) die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarbij een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door zestig dagen hechtenis als verdachte die taakstraf niet of niet naar behoren verricht.

De in beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de in beslag genomen telefoon verbeurd verklaard dient te worden. Wat betreft de overige op de beslaglijst vermelde goederen moet de teruggave aan verdachte worden gelast, tenzij het aan een andere instantie is gegeven en het niet in het bezit is van het Openbaar Ministerie.

De raadsman heeft verzocht de teruggave van de mogelijk nog niet teruggegeven goederen te gelasten.

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde iPhone met toebehoren (op de beslaglijst vermeld met nummer B01.07.001) moet worden verbeurdverklaard, omdat dit een voorwerp is waarmee het misdrijf is begaan.

Met betrekking tot de overige goederen op de beslaglijst heeft de officier van justitie toegelicht dat een deel van deze goederen zijn overgedragen aan andere instanties en dat de rest aan verdachte zal worden teruggegeven. Nu namens verdachte is verzocht om teruggave van mogelijke nog in beslag genomen goederen gaat de rechtbank ervan uit dat het beslag, met uitzondering van voornoemde telefoon, nog afgewikkeld gaat worden door het Openbaar Ministerie.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a en 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: opzettelijke uitlokking van opzettelijke schending van een ambtsgeheim door het verschaffen van gelegenheid en middelen, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de in beslag genomen iPhone met toebehoren, op de beslaglijst vermeld met nummer BO 1.07.001;

- verstaat dat het overige beslag overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 7.4 is overwogen door het Openbaar Ministerie zal worden afgehandeld.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. A.J. de Loor en

mr. L.M. de Zeeuw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in

het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.K. Huisman
  • mr. A.J. de Loor
  • mr. L.M. de Zeeuw

Griffier

  • mr. R. van der Hulst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?