ECLI:NL:RBOVE:2025:7686

ECLI:NL:RBOVE:2025:7686, Rechtbank Overijssel, 30-12-2025, 05.093011.25 (P)

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 30-12-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer 05.093011.25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 285 dagen en beveelt de uitvoer van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken. De verdachte is schuldig bevonden aan opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 05.093011.25 (P)

Datum vonnis: 30 december 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats],

nu verblijvende in de PI [locatie].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.E. de Boer, advocaat in Heerhugowaard, naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door de benadeelde partijen, mevrouw [aangever 1] en de heer [aangever 2], is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 16 december 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de nacht van 24 op 25 november 2025 in Deventer een ondergrondse restcontainer en een gft-container in brand heeft gestoken, terwijl daardoor gevaar voor goederen is ontstaan;

feit 2: in de nacht van 24 op 25 november 2025 in Deventer een of meer rolcontainers/een schutting/een schuur en drie auto’s in brand heeft gestoken, terwijl daardoor gevaar voor personen en goederen is ontstaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Deventer

(op de hoek van de [adres 1] en de [adres 2])

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

wasbenzine, lampenolie en/of goederen in de container, althans met

een vluchtige en/of brandbare (vloei)stof

en dit (vervolgens) te sprenkelen over en/of te gooien in een

ondergrondse restcontainer en/of een GFT container,

ten gevolge waarvan een of meer van die container(s) geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de naastgelegen

container(s), de inhoud van die container(s), in de nabijheid gelegen

straatmeubilair en/of begroeiing, te duchten was;

2

hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Deventer

(meermaals)

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

wasbenzine, lampenolie en/of goederen, althans met een vluchtige

en/of brandbare (vloei)stof, op/onder/naast, in elk geval in de nabijheid

van:

- een of meer rolcontainers, een tuinschutting en/of een schuur gelegen

in de achtertuin van de woning op de [adres 3],

- een personenauto geparkeerd aan de [adres 4],

- een personenauto geparkeerd ter hoogte van de [adres 5]

en/of

- een personenauto geparkeerd aan de [adres 6],

ten gevolge waarvan een of meer van bovengenoemde goederen geheel

of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten

- die woning op de [adres 3], de belendende woningen en/of zich

daarin bevindende goederen, de in die schuur aanwezige goederen

en/of de tuininrichting en/of

- de in die geparkeerde auto(’s) aanwezige goederen, navigatiesystemen

en/of de in de directe nabijheid geparkeerde voertuigen (waaronder in

ieder geval een Ford Transit van DHL),

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander, te weten

- een of meer bewoners en/of andere personen in die woning(en)

op/naast de [adres 3],

te duchten was.

3. De bewijsmotivering

Inleiding

In de nacht van 24 op 25 maart 2025 zijn in Deventer vijf branden gemeld. Het gaat daarbij om een brand in een ondergrondse restcontainer en een gft-container bij de [adres 1], een brand in rolcontainers, een brand van een schutting en een schuur achter een woning in de [adres 3] en drie autobranden in de van [adres 4], de [adres 6] en de [adres 5].

Naar aanleiding van de meldingen van deze branden zijn verschillende politieagenten ter plaatse gegaan. Omstreeks 01.35 uur werd door politieagenten een man staande gehouden die met een kleine hond in de richting van de [adres 6] liep. Kort daarna werd dezelfde man door andere agenten staande gehouden, terwijl hij met zijn hond in de richting van de brand in deze straat liep. De man identificeerde zich beide keren als [verdachte] , verdachte.

De politie ontving diezelfde nacht camerabeelden waarop een man met een kleine hond te zien is bij de ondergrondse restcontainer bij de [adres 1]. Op diezelfde beelden is een oplichting zichtbaar. De dienstdoende politieagenten besloten naar aanleiding van deze beelden naar de woning van verdachte te gaan, waar zij door verdachte werden binnengelaten. In de woning van verdachte herkenden de politieagenten zowel de hond van verdachte als in de woning aangetroffen schoenen van de camerabeelden. In de gootsteen werd een fles wasbenzine aangetroffen.

Verdachte is aangehouden. Tijdens de overbrenging naar het cellencomplex vertelde verdachte dat hij die nacht meerdere keren zijn hond had uitgelaten.

Door de politie is in kaart gebracht dat het fysiek mogelijk is om de afstanden tussen de verschillende branden wandelend af te leggen in de tijd tussen de momenten waarop de branden zijn ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte brand heeft gesticht in of nabij een of meer rolcontainers, een tuinschutting en/of een schuur achter de woning op het adres [adres 3], met gevaar voor personen en goederen tot gevolg. Voor het overige moet verdachte volgens de officier van justitie van feit 2 worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is dat hij betrokken was bij het ontstaan van de andere branden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte uitsluitend kan worden veroordeeld voor feit 1 en integraal moet worden vrijgesproken van feit 2.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Met betrekking tot de als feit 1 ten laste gelegde brand heeft verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan. Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en nu door of namens verdachte ten aanzien van dit feit geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank daarbij overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 december 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

Het proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 1] van 25 maart 2025, pagina’s 22 en 23;

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 27 maart 2025, inclusief het als bijlage toegevoegde fotoblad, pagina’s 111 tot en met 117.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet bewezen wat als feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij in de nacht van 24 op 25 maart 2025 meermaals met zijn hond naar buiten is gegaan en met behulp van wasbenzine brand heeft gesticht bij de containers in/bij de [adres 1]. Daarnaast staat vast dat het, gelet op de afstanden tussen de verschillende branden en de tijdsstippen waarop de verschillende branden zijn ontstaan, mogelijk zou zijn dat verdachte ook betrokken was bij het ontstaan van de andere branden die in die nacht in Deventer zijn gemeld. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte door verschillende politieagenten is gezien terwijl hij in de richting van de op dat moment al in de brand staande auto in de [adres 6] liep.

Bij de onder feit 2 ten laste gelegde branden is geen DNA van verdachte aangetroffen. Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan ook niet worden vastgesteld dat deze branden, net als de als feit 1 ten laste gelegde brand, zijn aangestoken met behulp van wasbenzine.

Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat het dossier weliswaar aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat de onder feit 2 bedoelde branden ook door verdachte zijn aangestoken, maar dat deze aanknopingspunten – in onderlinge samenhang bezien – onvoldoende zijn om buiten gerede twijfel vast te stellen dat verdachte de onder feit 2 ten laste gelegde branden daadwerkelijk heeft veroorzaakt. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 25 maart 2025 te Deventer

(op de hoek van de [adres 1] en de [adres 2])

opzettelijk

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met

wasbenzine

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de naastgelegen

containers en de inhoud van die containers, te duchten was;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf moet worden beperkt tot de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dat aan verdachte daarnaast de maatregel tbs met voorwaarden moet worden opgelegd. Deze tbs-maatregel moet naar het standpunt van de verdediging dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, in combinatie met een schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden die overeenkomen met de voorwaarden van de tbs-maatregel.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft in de nachtelijke uren brand gesticht, waardoor hij schade heeft veroorzaakt aan een ondergrondse restcontainer en een gft-container. Brandstichting is een zeer ernstig en gevaarzettend feit, dat naast schade ook angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij omwonenden. Verdachte had voorafgaand aan deze brandstichting een conflict met zijn vriendin en handelde naar eigen zeggen uit boosheid en frustratie. Daarmee heeft verdachte zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen gevoelens en zich onvoldoende bekommerd om de risico’s en de gevoelens van anderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De persoon van verdachte

Om een beeld te krijgen van de persoon van verdachte, heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder meerdere diefstallen en bedreiging. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor brandstichting.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de over verdachte opgestelde pro Justitia-rapportages van 26 augustus 2025 en 2 september 2025, door respectievelijk GZ-psycholoog M. van Tongeren en psychiater A.W.M.M. Stevens en het reclasseringsadvies van GGZ Tactus Zwolle van 28 november 2025.

Uit de pro Justitia-rapportages volgt dat verdachte lijdt aan een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (door de psycholoog nader geduid als borderline met antisociale trekken), zwakbegaafde intellectuele capaciteiten en verslavingsproblematiek. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis (ADHD). Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Doordat verdachte de ten laste gelegde feiten tijdens de gesprekken met de psycholoog en de psychiater ontkende, kon echter niet worden vastgesteld in hoeverre de stoornissen van invloed zijn geweest op het handelen van verdachte en (in het verlengde daarvan) of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De ontkennende houding van verdachte belemmerde de deskundigen ook bij het inschatten van het risico op herhaling. Dit risico wordt desondanks ingeschat als matig tot hoog. Verdachte zou gebaat zijn bij een klinische opname in een Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK). Daarom wordt geadviseerd om aan verdachte de maatregel tbs met voorwaarden op te leggen.

Uit het reclasseringsadvies volgt dat bij verdachte sprake is van een zeer beperkte emotionele draagkracht. Verdachte weet oplopende spanningen en negatieve emoties niet adequaat te reguleren, wat vaak leidt tot agressieve impulsdoorbraken. In het bijzonder als hij onder invloed is van middelen. Het is de verwachting dat verdachte langdurige klinische behandeling nodig heeft, gericht op zowel de persoonlijkheids- als de verslavingsproblematiek. Verdachte toont zich op dit moment bereid om mee te werken aan behandelingen en voorwaarden. De zorghistorie wijst echter uit dat het hem veelal niet lukt om zich aan behandelafspraken te houden en vol te houden. Om de gewenste stabiliteit te kunnen creëren en het recidiverisico te verminderen is dan ook een strikt kader nodig. De rechtbank wordt geadviseerd om de maatregel tbs met voorwaarden op te leggen.

Nu de deskundigen het verband tussen de genoemde stoornissen en het handelen van verdachte niet kunnen vaststellen, ziet de rechtbank in de rapportages geen aanleiding om het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Strafoplegging

Gezien de aard en ernst van het gepleegde feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In afwijking van de officier van justitie, gaat de rechtbank uit van één brand en acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. In het verlengde daarvan zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan dat door de officier van justitie is gevorderd.

Zoals hiervoor is overwogen, is door verschillende deskundigen oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden geadviseerd. Ook bij de totstandkoming van deze adviezen is echter uitgegaan van de verdenking van meerdere branden, waaronder een brand waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Het bewezen verklaarde feit is van een andere aard.

Hoewel het veroorzaken van een brand waardoor (enkel) gevaar voor goederen ontstaat een feit is waarvoor een tbs-maatregel kan worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een tbs-maatregel in deze zaak afstuit op het beginsel van proportionaliteit. Het bewezen verklaarde feit is ernstig, maar niet zodanig ernstig dat oplegging van de ingrijpende maatregel tbs met voorwaarden gerechtvaardigd is.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 285 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7. De schade van benadeelde partijen

De vordering van benadeelde partij [aangever 1]

Mevrouw [aangever 1] (hierna: ‘[aangever 1]’) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij vordert een totaalbedrag van € 4.125,21 ter vergoeding van haar materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gevorderde schadevergoeding bestaat uit de volgende posten:

bedrag van € 4.100,- ter vergoeding van haar auto die door brand verloren is gegaan;

een bedrag van € 25,21 ter vergoeding van de extra reiskosten die zijn gemaakt doordat haar partner haar op 25 maart 2025 heeft moeten ophalen uit haar werk.

De vordering van benadeelde partij [aangever 2]

De heer [aangever 2] (hierna: ‘[aangever 2]’) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van € 13.500,51 ter vergoeding van zijn materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gevorderde vergoeding voor materiële schade (ter hoogte van € 11.943,51) bestaat uit de volgende posten:

een bedrag van € 788,57 voor zaken die door de brand achter zijn woning verloren zijn gegaan of zijn beschadigd en die niet door de verzekeraar zijn vergoed;

een bedrag van € 11.154,94 voor de arbeidskosten die verband houden met het opruimen van de restanten van de oude en het realiseren van een nieuwe schuur en schutting.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.557,00 gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [aangever 2] kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [aangever 1] moet naar het standpunt van de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien niet bewezen kan worden dat de brand waarbij de auto van [aangever 1] verloren is gegaan door verdachte is veroorzaakt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat beide vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in verband met vrijspraak van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen ter vergoeding van materiële schade onvoldoende zijn onderbouwd, doordat niet duidelijk is geworden waarom de bedragen niet door verzekeraars zijn vergoed. Met betrekking tot de vordering van [aangever 2] ter vergoeding van immateriële schade heeft de verdediging zich (subsidiair) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van zowel [aangever 1] als [aangever 2] heeft betrekking op het onder feit 2 ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken zal de rechtbank beide benadeelde partijen op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering.

8. De vordering tenuitvoerlegging

Het standpunt van de officier van justitie

Verdachte is op 21 april 2023 door de politierechter te Zwolle veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft om afwijzing van de vordering verzocht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een nieuw strafbaar feit.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de vordering van benadeelde partij [aangever 1]

- bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 1] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil;

de vordering van benadeelde partij [aangever 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-075984-23

- beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zwolle van 21 april 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Postma, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.J. Postma
  • mr. A. van Holten
  • mr. S.H. Peper

Griffier

  • mr. E.M.A. van den Hoek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?