RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/337784 / HA ZA 25-285
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
1. [eiser 1], en
2. [eiser 2],
beiden wonende in [woonplaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J. Knotter,
tegen
1. [gedaagde 1],
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 1],2. [gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 3],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
advocaat: voorheen mr. S. Ploegmakers, die zich op 1 oktober 2025 heeft onttrokken.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 6 augustus 2025,
- het bericht van de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waarmee zij zich per 1 oktober 2025 onttrekt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
De bij dagvaarding voorgeschreven termijn en andere formaliteiten zijn in acht genomen.
[eisers] hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding. Hiervoor wordt verwezen naar de dagvaarding.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eisers] De vordering komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor, behalve wat hierna is beschreven. De vordering zal daarom, als hierna beschreven, worden toegewezen.
De rechtbank zal de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten afwijzen. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] consumenten zijn. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eisers] hebben aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld en geen betalingstermijn van veertien dagen is gegeven. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
290,91
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.214,00
(1 punt × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.056,91
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 76.150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.056,91, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
31 december 2025. (hg)