ECLI:NL:RBOVE:2025:7697

ECLI:NL:RBOVE:2025:7697, Rechtbank Overijssel, 31-12-2025, C/08/335374 / HA ZA 25-216

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 31-12-2025
Datum publicatie 08-01-2026
Zaaknummer C/08/335374 / HA ZA 25-216
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Eiser heeft aan gedaagde opdracht gegeven tot het uitvoeren van een aantal werkzaamheden. Gedaagde heeft de werkzaamheden niet afgerond. Daarom vordert eiser een vervangende schadevergoeding. Eiser vordert ook de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en de rente. De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/335374 / HA ZA 25-216

Vonnis van 31 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

uit [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. A.H.H. Nauta,

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [bedrijf 1],

uit [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: voorheen mr. J.J. Veldhuis, die zich op 1 oktober 2025 heeft onttrokken.

1. De zaak in het kort

[eiser] heeft aan [gedaagde] opdracht gegeven tot het uitvoeren van een aantal werkzaamheden. [gedaagde] heeft de werkzaamheden niet afgerond. Daarom vordert [eiser] een vervangende schadevergoeding. [eiser] vordert ook de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en de rente. De rechtbank wijst haar vorderingen grotendeels toe en legt hieronder uit waarom.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van 20 juni 2025.

Er is door [gedaagde] niet voor antwoord geconcludeerd. Bij B2-formulier heeft mr. J.J. Veldhuis zich op 9 juli 2025 gesteld. Daarbij heeft hij om uitstel verzocht voor het nemen van de conclusie van antwoord. Op 20 augustus 2025 heeft hij weer om uitstel verzocht. Op 1 oktober 2025, de dag dat de conclusie van antwoord had moeten worden genomen, heeft mr. J.J. Veldhuis zich onttrokken. Daarna, hoewel daartoe de gelegenheid is geboden, heeft zich geen nieuwe advocaat voor [gedaagde] gesteld.

Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag uitspraak zal doen.

3. De feiten

[eiser] en [gedaagde] zijn een overeenkomst van aanneming van werk aangegaan op basis van een door [gedaagde] uitgebrachte offerte.

Op grond van de offerte zou [gedaagde] de volgende werkzaamheden verrichten:

[Afbeelding]

[eiser] heeft [gedaagde] meermaals per e-mail verzocht de werkzaamheden af te ronden. Dat is tot vandaag nog niet gebeurd.

4. Het geschil

[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een vervangende schadevergoeding van € 26.910,00, de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.704,10, de proceskosten en de wettelijke rente over deze drie posten.

[eiser] onderbouwt haar vorderingen met de stelling dat [gedaagde] de werkzaamheden zoals opgesomd in de offerte niet volledig heeft uitgevoerd en daarmee tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Omdat [gedaagde] volgens [eiser] niet meer aan zijn verplichtingen zal voldoen, maakt zij geen aanspraak meer op nakoming, maar op een vervangende schadevergoeding.

[gedaagde] heeft geen conclusie van antwoord genomen. Dat betekent dat hij de vorderingen van [eiser] niet gemotiveerd betwist.

5. De beoordeling

[gedaagde] moet de vervangende schadevergoeding betalen

[eiser] vordert € 26.910,00 aan vervangende schadevergoeding. Dit bedrag heeft zij gebaseerd op de offerte van [bedrijf 2] voor het leveren en plaatsen van de zeven ontbrekende kunststof kozijnen met binnen-afwerking.

De rechtbank wijst het bedrag van € 26.910,00 toe. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] namelijk op 4 september 2025 verzocht binnen drie weken de nog niet voltooide werkzaamheden uit te voeren en de nog niet geleverde zaken te leveren. Daarop heeft [gedaagde] geantwoord daarop dat het klopt dat de kozijnen nog niet zijn geleverd. Als reden gaf hij aan dat hij nog steeds geen officiële RAL kleur van [eiser] had ontvangen. Op 11 november 2025 heeft de advocaat van [eiser] daarop geantwoord dat in overleg met [gedaagde] al in januari 2024 gekozen was voor RAL 9010. Op dit bericht heeft [gedaagde] niet gereageerd. Ook niet op de herinneringen van de advocaat van [eiser] van 11 december 2024. [gedaagde] heeft ook geen werkzaamheden meer uitgevoerd.

Doordat [gedaagde] ondanks de sommaties de werkzaamheden niet heeft afgerond, was [eiser] op grond van artikel 6:87 lid 1 BW gerechtigd haar vordering tot nakoming om te zetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding zoals zij dit op 26 mei 2025 heeft gedaan.

[gedaagde] heeft de hoogte van het gevorderde bedrag niet weersproken en het bedrag komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld om € 26.910,00 aan [eiser] te betalen.

De door [eiser] gevorderde wettelijke rente zal de rechtbank ook toewijzen. Omdat [gedaagde] de werkzaamheden niet heeft afgerond en vervolgens de schadevergoeding niet heeft betaald, terwijl hem daartoe wel een termijn is gegeven en de laatste termijn op 10 juni 2025 is verstreken, verkeert hij sindsdien in verzuim. Dat betekent dat [gedaagde] vanaf die datum de wettelijke rente verschuldigd is.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

[eiser] vordert € 1.704,10 aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit zijn de kosten die [eiser], ter voorkoming van een rechterlijke procedure, heeft gemaakt om betaling van [gedaagde] te ontvangen. De vordering moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW en het ‘Besluit vergoeding voor buitenrechtelijke incassokosten’ (hierna: het Besluit).

De rechtbank stelt allereerst vast dat [eiser] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding.

Het bedrag dat [eiser] aan vergoeding heeft gevorderd, is hoger dan het tarief zoals door de wetgever bepaalt in het Besluit. De rechtbank zal het gevorderde bedrag afwijzen en betaling van het wettelijke tarief van € 1.044,10 toewijzen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal de rechtbank ook toewijzen.

[gedaagde] moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen

[gedaagde] krijgt ongelijk. Daarom moet hij de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten zijn de kosten die [eiser] heeft gemaakt om deze procedure te voeren. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

146,14

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

786,00

(1 punt × tarief III)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals hierna vermeld)

Totaal

1.200,14

Zoals hiervoor opgemerkt, vallen onder de proceskosten ook de nakosten. De nakosten zijn de kosten die [eiser] maakt om [gedaagde] ertoe te brengen aan het vonnis te voldoen. Dat betekent dat als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen in dit vonnis voldoet en het vonnis daarna is betekend, de nakosten zullen worden vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van de betekening.

De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal de rechtbank toewijzen. De wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW is [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd als hij de proceskosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis heeft betaald.

De toegewezen vorderingen zullen, zoals door [eiser] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als [gedaagde] niet aan de veroordelingen voldoet, ook als hoger beroep zou worden ingesteld.

6. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 26.910,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 10 juni 2025, tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.044,10 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 10 juni 2025, tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.200,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op

31 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?