RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-176066-22 (P)
Datum vonnis: 19 december 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [woonplaats].
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 147.850,00.
2. De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 2 oktober 2025 en
5 december 2025. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig met de behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.
De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat in Rotterdam, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Het standpunt van de officier van justitie
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 87.100,00 en dat de rechtbank de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 87.100,00.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, zakelijk weergeven en overeenkomstig een op schrift gestelde pleitnota, het volgende aangevoerd. Veroordeelde kan zich niet verenigen met de inhoud van het ontnemingsrapport. De raadsvrouw verzoekt, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, primair de ontnemingsvordering af te wijzen en de betalingsverplichting op nihil te stellen. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw het ontnemingsbedrag lager vast te stellen.
3. De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 19 december 2025 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2 en feit 3
het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen, inlichtingen te verschaffen,
en
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
en
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht op basis van de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte
bewijsmiddelen en het voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen
voordeel opgemaakt rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
van 20 juni 2023 op grond van artikel 36e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) dat veroordeelde financieel voordeel heeft genoten uit de door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast.
Berekening
De rechtbank gaat er op basis van de bewezenverklaring van uit dat verdachte in 2020 en 2021 tenminste 5,5 kilo cocaïne heeft verhandeld (4,5 kilo in 2020 en 1 kilo in 2021).
2020
4.500 x € 51,00 (straatprijs 2020) = € 229.500,00
minus 4.5 x € 34.000,00 (maximale inkoopprijs op basis van chatgesprekken) =
€ 153.000,00
€ 229.500,00 – € 153.000,00 = € 76.500,00
2021
1.000 x € 44,60 (straatprijs 2021) = € 44.600,00
minus 1 x € 34.000,00 (maximale inkoopprijs op basis van chatgesprekken) =
€ 34.000,00
€ 44.600,00 – € 34.000,00 = € 10.600,00
Totaal € 76.500,00 + € 10.600,00 = € 87.100,00
Conclusie
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 87.100,00.
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 87.100,00.
4. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Buiten staat
Mr. B.T.C. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.