ECLI:NL:RBOVE:2025:7733

ECLI:NL:RBOVE:2025:7733

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 27-03-2025
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer C/08/319391 / FA RK 24-2007
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Geschil tussen de ouders over de uitvoering van de gemaakte afspraken over de kosten van de minderjarige. Ontvankelijkheid verzoek kinderalimentatie beoordeeld aan de hand van art. 1:253a BW.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/319391 / FA RK 24-2007

beschikking van 27 maart 2025

inzake

[de vrouw] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster,

advocaat: mr. M.A. Knobben,

en

[de man] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 8 augustus 2024;

- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 24 oktober 2024;

- een F9-formulier van mr. Knobben, met bijlagen, binnengekomen op 17 februari 2025;

- een F9-formulier van mr. De Munnik-Hoogendoorn, met bijlagen, binnengekomen op 24 februari 2025;

- een F9-formulier van mr. De Munnik-Hoogendoorn, met bijlagen, binnengekomen op 25 februari 2025.

De kinderrechter heeft op 20 februari 2025 met na te noemen minderjarige [minderjarige] gesproken.

De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2025 met gesloten deuren plaatsgevonden. Verschenen en gehoord zijn:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad.

2. De feiten

De man en de vrouw zijn op 7 december 2007 te Kampen met elkaar gehuwd.

De man en de vrouw zijn de ouders van het minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats],

verder te noemen: [minderjarige].

De man en de vrouw oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige]. [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.

De man en de vrouw hebben de gevolgen van hun voornemen om te scheiden geregeld en neergelegd in het door beiden op 15 september 2020 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan. In het ouderschapsplan zijn de ouders, voor zover thans van belang, als volgt overeengekomen:

4. Zorgverdeling in tijd en plaats

De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar [minderjarige] verblijft is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders hebben ervoor gekozen om de zorg voor [minderjarige] gelijk te verdelen (co-ouderschap).

Week/dag

Ma

Di

Wo

Do

Vr

Za

Zo

1

M

M

M

M

V

V

V

2

V

V

V

V

M

M

M

(In dit schema wordt aangegeven bij welke ouder [minderjarige] overnacht).

M: moeder V: vader

Wisselmomenten

Het wisselmoment is rond 18:00 uur. [minderjarige] eet nog bij de ouder waar ze is.

(..)

11. Financiën

Kinderalimentatie

Ouders zijn geïnformeerd over de berekening van de kinderalimentatie aan de hand van een berekening uit Split-Online en de toelichting hierop aan tafel.

Volgens de tremanormen bedragen de totale kosten voor [minderjarige] per maand € 249,- bij een gezamenlijk gezinsinkomen van € 2.228,- (€ 2.129,- vader en € 99,- kindgebonden budget (KGB)).

Ouders zijn in onderling overleg tot de volgende afspraken gekomen:

ouders dragen ieder de eigen kosten van inwoning van het kind wanneer [minderjarige] bij hen verblijft;

moeder ontvangt kindgebonden budget en de kinderbijslag;

ouders betalen alle kosten voor [minderjarige] 50/50. Indien een ouder iets voorschiet, zal deze ouder de helft van de rekening bij de andere ouder declareren.”

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2020 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken, welke beschikking op 29 oktober 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de inhoud van hiervoor bedoeld echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.

3. Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bedrag dient te voldoen van € 240,46 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 8 juli 2024, althans per datum indiening van het verzoekschrift, althans een zodanig bedrag met ingang van een datum die de rechtbank juist acht, kosten rechtens.

4. Het verweer, tevens houdende zelfstandig verzoek

De man concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. Hij verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan, waarbij [minderjarige] de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw, met het wisselmoment op de vrijdag om 18:00 uur, alsmede de vakanties en feestdagen zoals deze in het ouderschapsplan zijn vastgelegd, zulks op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag/dagdeel waarop de zorgregeling door de vrouw niet wordt nagekomen, zulks met een maximum van € 10.000,-, dan wel op straffe van een dwangsom door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek om aan de verzochte veroordeling tot nakoming van de zorgregeling een dwangsom te verbinden, ingetrokken.

5. De beoordeling

De zorgregeling

De rechtbank stelt vast dat de onderlinge verstandhouding tussen de ouders is verstoord. De ouders hebben (vrijwel) geen contact met elkaar en de omgang tussen [minderjarige] en de man is gestopt. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij teleurgesteld is in de man. Zij heeft op dit moment geen behoefte aan contact met haar vader. Ook heeft [minderjarige] verteld dat zij last heeft (gehad) van paniekaanvallen. De rechtbank vindt het met de raad belangrijk dat de ouders gaan werken aan de communicatie en het onderlinge vertrouwen en dat zij ernaar streven om de situatie voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Positief is dat beide ouders hebben toegezegd mee te werken aan een hulpverleningstraject. De rechtbank complimenteert de ouders dat zij zich open stellen voor hulp.

De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken om een hulpverleningstraject via de gemeente Kampen te gaan starten. De ouders hebben het aanmeldingsformulier ‘scheidingshulpverlening gemeentelijke toegang’ ingevuld en ondertekend. De rechtbank heeft het aanmeldformulier van de ouders naar de gemeente toegestuurd. De rechtbank zal de beslissing op het verzoek tot nakoming van de zorgregeling aanhouden, om de ouders in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een hulpverleningstraject bij een door de gemeentelijke toegang te bepalen instantie.

Het doel van het hulpverleningstraject is:

de ouders communiceren goed met elkaar;

er wordt door hulpverlening met [minderjarige] gesproken om te kijken hoe zij de

problemen rond de echtscheiding beleeft en om te onderzoeken of hulp nodig is voor [minderjarige];

- hoe kunnen de ouders [minderjarige] ondersteunen om het makkelijker voor haar te maken om

contact te hebben met de man?

wat heeft [minderjarige] (verder) nodig?

zo mogelijk wordt er gestreefd naar een gesprek tussen de man en [minderjarige] en uiteindelijk

wordt er gekeken of contact tussen [minderjarige] en de man weer mogelijk is.

Ook wil de rechtbank worden geïnformeerd door de hulpverlenende instantie over relevante kind-/ouderfactoren die de rechtbank bij zijn beslissing dient te betrekken.

Na ontvangst van de eindrapportage zal de rechtbank de advocaten van de ouders in de gelegenheid stellen om hierop schriftelijk te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.

Als het hulpverleningstraject niet positief is afgerond zal de raad beoordelen of een raadsonderzoek nodig is. Als de raad een onderzoek nodig vindt verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te doen en daarover een rapport in te dienen bij de rechtbank.

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

De ontvankelijkheid

De vrouw stelt dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, erin gelegen dat het inkomen van de man na het opstellen van het ouderschapsplan is gewijzigd en de man momenteel samenwoont met zijn huidige partner. Ook wordt de zorg voor [minderjarige] niet langer bij helfte verdeeld, zoals in het ouderschapsplan is vermeld. Tevens is er volgens de vrouw ruimte om het verzoek van de vrouw inhoudelijk te beoordelen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), nu de gemaakte financiële afspraken die in het ouderschapsplan zijn opgenomen leiden tot discussies tussen de ouders.

De man betwist dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Hij stelt – kort gezegd – het volgende. In het ouderschapsplan zijn de ouders met elkaar overeengekomen dat zij de kosten van [minderjarige] delen. Dat gebeurt feitelijk nog steeds. Bovendien kan er uitvoering worden gegeven aan de co-ouderschapsregeling die in het ouderschapsplan is vermeld. De gemaakte financiële afspraken hebben echter van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven voldaan. Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige] is namelijk geen rekening gehouden met de kosten voor [naam 2] (de zoon van de man), terwijl [naam 2] in 2020 50% van de tijd deel uitmaakte van het gezin van de ouders.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vrouw dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:253a BW. Daargelaten of de gemaakte afspraken over de kosten van [minderjarige] aan de wettelijke maatstaven voldoen/hebben voldaan, is het de rechtbank gebleken dat er tussen de ouders een geschil is ontstaan over de uitvoering van deze afspraken. Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen tussen ouders over de uitoefening van het gezag worden voorgelegd aan de rechtbank. De wet stelt geen eisen aan de aard of de ernst van het geschil. De geschillen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het aanvragen van een paspoort, schoolkeuze, medische aangelegenheden zoals vaccinatie, verblijfplaats, een verhuizing van een ouder met het kind, omgang, maar ook over de kosten van verzorging en opvoeding, zoals in deze procedure het geval is. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt (zie hierover ECLI:NL:PHR:2024:462 en ECLI:NL:HR:2024:1718).

Gelet op het voorgaande kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek. De rechtbank zal hieronder het verzoek van de vrouw inhoudelijk beoordelen en een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.

De inhoudelijke beoordeling

De ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderbijdrage gaat gelden.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage de datum van deze beschikking, omdat de man onbetwist heeft gesteld dat hij de afgelopen periode een deel van de kosten voor [minderjarige] heeft betaald. Gelet hierop zou het naar het oordeel van de rechtbank onredelijk zijn om van de man te verlangen dat hij met terugwerkende kracht mogelijk moet bijbetalen.

De behoefte

In het door de ouders opgestelde ouderschapsplan van 15 september 2020 is de behoefte van [minderjarige] vastgesteld op € 249,- per maand bij een gezamenlijk gezinsinkomen van € 2.228,-. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 305,63 per maand.

De man stelt dat de in het ouderschapsplan vastgestelde behoefte onjuist is, omdat er bij de berekening van de behoefte ten onrechte geen rekening is gehouden met de zoon van de man, [naam 2]. [naam 2] verbleef in 2020 50% van de tijd bij de man en de vrouw. Een deel van het netto besteedbaar gezinsinkomen werd dus besteed aan [naam 2].

De vrouw betwist dat [naam 2] in 2020 onderdeel uitmaakte van het gezin. Volgens de vrouw woonde [naam 2] in 2020 niet meer bij de man en de vrouw en had de man geen contact (meer) met [naam 2]. Bij het bepalen van de behoefte moet daarom uitgegaan worden van een driepersoonshuishouden, zoals in het ouderschapsplan is gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw is het de rechtbank niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden dat [naam 2] in 2020 deel uitmaakte van het gezin van de ouders. De man heeft geen verifieerbare stukken in het geding gebracht waaruit dit blijkt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om van een andere behoefte uit te gaan dan de behoefte die in het ouderschapsplan is vastgesteld.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

De draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind uit van de navolgende gegevens.

Blijkens de jaaropgaaf 2024 van ASR ontvangt de man een AOV-uitkering van € 32.783,- bruto op jaarbasis. Daarnaast voert de man een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd “[bedrijf]”. Bij ondernemers is het gebruikelijk om uit te gaan van de gemiddelde winsten uit de onderneming van de laatste drie jaren. De rechtbank beschikt echter niet over de jaarstukken van de onderneming over de laatste drie jaren. De man heeft enkel de jaarstukken van zijn onderneming over het jaar 2022 overgelegd. De overige financiële stukken die de man heeft overgelegd, zijn onvolledig. De man stelt dat de omzet van de onderneming de afgelopen jaren ongeveer gelijk is gebleven, maar de man heeft dit niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Evenmin heeft de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, voldoende onderbouwd dat de huidige winst uit onderneming door de gemaakte leasekosten lager is dan in 2022. De rechtbank acht het daarom redelijk om uit te gaan van de winst uit onderneming zoals vermeld in de jaarstukken over het jaar 2022 (€ 11.255,-) en deze winst te verhogen met de wettelijke indexering naar 2024. Dat is € 12.359,21. De AOV-uitkering van de man wordt daarbij opgeteld.

Voorts is de rechtbank – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – van oordeel dat de man zijn stelling dat hij vanwege zijn gezondheidsproblemen niet langer in staat is om een met 2022 vergelijkbaar inkomen te genereren, onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft weliswaar een brief van zijn huisarts overgelegd waarin staat dat de man kampt met gezondheidsklachten, maar de man heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn gezondheidsklachten directe gevolgen (zullen) hebben voor zijn inkomen. De rechtbank gaat dan ook aan dit standpunt van de man voorbij.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Daarnaast heeft de man recht op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.614,- per maand.

De vrouw stelt dat aan de zijde van de man moet worden gerekend met een woonbudget van 0% van het NBI, omdat zijn woonlasten worden gedragen door zijn huidige partner. De man betwist dit.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat de man op dit moment geen woonlasten heeft. Het lag op de weg van de vrouw om deze stelling nader te onderbouwen. Nu de vrouw dit niet heeft gedaan, zal de rechtbank niet afwijken van het forfaitaire systeem wat betreft de woonlasten en uitgaan van het woonbudget zoals dat volgt uit de alimentatieberekening.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.310)] op € 364,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

De man en de vrouw zijn het met elkaar eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand is. De rechtbank zal hiervan uitgaan.

Draagkrachtvergelijking

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen € 389,- (€ 364,- + € 25,-) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte van [minderjarige], die is vastgesteld op € 305,63 per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [minderjarige] te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op een (afgerond) bedrag van € 286,- per maand (€ 364,- : € 389,- x € 305,63). Het aandeel van de vrouw stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 20,- per maand (€ 25,- : € 389,- x € 305,63).

De zorgkorting

De rechtbank stelt vast dat de man en [minderjarige] op dit moment geen omgang met elkaar hebben. De man heeft wel de wens om in de toekomst het contact met [minderjarige] te herstellen. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkortingspercentage van 5. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] € 305,63 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting (afgerond) € 15,- per maand.

Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor [minderjarige] van € 271,- (€ 286,- minus de zorgkorting van € 15,-) per maand. De rechtbank kan echter geen hogere bijdrage vaststellen dan verzocht is. De rechtbank zal daarom de bijdrage beperken tot het door de vrouw verzochte bedrag van € 240,46 per maand.

Aanhechten berekeningen

De rechtbank heeft een berekening van de draagkracht van de man en de verdeling van de kosten van [minderjarige] gemaakt. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

6. De beslissing

De rechtbank:

wijzigt door de man en de vrouw gemaakte afspraken over de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige], zoals die zijn vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2020 en het van deze beschikking deel uitmakende ouderschapsplan van 15 september 2020 en bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,

met ingang van heden op € 240,46 (tweehonderd veertig EURO en zesenveertig EUROCENT) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de hulpverleningsinstantie uiterlijk 29 september 2025 of zoveel eerder als mogelijk, de eindrapportage over het verloop van het hulpverleningstraject aan de rechtbank en de raad toe te sturen;

stelt partijen in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure;

verzoekt de raad, als het traject niet positief is verlopen, te beoordelen of onderzoek nodig is en de rechtbank daarover binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage te informeren, en, indien dat het geval is, een onderzoek te verrichten naar de voor [minderjarige] meest wenselijke zorgregeling en daarover bij de rechtbank een rapport in te dienen op een nader te bepalen datum;

houdt iedere verdere beslissing over de zorgregeling en de proceskosten aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op

27 maart 2025 in tegenwoordigheid van mr. C. Ruiter, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

[Afbeelding][Afbeelding][Afbeelding]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C. Ruiter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?