ECLI:NL:RBOVE:2025:7734

ECLI:NL:RBOVE:2025:7734

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 30-12-2025
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer C/08/314641 / ES RK 24-3453
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Na negatieve terugkoppeling sociaal wijkteam geen doorverwijzing naar verdere hulpverlening, maar vaststelling hoofdverblijfplaats en (beperkte) zorgregeling. Vaststelling kinderalimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/314641 / ES RK 24-3453

beschikking van 30 december 2025

inzake

[de moeder] ,

verder te noemen: de vrouw of de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat: mr. R.H. Broeksema,

en

[de vader] ,

verder te noemen: de man of de vader,

wonende te [woonplaats 2] ,

belanghebbende,

advocaat: voorheen mr. M. van der Burg (onttrokken op 22 augustus 2025).

1. Het verdere procesverloop

De rechtbank heeft op 3 april 2025 een beschikking gegeven in deze zaak, waarbij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen is uitgesproken, een voorlopige zorgregeling is vastgesteld, alsmede een door de man te betalen voorlopige kinderbijdrage is vastgesteld. Bij deze beschikking heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het resultaat van het door de ouders via de gemeentelijke toegang te volgen hulpverleningstraject.

De rechtbank heeft daarna kennisgenomen van de volgende stukken:

- een op 22 augustus 2025 binnengekomen F2-formulier van mr. Van der Burg van die datum;

- een e-mail van mr. Van der Burg van 22 augustus 2025, met bijlagen;

- een e-mail van het Sociaal Wijkteam [locatie] van 9 september 2025, met als bijlage de terugkoppeling ouderschapsbemiddeling, met bijlage;

- een op 17 september 2025 binnengekomen brief van de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad, van die datum;

- een op 26 september 2025 binnengekomen F9-formulier van mr. Broeksema van die datum;

- een op 21 oktober 2025 binnengekomen F9-formulier van mr. Broeksema van die datum;

- een op 7 november 2025 binnengekomen F9-formulier van mr. Broeksema van die datum, met bijlagen.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 25 november 2025 met gesloten deuren. Ter zitting zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man;

[naam] namens de raad.

2. De feiten

Partijen zijn ouders van het navolgende minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023 ([minderjarige]).

Bij beschikking van 3 april 2025 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op

10 juli 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, het

volgende beslist:

“wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2024 en stelt inzake het recht van [minderjarige] op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende voorlopige regeling vast, totdat de ouders andere afspraken maken of nader wordt beslist door de rechtbank:

[minderjarige] verblijft bij de man volgens het navolgende schema:

Week I:

dinsdag van 09:00 uur tot 12:00 uur. Indien de man om welke reden dan ook verhinderd is, moet hij de vrouw vóór zondagavond 18.00 uur daarvan op de hoogte stellen;

weekend van vrijdag 18.00 uur (wk I) tot maandag 9.00 uur (wk II);

Week II: van donderdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 uur;

Week III: dinsdag en in het weekend (zie 1);

Week IV: donderdag- vrijdag (zie 2);

Week V: dinsdag en in het weekend (zie 1); etc.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2024 en bepaalt de door de man te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023,

met ingang van 1 december 2024 op € 545,- (vijfhonderd vijfenveertig EURO) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;”.

Voor de overige feiten wordt verwezen naar genoemde beschikking van 3 april 2025.

3. De verdere beoordeling

De rechtbank dient te beslissen nu nog te beslissen:

• op het verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar;

• tot vaststelling van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader, waarbij [minderjarige] na een opbouwperiode de ene week van vrijdag 17.00 uur tot maandag naar de kinderopvang bij de vader verblijft en in de andere week van donderdag uit de kinderopvang tot vrijdag 17.00 uur bij de vader verblijft onder de voorwaarde dat de vader hersteld is van de verslaving die hij volgens de moeder heeft; • tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 250,- per maand; • alsmede op het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling waarbij [minderjarige] steeds week om week van vrijdag 18.00 uur tot en met vrijdag 18.00 uur en de helft van de vakanties bij de vader zal verblijven.

De hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Ter zitting van 20 maart 2025 zijn de vader en de moeder overeengekomen dat zij in de

onderhavige procedure een hulpverleningstraject bij een door de gemeentelijke toegang te bepalen instantie aangaan.

De op 9 september 2025 binnengekomen terugkoppeling van het Sociaal wijkteam

(SWT) betreft een negatieve terugmelding. In de terugkoppeling staat vermeld dat de ouders hebben afgesproken dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is, maar dat zij het niet eens zijn geworden over de zorgregeling. De conclusie van het SWT is dat de ouders stappen hebben gezet in het uitspreken van hun verhaal en in tijdelijk beter overleg, maar dat onderliggende patronen en zorgen de samenwerking blijven belemmeren en dat het lastig is gebleken om deze patronen duurzaam te doorbreken. De vader kwam herhaaldelijk te laat waardoor afspraken werden afgezegd of verlaat doorgingen. Hoewel de ouders op momenten in staat waren om constructief samen te werken, is dit nog onvoldoende stabiel gebleken. Vanwege voortdurende spanningen en de zorgen die er zijn over betrouwbaarheid en veiligheid, alsmede de behoefte aan verdere ondersteuning, adviseert het SWT om de ouders door te verwijzen naar Ouderschap Na Scheiding (ONS) van Trias.

De standpunten

De moeder stelt zich op het standpunt dat de huidige zorgregeling, waarbij [minderjarige] bij de

vader verblijft in de oneven weken van vrijdag 18.00 uur tot maandag naar de opvang en in de even weken van donderdag uit de opvang tot vrijdag 18.00 uur, kan worden vastgesteld. Volgens de moeder loopt deze regeling, die afwijkt van haar verzoek, redelijk goed. De vader komt de afspraken niet dan wel moeizaam na, maar de moeder wil wel dat [minderjarige] contact heeft met de vader.

De vader voert niet langer inhoudelijk verweer tegen het verzoek van de moeder om te

bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal zijn. Hij wil dat [minderjarige] de helft van de tijd bij hem verblijft. Volgens de vader verloopt de omgang goed en is [minderjarige] veilig bij hem.

Het advies van de raad

De raad adviseert om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is.

Met het oog op de veiligheid van [minderjarige] adviseert de raad om het verzoek van de moeder, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft in de oneven weken van vrijdag 18.00 uur tot maandag naar de opvang en in de even weken van donderdag uit de opvang tot vrijdag 18.00 uur, toe te wijzen, zodat voor [minderjarige] duidelijk is wanneer hij bij zijn vader is. De huidige zorgregeling verloopt goed en het lukt de vader op dit moment niet om [minderjarige] voldoende stabiliteit te bieden bij een uitgebreidere zorgregeling. De raad acht een verwijzing van de ouders naar ONS op dit moment niet zinvol. Daarvoor is nodig dat de vader hulp zoekt en eerst aan zichzelf gaat werken, waarna de ouders samen kunnen werken aan het traject ONS. Het staat de ouders vrij om in de toekomst zelf andere afspraken over de omgang te maken, aldus de raad.

Het wettelijk criterium

De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van

het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

Het oordeel

De rechtbank acht het met de raad in het belang van [minderjarige] dat hij zijn hoofdverblijfplaats

bij de moeder zal hebben en zal het verzoek van de moeder toewijzen.

Het is in het belang van [minderjarige] dat hij regelmatig contact heeft met zijn vader en dat voor

hem duidelijk is wanneer hij omgang heeft met zijn vader. Voorop staat dat de omgang met en bij zijn vader veilig moet zijn voor [minderjarige] . De rechtbank acht de door de raad geadviseerde zorgregeling, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft in de oneven weken van vrijdag 18.00 uur tot maandag naar de opvang en in de even weken van donderdag uit de opvang tot vrijdag 18.00 uur, passend. De rechtbank zal daarom de bij beschikking van 3 april 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling wijzigen en vaststellen, zoals door de raad is geadviseerd en hieronder staat vermeld. De rechtbank zal het meer of anders door de moeder dan wel de vader ten aanzien van de zorgregeling verzochte, afwijzen.

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]

De moeder heeft verzocht om te bepalen dat de vader maandelijks bij vooruitbetaling

een bedrag voldoet van € 250,- wegens de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] .

Bij beschikking van 3 april 2025 is overeenkomstig de tussen partijen gemaakte

afspraken de door de vader te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 december 2024 vastgesteld op € 545,- per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen.

Mr. Broeksema heeft in het F9-formulier van 21 oktober 2025 de rechtbank bericht

dat de moeder instemt met vastlegging van het bedrag van € 545,- per maand als definitieve kinderalimentatie. De rechtbank stelt echter vast dat de moeder haar verzoek tot vaststelling van een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor een bedrag van € 250,- formeel niet heeft gewijzigd, zodat de rechtbank uitgaat van het door de moeder op 13 mei 2024 ingediende verzoekschrift.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot vaststelling van een door hem te

betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De vader heeft op de mondelinge behandeling van 25 november 2025 aangevoerd dat hij geen inkomen en derhalve geen draagkracht heeft. De vader heeft zijn stellingen niet met stukken onderbouwd.

De vader is daarop in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na

25 november 2025 relevante financiële stukken aan mr. Broeksema over te leggen, teneinde mr. Broeksema in de gelegenheid te stellen de verdiencapaciteit van de vader en zijn draagkracht vast te stellen en daarop eventueel het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie aan te passen en bij de rechtbank in te dienen.

De rechtbank stelt vast dat na de mondelinge behandeling van 25 november

2025 van de zijde van de moeder geen gewijzigd verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie bij de rechtbank is binnengekomen. De rechtbank zal daarom de bij beschikking van 3 april 2025 vastgestelde voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] wijzigen en beslissen dat de vader een bedrag van € 250,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, vanaf 1 januari 2026. De rechtbank zal het meer of anders door de moeder verzochte afwijzen.

4. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind [minderjarige]

, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023, bij de moeder zal zijn;

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 3 april 2025 vastgestelde voorlopige

regeling en stelt als zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader de volgende regeling vast:

• [minderjarige] verblijft in de oneven weken van vrijdag 18.00 uur tot maandag naar de opvang bij de vader;

• [minderjarige] verblijft in de even weken van donderdag uit de opvang tot vrijdag 18.00 uur bij de vader;

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 3 april 2025 vastgestelde voorlopige

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023,

met ingang van 1 januari 2026 op € 250,- (tweehonderdvijftig EURO) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.F. Smeele en in het openbaar uitgesproken op

30 december 2025 in tegenwoordigheid van A. van der Weide, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?