RECHTBANK OVERIJSSEL
[verzoeker] ,
de stichting Stichting deltaWonen,
Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer 331274 FT RK 25.199Datum vonnis: 2 juni 2025
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
verder ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: Budget Adviesbureau Deventer (BAD),
tegen
gevestigd te Zwolle,
verder ook te noemen: verweerster,
gemachtigde: Flanderijn te Rotterdam,
verder ook te noemen: de deurwaarder.
Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van thans [beschermingsbewindvoerder] (h.o.d.n. Budgethelp) te Heino tot (beschermings)bewindvoerder.
Het procesverloop
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (verzoek schuldsanering) en heeft tevens verzocht om verweerster (gedurende zes maanden) te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, Team Kanton en Handelsrecht, zittingsplaats Zwolle,
d.d. 7 januari 2025 tot ontruiming van de woning van [verzoeker] aan de [adres] (verzoek ex artikel 287b Faillissementswet).
Bij vonnis van 8 april 2025 is het verweerster, zonder partijen te horen, verboden tot en met 3 juni 2025 de woning aan de [adres] te ontruimen. De inhoudelijke behandeling van het verzoek moratorium is gepland op de zitting van 26 mei 2025. Ter zitting van 26 mei 2025 zijn mevrouw [naam 1] ([naam 1]), mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] namens het BAD cq de gemeente Kampen verschenen. Ook de beschermingsbewindvoerder is verschenen. Namens verweerster zijn mevrouw [naam 4] en de heer [naam 5] verschenen. [verzoeker] is niet verschenen. Van de zitting zijn aantekeningen gemaakt.
De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing
De feiten
Het vonnis van 8 april 2025 wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
Flanderijn heeft voor de zitting een verweerschrift ingediend. Volgens verweerster heeft [verzoeker] zich als huurder ernstig misdragen. Eind maart 2025 heeft een door verweerster ingeschakelde aannemer voor renovatiewerkzaamheden in onder andere de woning van [verzoeker], de woning betreden. Volgens de aannemer is de woning verwoest: de deuren zijn uit de kozijnen gehaald en de CV-ketel en thermosstaat zijn verwijderd.
In een voor de zitting door [naam 1] toegestuurde update van de situatie van [verzoeker] blijkt het volgende. De schuldregeling van [verzoeker] kan niet worden gestart omdat eerst alle belastingaangiftes moeten worden gedaan. Om belastingaangifte te kunnen doen zijn jaarcijfers nodig en die zijn er niet. De inkomsten uit de onderneming van [verzoeker]
([bedrijf]) komen binnen op de bankrekening bij de bewindvoerder.
De behandeling ter zitting
[naam 1] en de beschermingsbewindvoerder hebben verklaard niet te weten waarom [verzoeker] niet ter zitting is verschenen. [naam 1] heeft verklaard dat ze nog steeds geen inzage in de financiƫn van [verzoeker] heeft gekregen en dat de schuldhulpverlening zich daardoor nog steeds in de stabilisatiefase bevindt.
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat [verzoeker] haar wel de informatie toestuurt die nodig is om het beschermingsbewind uit te voeren, maar dat hij niet doet, wat hij zelf moet doen, zoals belastingaangifte. De vaste lasten worden betaald, de huur van april en mei 2025 is betaald.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b
Faillissementswet tot doel heeft een minnelijk traject mogelijk te maken teneinde een regeling met schuldeisers te treffen.
De rechtbank concludeert dat het minnelijk traject, in de zin van de schuldenlast inventariseren en een aanbod doen aan schuldeisers, niet kan starten omdat [verzoeker] geen inzage geeft in zijn administratie en geen belastingaangifte doet. [verzoeker] voorziet [naam 1] bovendien ook niet van de financiƫle informatie om hem, door inschakeling van derden, bij onder andere het doen van belastingaangifte, te ondersteunen. Nu [verzoeker] zelf en niet zozeer de dreigende ontruiming de start van het minnelijk traject onmogelijk maakt, moet dat naar het oordeel van de rechtbank de afwijzing van het verzoek moratorium (oftewel de verlenging van 3 juni 2025 tot en met 8 oktober 2025) tot gevolg hebben.
De rechtbank concludeert dat [verzoeker], ook gelet op het feit dat hij niet ter zitting van 26 mei 2025 is verschenen, kennelijk het belang niet in ziet van het tegengaan van de ontruiming en het saneren van zijn schuldenlast.
De beslissing
De rechtbank:
Wijst het verzoek ex artikel 287b Faillissementswet af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.