RECHTBANK OVERIJSSEL
[verzoeker 1]
en
[verzoeker 2],
[verweerder] ,
Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
Rekestnummers: NL:TZ:2501577:R-RK en NL:TZ:2501578:R-RKDatum vonnis: 6 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op de verzoeken van:
beiden wonende te [woonplaats 1],
verzoekers,
gemachtigde: Budget Adviesbureau Deventer (BAD),
tegen
gevestigd/wonende te [woonplaats 2],
verder ook te noemen: verweerder,
gemachtigde: AVK Gerechtsdeurwaarders te Arnhem,
verder ook te noemen: de deurwaarder.
Het procesverloop
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (verzoek schuldsanering) en hebben tevens verzocht om verweerder (gedurende zes maanden) te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, Team Kanton en Handelsrecht, zittingsplaats Zwolle, d.d. 29 juli 2025 tot ontruiming van de woning van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] aan de [adres], (verzoek ex artikel 287b Faillissementswet).
Bij vonnis van 1 september 2025 is het verweerder, zonder partijen te horen, verboden tot en met 13 oktober 2025 de woning aan de [adres] te ontruimen. De inhoudelijke behandeling van het verzoek moratorium heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 september 2025. Ter zitting zijn [verzoeker 1], [verzoeker 2], de heer [naam 1] ([naam 1]), en mevrouw [naam 2] ([naam 2]) van het BAD verschenen. Verder is er niemand verschenen. Van de zitting zijn aantekeningen gemaakt.
De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing
De feiten
Het vonnis van 1 september 2025 wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] wonen samen met hun inmiddels vijf maanden oude baby. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben zich op 28 augustus 2025 aangemeld voor schuldhulpverlening bij het BAD. De huur van de maand september 2025 is op 29 augustus 2025 voldaan. [verzoeker 1] exploiteert een klussenbedrijf in de vorm van een eenmanszaak met de handelsnaam: [bedrijf]. Het inkomen van het gezin moet uit de onderneming worden gehaald. [verzoeker 2] heeft geen inkomen.
In het vonnis van 1 september 2025 is [verzoeker 1] opgedragen de rechtbank uiterlijk op
22 september 2025 nader te informeren over zijn onderneming en de wijze waarop hij de komende maanden in zijn inkomen denkt te voorzien, onder meer door het overleggen van concrete opdrachten.
Op 22 september 2025 heeft de rechtbank een email van het BAD ontvangen waarin nadere informatie over de onderneming is verstrekt.
De boekhouding van de onderneming is niet op orde, er is geen volledige inzage in omzet en winst. De boekhouder van [verzoeker 1] heeft laten weten dat hij nog niet beschikt over alle facturen om de jaarstukken te kunnen opstellen en de belastingaangiftes te kunnen doen. Gebleken is dat [verzoeker 1] diverse contante opnames heeft gedaan. Volgens [verzoeker 1] zijn daar zakelijke inkopen mee gedaan in het buitenland. [verzoeker 1] heeft echter de bijbehorende inkoopfacturen niet aangeleverd. Navraag bij de Belastingdienst heeft geleerd dat er sprake is van een preferente schuld van € 161.926,--. Dit bedrag bestaat grotendeels uit ambtshalve aanslagen.
Tenslotte heeft het BAD opgemerkt dat als [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hun woning moeten verlaten, zij gelet op hun verblijfstatus kunnen terugkeren naar de opvanglocatie.
Ter zitting van 29 september 2025 heeft [naam 1] voor [verzoeker 1] en [verzoeker 2] vertaald omdat zij de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig zijn.
De behandeling ter zitting
Volgens [verzoeker 1] heeft hij bestellingen in het buitenland contant betaald. Inmiddels koopt hij in bij een andere onderneming die hij per bank kan betalen. Volgens [verzoeker 1] kan hij de contante inkopen wel met facturen onderbouwen.
Volgens [verzoeker 1] zal hij op de avond van de zitting, nadat hij een paar kleine klusjes heeft afgemaakt, een betaling van € 2.400,-- voor een opdracht ontvangen, waarmee hij de huur voor oktober 2025 zal betalen. [verzoeker 2] heeft verklaard dat ze haar kind, nu hij nog zo klein is, niet naar de kinderopvang wil brengen. Daardoor is het lastig voor haar om werk te vinden.
[naam 2] heeft verklaard dat de financiële informatie met terugwerkende kracht bij elkaar moet worden gesprokkeld en bij de boekhouder moet worden aangeleverd.
Volgens [naam 2] verwacht de boekhouder dat de belastingschuld na aangifte circa € 20.000,-- zal bedragen.
[naam 2] heeft verklaard dat ze niet kan starten met het minnelijk traject zolang de boekhouding niet op orde is. [naam 2] kan daardoor onder andere de schuldenlast niet vaststellen.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b
Faillissementswet tot doel heeft een minnelijk traject mogelijk te maken teneinde een regeling met schuldeisers te treffen. De rechtbank constateert dat het minnelijk traject, in de zin van het inventariseren van de schuldenlast en het doen van een aanbod aan de schuldeisers niet kan starten, omdat de schuldenlast niet inzichtelijk te krijgen is. Een andere reden is dat niet duidelijk is welk inkomen [verzoeker 1] uit de onderneming kan halen. De oorzaak van dit alles is dat de boekhouding van de onderneming niet op orde is en dat er ook de afgelopen maand door [verzoeker 1] te weinig is ondernomen om die boekhouding compleet te maken. Dit valt [verzoeker 1] aan te rekenen. Een ondernemer heeft immers de plicht een deugdelijke boekhouding te voeren waaruit de rechten en verplichtingen van de onderneming kunnen worden gekend. Aan die plicht heeft [verzoeker 1] niet voldaan.
De rechtbank concludeert dat nu het minnelijk traject niet kan starten en het niet aannemelijk is dat dit in de nabije toekomst wel het geval is, het doel van de voorlopige voorziening eraan is ontvallen.
Voorwaarde voor het toekennen van een verzoek moratorium is bovendien dat de lopende huur kan en moet worden betaald. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet aannemelijk hebben gemaakt van welk inkomen ze de komende maanden de huur gaan betalen. Om de huur van oktober 2025 te kunnen betalen, moest [verzoeker 1] immers eerst nog werkzaamheden verrichten op 29 september 2025. Of de huur van oktober 2025 is betaald, is onbekend, maar als die huur al is betaald, is nog steeds onduidelijk waarvan de huur de maanden erna zal worden betaald.
Wat betreft [verzoeker 2] merkt de rechtbank op dat zij weinig tot niets onderneemt om een bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen om zodoende de huur te kunnen betalen en een oplossing te vinden voor de problematische schuldensituatie, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden wel van haar had mogen worden verwacht.
De rechtbank is van oordeel dat vorenstaande de afwijzing van het verzoek moratorium (oftewel afwijzing van de verlenging vanaf 13 oktober 2025) tot gevolg moet hebben. De rechtbank zal daartoe overgaan.
De beslissing
De rechtbank:
Wijst het verzoek (tot verlenging van de voorlopige voorziening) ex artikel 287b Faillissementswet af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.