RECHTBANK OVERIJSSEL
[verzoeker],
Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
rekestnummer: 330049 FT RK 25.137
uitspraakdatum: 28 april 2025
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
verder [verzoeker] te noemen.
Het procesverloop
[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend om ten aanzien van hem de toepassing van de (wettelijke) schuldsaneringsregeling uit te spreken. Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 april 2025 waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting is [verzoeker] samen met zijn vriendin, mevrouw [naam], verschenen.
De beoordeling
de feiten
[verzoeker] woont met zijn vriendin en haar dochter in een anti-kraak woning in [plaats]. Onlangs hebben zij via de woningstichting een huurwoning toegewezen gekregen waar zij op 24 april 2025 in kunnen. [verzoeker] heeft met zijn ex-partner een minderjarige dochter, die hoofdzakelijk bij haar verblijft. [verzoeker] is alimentatieplichtig. Het LBIO heeft beslag gelegd op het inkomen van [verzoeker] voor zowel de oude schuld als de lopende verplichting.
Vanaf 20 juni 2016 heeft [verzoeker] een eenmanszaak, [bedrijf 1]. De zaak is nog niet uitgeschreven uit het handelsregister, maar er vinden geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. Sinds september 2024 werkt [verzoeker] bij [bedrijf 2] B.V., voor 32 uur per week tegen een salaris van € 1.952,61 per maand. Vanaf 6 mei 2025 heeft hij een nieuwe baan en gaat hij 36 uur per week werken bij [bedrijf 3] in [plaats].
Volgens het verzoekschrift bedraagt de totale schuldenlast € 112.679,24. Deze bestaat onder andere uit de volgende schulden:
Inmiddels is de vordering van het CJIB ter zake van verkeersboetes opgelopen tot € 1.429,87 en blijkt € 3.194,59 verschuldigd te zijn ter zake van premie zorgverzekering CAK.
Verder heeft [bedrijf 4] gesteld een vordering van € 34.966,52 te hebben ter zake van een leaseauto.
de behandeling ter zitting
[verzoeker] heeft verklaard dat hij de boekhouding volledig uit handen heeft gegeven aan zijn boekhouder. Hij bracht ieder kwartaal zijn facturen en bonnen naar zijn boekhouder en hij is er altijd vanuit gegaan dat zijn boekhouding in goede handen was. Volgens [verzoeker] kreeg hij ineens bericht van zijn boekhouder dat hij een bedrag van € 20.000,- moest betalen. Later bleek dit al € 80.000,- te zijn. Volgens [verzoeker] komt dit doordat belastingaangiftes te laat of niet zijn gedaan door zijn boekhouder. Omdat hij zelf zijn post niet openmaakte, maar alles direct door stuurde naar zijn boekhouder, was hij hiervan niet op de hoogte. De vriendin van [verzoeker] heeft verklaard dat een andere boekhouder bezig is met de belastingaangiftes over 2023 en 2024 en dat die binnen 1 a 2 weken gereed zijn. Op advies van het ROZ heeft [verzoeker] zijn eenmanszaak nog niet uitgeschreven uit het handelsregister.
[verzoeker] heeft verklaard ook opdrachten voor complete badkamers te hebben aangenomen om zo meer inkomen te genereren. In juni/juli 2024 heeft hij een klus aangenomen tot renovatie van een badkamer. Het werk is volgens de opdrachtgever echter niet goed uitgevoerd, waarna [verzoeker] aansprakelijk is gesteld en hij nog verder in de problemen is gekomen.
Ten aanzien van de schuld aan het LBIO heeft [verzoeker] verklaard dat hij maandelijks € 336,- moet betalen, maar dat dit bedrag veel te hoog is. Vorig jaar heeft hij nihilstelling gevraagd, maar dit is niet gelukt, omdat zijn ex-partner haar inkomensgegevens niet wilde doorgeven. Het LBIO heeft vervolgens direct beslag gelegd op zijn loon.
Op 19 juni 2023 is [verzoeker] een financial lease overeenkomst aangegaan voor een Audi A3 Sportback RS3. De maandelijkse leasetermijn voor deze auto bedroeg € 889,97. [verzoeker] heeft verklaard dat hij deze auto voor zijn onderneming heeft gebruikt en dat het financieel goed ging op het moment dat hij deze overeenkomst aanging. In oktober 2023 ontving hij het bericht van zijn boekhouder over de openstaande belastingschuld. [verzoeker] erkent dat het, achteraf bezien, een slechte keuze is geweest om een auto voor dit bedrag te leasen.
de overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen, nu [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaande aan de indiening van het verzoekschrift.
Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] geen inzicht had in de boekhouding van zijn onderneming. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek aan inzicht en betrokkenheid [verzoeker] in ernstige mate moet worden verweten. Dat geldt eveneens voor het ontstaan en onbetaald laten van het merendeel van de andere schulden.
Op een ondernemer rust onder meer de verantwoordelijkheid een deugdelijke boekhouding te voeren waaruit te allen tijde de verplichtingen van de onderneming, zoals de belastingverplichtingen moeten kunnen worden gekend. Door zijn boekhouding volledig uit handen te geven aan zijn boekhouder en zelf geen post meer open te maken, heeft [verzoeker] onverantwoorde risico genomen als het gaat om het ontstaan van schulden op zijn naam.
Door het ontbreken van een deugdelijke boekhouding en inzicht in de verplichtingen van de onderneming, heeft hij niet kunnen voldoen aan bestaande financiële verplichtingen en is hij nieuwe financiële verplichtingen aangegaan zonder te weten of hij eraan zou kunnen voldoen.
De rechtbank acht het verwijtbaar dat [verzoeker] in juni 2023 een leaseovereenkomst heeft afgesloten met een maandelijkse leasetermijn van € 889,97. Mede daardoor kon hij vanaf september 2023 niet meer voldoen aan zijn alimentatieverplichting. Ten aanzien van de schuld aan het LBIO is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij er alles aan heeft gedaan om een nihilstelling te verkrijgen, dan wel de alimentatieverplichting naar beneden te laten bijstellen.
Verder heeft [verzoeker] een schuld aan het CJIB ter hoogte van € 1.429,87. Deze schuld is in 2023 en 2024 ontstaan wegens meerdere keren te hard rijden, het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden en het hebben van een onverzekerd voertuig. Deze schuld is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan en staat daarom eveneens aan toelating in de weg.
Voor zover [verzoeker] een beroep heeft willen doen op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet is de rechtbank dan ook van oordeel dat dit beroep niet kan worden
gehonoreerd. Er is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden, zoals bijvoorbeeld
verslaving of psychische problemen, die hebben geleid tot het ontstaan en onbetaald laten
van de schulden en die onder controle zijn gekregen. [verzoeker] heeft dergelijke omstandigheden ook niet aangevoerd.
De rechtbank wijst het verzoek van af op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw.
De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. K.J. Haarhuis, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffie.