ECLI:NL:RBOVE:2025:7746

ECLI:NL:RBOVE:2025:7746

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 25-08-2025
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer C/08/331169 / HA RK 25-22
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

In dit deelgeschil staat de vraag centraal of Allianz bijna twee jaar nadat zij de aansprakelijkheid van haar verzekerde heeft erkend voor een verkeersongeval waarbij verzoeker was betrokken, daarop mocht terugkomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit betekent dat de verzoeken van verzoeker worden afgewezen. De kosten van de deelgeschillenprocedure zullen niet worden begroot, (reeds) omdat verzoeker geen specificatie heeft overgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer / rekestnummer: C/08/331169 / HA RK 25-22

Beschikking van 25 augustus 2025

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

statutair gevestigd te Brussel en mede kantoorhoudende te Rotterdam,

verwerende partij,

hierna te noemen: Allianz,

advocaat: mr. H.A. Kragt,

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties,

- het verweerschrift met producties,

- de brief van 11 juni 2025 met een aanvullende productie van de zijde van [verzoeker] ,

- de mondelinge behandeling van 18 juni 2025, waarbij [verzoeker] niet is verschenen, maar zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Allianz is (vertegenwoordigd) verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. van Spijk (kantoorgenoot van mr. Kragt). De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. Samenvatting

In dit deelgeschil staat de vraag centraal of Allianz bijna twee jaar nadat zij de aansprakelijkheid van haar verzekerde heeft erkend voor een verkeersongeval waarbij [verzoeker] was betrokken, daarop mocht terugkomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit betekent dat de verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen. De kosten van de deelgeschillenprocedure zullen niet worden begroot, (reeds) omdat [verzoeker] geen specificatie heeft overgelegd. De rechtbank licht hierna haar oordeel toe.

3. De feiten

Op 31 oktober 2022 heeft een kop-staart-aanrijding plaatsgevonden tussen de auto (van de echtgenote) van [verzoeker] (met daarin [verzoeker] als bestuurder en de heer [naam 1] als bijrijder) en een bestelbus, gehuurd door mevrouw [naam 2] . [naam 2] bestuurde de bus en haar toenmalige partner [naam 3] was de bijrijder van [naam 2] . Allianz is de WAM-verzekeraar van Bo Rent, de verhuurder van de bus.

De politie is na de aanrijding ter plaatse geweest en heeft proces-verbaal opgemaakt.

Allianz heeft in november 2022, op basis van de op dat moment bekende informatie, erkend dat zij aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] door de aanrijding heeft geleden en zal lijden. Allianz heeft in totaal een voorschot toegekend en uitbetaald aan [verzoeker] van € 10.500,-.

Op 22 maart 2023 heeft Allianz een nader onderzoek ingesteld naar de authenticiteit van de aanrijding, omdat de namen van meerdere personen die bij de aanrijding betrokken waren, bekend zijn van meerdere opzetaanrijdingen.

Op 29 maart 2023 heeft Allianz een huisbezoek gebracht aan [verzoeker] .

Op 21 juni 2023 zijn [verzoeker] en [naam 1] geïnterviewd door een onderzoeker van Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) over de feiten en omstandigheden tijdens de aanrijding. Van de interviews zijn verslagen gemaakt. OAN heeft ook de GPS-data van de gehuurde bestelbus geanalyseerd.

Allianz heeft een verzoek voorlopig getuigenverhoor ingediend bij deze rechtbank. De rechtbank heeft dat verzoek bij beschikking van 31 oktober 2023 afgewezen. Het tegenverzoek van [verzoeker] tot het overleggen van informatie en het toekennen van schadevergoeding heeft de rechtbank ook afgewezen.

Bij vonnis van 14 december 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door [verzoeker] gevorderde voorschot op de schade die hij als gevolg van het verkeers-ongeval heeft geleden en zal lijden afgewezen. Ook de door hem gevorderde veroordeling van Allianz om haar medewerking te verlenen aan de afwikkeling van de schade is afgewezen.

Allianz heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 31 oktober 2023. Bij beschikking van 23 juli 2024 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (kort gezegd) de beschikking van 31 oktober 2023 vernietigd en het verzoek Allianz tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen.

Bij brief van 6 september 2024 is Allianz teruggekomen op de erkenning van aansprakelijkheid, omdat Allianz zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van een authentieke aanrijding.

Op 18 december 2024 hebben de voorlopig getuigenverhoren van [verzoeker] en [naam 4] , de zoon van [naam 1] , plaatsgevonden. [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] zijn niet verschenen op 18 december 2024. Op 12 februari 2025 hebben de voorlopig getuigenverhoren van [naam 1] en, op basis van een bevel medebrenging, [naam 2] plaatsgevonden. Allianz wilde ook [naam 3] horen als getuige, maar hij is, ook na een bevel tot medebrenging, uiteindelijk niet gehoord. Van de voorlopige getuigenverhoren zijn processen-verbaal opgemaakt.

Bij brief van 18 februari 2025 heeft Allianz aan [verzoeker] meegedeeld dat zijn claim, ondanks aanvankelijke aansprakelijkheidserkenning door Allianz, niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Op 20 mei 2025 is op de website van het AD een artikel geplaatst met de kop “Twee weken na het verzekeren een “aanrijding”: [naam 3] veroorzaakte vele nep-botsingen” (hierna ook: het AD-artikel). Het artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Een man uit [plaats] lichtte jarenlang verzekeraars op door aanrijdingen in scène te zetten. [naam 3] (41) deed dat volgens Nationale Nederlanden en ASR tientallen keren. ,,Mensen moeten weten dat hier zware sancties op staan", oordeelt de rechter.

De [omschrijving] is schuldig bevonden aan jarenlange verzekeringsfraude. Hij vervalste verzekeringsaanvragen en schadeformulieren. Soms deed hij dat zelf, soms samen met zijn toenmalige partner. Ook gebruikten zij katvangers, mensen die tegen betaling hun naam en gegevens uitlenen.

De [omschrijving] kwam jaren geleden al in beeld voor in scène gezette aanrijdingen en verzekeringsfraude. Verzekeraars begonnen in 2014 en 2017 onderzoeken tegen de [omschrijving] en zijn toenmalige partner. Het stel was betrokken bij aanrijdingen waar een luchtje aan zat. Het fraudebedrag lag op dat moment rond de 87.000 euro. Daarna bleef het stil. Tot 2021.

(…)

Toen kwam er een hoos aan 'nepbotsingen' binnen uit Twente. [naam 3] en zijn vrouw waren weer actief. Nationale Nederlanden en ASR noemden hun werkwijze geraffineerd. Soms was er binnen twee weken na het afsluiten van een verzekering al een forse 'aanrijding'. Het slachtoffer reed bijna altijd in een dure auto. De schade die werd opgegeven aan de verzekeraar paste niet bij de werkelijke schade aan de voertuigen.

De namen op de schadeformulieren waren vaak vals of van katvangers. Een van hen verklaarde dat hij 'een rooitje (1000 euro, red.) kreeg geboden om een auto in elkaar te rijden'. (…)

Tientallen nepbotsingen

Met de aangiftes van de verzekeringsmaatschappij deed de politie aanvankelijk niets. Toen in 2023 de teller van in scène gezette aanrijdingen op 31 stond, maakte justitie er werk van. In het dossier van 500 pagina's zitten zeker 38 van dat soort aanrijdingen. De geclaimde schade loopt in de tonnen.

Hoeveel er exact onterecht is uitgekeerd, is niet bekend. Het onderzoek kostte de verzekeraars honderden uren. Zij willen daarom 20.000 euro als schadevergoeding.

'Armoedige scharrelaar'

Tot grote teleurstelling van het Openbaar Ministerie en de rechtbank verscheen de [omschrijving] deze dinsdag niet op de zitting in Almelo. (…)

Zijn advocaat (…) nam het voor zijn cliënt op. Hij noemde [naam 3] een 'scharrelaar', een man die op het randje van armoede leeft, onder bewind staat en licht verstandelijk beperkt is. Een celstraf zou voor hem te zwaar zijn en een boete kan de man niet betalen.

Zware straf nodig

Daar had de rechter geen boodschap aan. Hij noemde het onbegrijpelijk dat de man er niet was. Het gaat volgens hem om een lange periode waarin de man verzekeringsfraude pleegde.

,,Premiebetalers zijn hier uiteindelijk de dupe van. Hier past geen taakstraf. Mensen moeten weten dat er zware sancties volgen als je de verzekeringsmaatschappij oplicht."

Hij volgde de strafeis van de officier van justitie en veroordeelde de [omschrijving] tot zes maanden cel, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Verder moet hij 20.000 euro schadevergoeding betalen aan de verzekeraars.“

4. Het verzoek en het verweer

In dit deelgeschil verzoekt [verzoeker] de rechtbank:

I. voor recht te verklaren dat het besluit van Allianz om de gegeven erkenning van de aansprakelijkheid, in te trekken onterecht dan wel te lichtvaardig is genomen, met dien verstande dat Allianz gehouden is en blijft aan de erkenning van aansprakelijkheid, althans

II. te bepalen dat Allianz wel aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het auto-incident op 31 oktober 2022,

III. te bepalen dat Allianz aan [verzoeker] bij wijze van voorschot verschuldigd is te voldoen een bedrag van € 7.500,-,

IV. te bepalen dat Allianz aan [verzoeker] (al dan niet in de vorm van een voorschot op de uiteindelijke definitieve buitengerechtelijke kosten) een vergoeding aan buitengerechtelijke kosten zal dienen te voldoen van € 5.000,-,

V. Allianz te veroordelen in de kosten van dit geding.

Allianz verzet zich tegen toewijzing van het verzochte.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu het onderhavige geschil een internationaal karakter heeft moet (ambtshalve) worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

Het verzoek is ingediend na 10 januari 2015, zodat deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Herschikte EEX-Verordening. Nu niet in geschil is dat [verzoeker] een rechtstreekse vordering jegens Allianz kan instellen en Allianz is gevestigd in een lidstaat, heeft de Nederlandse rechter op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 in verbinding met artikel 11 lid 1 sub b van de Herschikte EEX-Verordening rechtsmacht. Op grond van artikel 12 van de Herschikte EEX-Verordening is deze rechtbank, locatie Almelo, (relatief) bevoegd om kennis te nemen van het geschil.

De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van het Verkeersongevallenverdrag. Dit verdrag heeft immers voorrang op Rome II (artikel 10:158 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Aangezien het ongeval in Nederland heeft plaatsgevonden en gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden die leiden tot toepassing van de uitzonderingsbepalingen van voormeld verdrag, is ingevolge de in artikel 3 van voormeld verdrag neergelegde hoofdregel Nederlands recht van toepassing.

Aangezien in deze zaak sprake is van een 'action directe' (de rechtstreekse vordering van het slachtoffer op de verzekeraar van de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt) is artikel 9 van het Verkeersongevallenverdrag nog van belang. Dat bepaalt namelijk dat het door het Verkeersongevallenverdrag aangewezen recht ook van toepassing is op de rechtstreekse vordering van het slachtoffer op de verzekeraar van de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt.

Geschiktheid deelgeschil

Allianz stelt zich op het standpunt dat de verzoeken van [verzoeker] zich niet lenen voor behandeling in een deelgeschil. Onder verwijzing naar het vonnis in kort geding van 14 december 2023 stelt Allianz dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [verzoeker] veel onduidelijkheden moet wegnemen voordat kan worden toegekomen aan de vraag of Allianz is gehouden tot het betalen van schadevergoeding. Volgens Allianz heeft [verzoeker] de onduidelijkheden niet weggenomen, zodat de verzoeken die ertoe strekken dat Allianz schadevergoedingsplichtig is moeten worden afgewezen. De deelgeschillenprocedure leent zich niet voor nadere bewijslevering, aldus Allianz. In het vonnis in kort geding is geoordeeld dat de claim van [verzoeker] vele onduidelijkheden bevat ten aanzien van alle facetten van zijn vordering. In dit deelgeschil legt [verzoeker] slechts één facet voor, namelijk de authenticiteit. Allianz meent dat de kwestie zich, onder de gegeven omstandigheden niet leent voor seperate behandeling van de afzonderlijke facetten. Volgens Allianz moet het steeds in zijn geheel worden beoordeeld. Dat maakt dat deze zaak te complex is voor behandeling in deelgeschil, aldus Allianz.

De rechtbank volgt Allianz niet in haar betoog. Wat partijen op dit moment verdeeld houdt is in de kern terug te voeren op de vraag of Allianz gehouden is aan haar erkenning van de aansprakelijkheid in november 2022 of dat Allianz daarop mocht terugkomen omdat volgens haar sprake is van een in scene gezette aanrijding, althans er serieuze twijfel is ontstaan over de authenticiteit van de toedracht. Een oordeel daarover kan een bijdrage leveren aan het vlottrekken van onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De zaak is daarom geschikt voor behandeling als deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechtbank zal het verzoek hierna dan ook inhoudelijk behandelen.

Mocht Allianz terugkomen op haar erkenning van aansprakelijkheid?

Tussen partijen is niet in geschil dat de aansprakelijkheid voor het ontstaan van de aanrijding door Allianz in november 2022 volledig en zonder voorbehoud is erkend. Ook is niet in geschil dat Allianz is teruggekomen op haar erkenning van aansprakelijkheid. Partijen verschillen van mening over de vraag of Allianz dat mocht doen.

Volgens vaste rechtspraak staat het een aansprakelijkheidsverzekeraar in beginsel niet vrij om terug te komen van een tegenover een derde gedane erkenning dat zijn verzekerde tegenover die derde aansprakelijk is. Ruimte voor afwijking van dit beginsel bestaat slechts als er bijkomende omstandigheden zijn, zoals situaties van bedrog en misbruik of dwaling. Ook kan het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om een verzekeraar aan zijn erkenning te houden.

De beoordeling in dit verband moet plaatsvinden in het licht van alle omstandigheden van het geval en is dus contextgebonden.

Het is aan Allianz om omstandigheden te stellen en, zo nodig te bewijzen op grond waarvan zij mag terugkomen op de erkenning van aansprakelijkheid.

Allianz stelt (primair) dat zij door bedrog dan wel dwaling tot haar erkenning van aansprakelijkheid is gekomen, althans (subsidiair) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verzoeker] haar aan die erkenning houdt. Volgens Allianz is er sprake van een geënseneerde aanrijding dan wel is er serieuze twijfel ontstaan over de authenciteit van de toedracht die niet is weggenomen door [verzoeker] . Daarbij baseert Allianz zich (samengevat weergegeven) op de volgende omstandigheden:

De aanrijding is in 2022 veroorzaakt door [naam 2] tezamen met [naam 3] . [naam 2] en [naam 3] hebben tussen 2021 en 2023 ten minste 38 aanrijdingen in scène gezet teneinde verzekeraars te misleiden tot het uitkeren van vergoedingen (die niet passen bij de werkelijke schade). Uit het AD-artikel met betrekking tot de strafzaak van [naam 3] van 20 mei 2025, blijkt dat [naam 3] (en [naam 2] ) zich lieten betalen om aanrijdingen te ensceneren.

De aanrijding vond plaats met een gehuurd voertuig, waarvoor bovendien het eigen

risico volledig was afgekocht. Dit is een “populaire” werkwijze bij het ensceneren van een aanrijding; de veroorzaker van de aanrijding blijft zo immers volledig buiten schot wat betreft eventuele financiële consequenties;

De bus heeft 30 minuten met (op en af) draaiende motor gewacht direct naast de ongevalslocatie. Vervolgens heeft de bus de minimale afstand gereden om bij het eerstvolgende kruispunt een U-bocht te maken, om vervolgens tegen de achterzijde van de door [verzoeker] bestuurde te botsen. Dit rijgedrag wijst er sterk op dat afstemming heeft plaatsgevonden tussen de inzittenden van de auto en de inzittenden van de bus.

Volgens Allianz heeft [verzoeker] er alles heeft gedaan te voorkomen dat het zou (kunnen) komen tot nadere helderheid ten aanzien van de toedracht. Zo weigert [verzoeker] zijn belhistorie te overleggen, stuurt hij de medische informatie van de ambulancerit en de spoedeisende hulp niet toe, heeft hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep proberen te voorkomen dat er een getuigenverhoor plaatsvindt en als dat getuigenverhoor toch plaatsvindt toont hij zich op meerdere fronten weigerachtig te verklaren.

Alleen uit de verklaringen van [verzoeker] , [naam 2] en [naam 1] zou moeten volgen dat een authentieke aanrijding heeft plaatsgevonden, maar deze verklaringen bevatten dermate veel merkwaardigheden en tegenstrijdigheden dat dat gevolgen moet hebben voor de bewijswaarding, aldus Allianz.

[verzoeker] stelt dat de gestelde feiten en omstandigheden geen redelijke (of billijke) juridische grondslag bieden voor het intrekken van de erkenning van de aansprakelijkheid. [verzoeker] meent dat Allianz ten tijde van de erkenning van de aansprakelijkheid veel meer eigen onderzoek heeft kunnen en moeten doen ten aanzien van haar achteraf gerezen twijfels rondom de authenticiteit van het ongeval. Volgens [verzoeker] is genoegzaam voldaan aan de gewenste medewerking, het beschikbaar stellen van de benodigde informatie en inlichtingen. Er is volgens [verzoeker] geen nieuwe informatie beschikbaar die ten tijde van de erkennng redelijkerwijs niet bekend kon zijn. Allianz weet dat zij met Bo Rent verzekeringspolissen heeft gesloten die bestemd zijn voor huurauto’s, zodat dit geen nieuw feit kan opleveren. De naam van de huurder was ook niet onbekend ten tijde van de aansprakelijkheidserkenning. Ook ten aanzien van de gereden route geldt dat deze redelijkerwijs bekend was voor het moment van de erkenning. Een langdurige erkenning zonder voorbehoud kan bovendien een intrekking onredelijk maken. De intrekking dateert van meer dan een jaar nadat de rechercheur van OAN op 21 juni 2023 bij [verzoeker] thuis een interview afnam. Ten tijde van het interview bestonden er kennelijk al twijfels, althans is de advocaat van [verzoeker] door Allianz verzocht om naar [verzoeker] te zwijgen over het feit dat er een onderzoek was gestart in verband met het vermoeden van een opzetaanrijding. Allianz heeft uiteindelijk afgezien van het horen van de getuige [naam 3] . Dat kan Allianz niet ten nadele van [verzoeker] gebruiken, aldus [verzoeker] .

De rechtbank is van oordeel dat Allianz in dit geval niet kan worden gehouden aan haar aansprakelijkheidserkenning. Dat licht zij als volgt toe.

Allianz heeft gesteld dat zij pas nadat zij de aansprakelijkheid heeft erkend, er mee bekend is geraakt dat [naam 2] de partner is (geweest) van [naam 3] , die bij haar (en andere verzekeraars) reeds bekend staat als (vermoedelijk) veelpleger van opzetaanrijdingen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onbegrijpelijk dat Allianz hierin aanleiding heeft gezien om het dossier waarbij [verzoeker] schade claimt opnieuw (kritisch) te bestuderen. Anders dan [verzoeker] betoogt ligt het naar de verkeersopvattingen niet in de risicosfeer van Allianz dat zij (in dit geval) voorafgaand aan de erkenning van de aansprakelijkheid niet (meer) onderzoek nodig heeft geacht, nu een verzekeraar afgaat op het toedrachtsrelaas van haar verzekerde en het slachtoffer. Als er vervolgens na dit aanvankelijke toedrachtsverhaal serieuze twijfel ontstaat over die toedracht dan kan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om de verzekeraar aan de aansprakelijkheidserkenning te houden. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank voor.

[afbeelding]

Allianz heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er in ieder geval serieuze twijfel is ontstaan over de authenticiteit van de toedracht van het ongeval. Allianz heeft daarbij verwezen naar het onderzoek dat OAN op haar verzoek heeft verricht naar de authenticiteit van de aanrijding. Uit de in het kader van dat onderzoek opgevraagde GPS- data blijkt het rijgedrag van de bus tussen 18.00 uur en 18.37 uur. De bus beweegt tussen 18.10 en 18.14 uur ongeveer 300 meter op het parkeerplein, waarna de motor wordt afgezet. Om 18.31 uur wordt de motor weer aangezet, waarna de bus om 18.33 uur weer in beweging komt om vervolgens de route af leggen zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven met de rode en gele pijl, voordat de bus om 18.37 uur tegen de achterzijde van het voertuig van [verzoeker] botst.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit rijgedrag merkwaardig en roept dat veel vragen op. Op die vragen is geen bevredigend antwoord gekomen. Integendeel: [naam 3] en [naam 2] ontrekken zich, ondanks meerdere gemaakte afspraken, aan het interview dat OAN wil afnemen en [naam 3] ontrekt zich daarnaast (uiteindelijk) ook aan het voorlopig getuigenverhoor. [naam 2] heeft wel verklaard tijdens het voorlopig getuigenverhoor, maar haar verklaringen nemen de ontstane ernstige twijfels niet weg, maar versterken deze naar het oordeel van de rechtbank eerder. Zo verklaart zij (onder andere en samengevat) dat het ongeval van 31 oktober 2022 haar niet veel zegt, dat zij veel aanrijdingen heeft gehad, dat zij een slechte chauffeur is, dat zij is aangehouden voor fraude/oplichting, dat zij ervan is beschuldigd dat de ongelukken nep waren, maar dat de zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, dat [naam 3] op de op desbetreffende dag op de bijrijdersstoel zat, dat zij zich de U-bocht niet kan herinneren, dat [naam 2] en [naam 3] vaker auto’s hadden als katvangers, dat zij in 11 jaar tijd wel 20 à 30 auto’s hebben gehad, dat zij niet weet hoe [naam 3] daaraan kwam, dat [naam 3] en zij 11 jaar bij elkaar zijn geweest en sinds een jaar uit elkaar zijn.

De rechtbank acht daarbij ook van belang dat uit het eerdergenoemde AD-artikel en de overgelegde geanonimiseerde aantekening van het mondeling vonnis van 20 mei 2025 voldoende aannemelijk is geworden dat [naam 3] is veroordeeld in verband met verzekeringsfraude. [naam 3] is ook betrokken bij de aanrijding die in deze procedure centraal staat.

In het verlengde van het voorgaande kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat de plek waar de aanrijding heeft plaatsgevonden (op zijn minst) merkwaardig is in het licht van het reisdoel dat [verzoeker] en [naam 1] hadden, namelijk, zo blijkt uit de interviews die OAN heeft afgenomen, het autobedrijf van [naam 1] aan de [adres] . De locatie van de aanrijding ligt in een heel ander gebied dat het autobedrijf van [naam 1] . Bovendien hebben [verzoeker] en [naam 1] tijdens de interviews met AON ook tegengestelde verklaringen afgelegd over de wijze waarop [verzoeker] de rotonde zou hebben benaderd, over waar de auto die [verzoeker] bestuurde zou moeten worden opgehaald en over de gang van zaken met betrekking tot het invullen van het schadeaanrijdingsformulier. Tijdens de voorlopige getuigenverhoren hebben [verzoeker] en [naam 1] (ook) verklaringen afgelegd die tegenstrijdig zijn aan elkaar en/of tegenstrijdig zijn aan de verklaringen tijdens de interviews met OAN. Zo verklaart [verzoeker] tijdens het interview dat hij van een vriend heeft gehoord dat zijn auto na het ongeval bij de werkplaats van [naam 1] is neergezet, terwijl [naam 1] tijdens het getuigen-verhoor heeft verklaard dat de eigenaar van de auto heeft gebeld en gevraagd waar de auto was. Verder heeft [verzoeker] tijdens het getuigenverhoor verklaard dat hij contact heeft gezocht met degene die hem heeft aangereden, terwijl hij tijdens het interview heeft verklaard dat hij niet met [naam 2] heeft gebeld.

De hiervoor genoemde omstandigheden roepen in onderlinge samenhang bezien ernstige twijfels op over de authenticiteit van de aanrijding. Hoewel dit voor een deel in het domein van [naam 2] en [naam 3] ligt, die geen partij zijn bij deze procedure, heeft [verzoeker] ook niets gedaan om de twijfels weg te nemen. Los van de constatering dat zijn verklaringen op onderdelen tegenstrijdig zijn (met de verklaringen van (zijn bijrijder) [naam 1] ) roept de houding en handelwijze van [verzoeker] in dit verband ook vragen op. Als [verzoeker] niets te verbergen heeft, valt vooralsnog niet in te zien waarom [verzoeker] in eerste instantie niet wenste te verklaren tijdens het voorlopig getuigenverhoor en zijn woonadres, belhistorie en de door Allianz gevraagde medische gegevens niet met Allianz wenst te delen. Dat dit voortkomt uit frustratie vanwege de houding van Allianz tegenover hem, zoals de advocaat van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht, doet er niet aan af dat daardoor de twijfel niet wordt verminderd, maar wordt versterkt.

De rechtbank acht het onder deze omstandigheden dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Allianz wordt gehouden aan haar erkenning van aansprakelijkheid. Het tijdsverloop tussen de aansprakelijkheidserkenning en het terugkomen daarop is, onder de gegeven omstandigheden, ook niet zodanig dat daarom deze conclusie niet kan worden getrokken. Bij die stand van zaken kan de juistheid van het standpunt van Allianz dat de erkenning tot stand is gekomen onder invloed van bedrog of dwaling in in het midden blijven.

Het verzochte in relatie tot de aansprakelijkheid en het verzochte voorschot.

Nu Allianz mocht terugkomen op haar aansprakelijkheidserkenning rust op [verzoeker] de stelplicht en bewijslast dat er een authentieke aanrijding heeft plaatsgevonden. Bij de huidige stand van zaken heeft [verzoeker] niet bewezen dat sprake is van een authentieke aanrijding.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat het verzochte als verwoord onder I en II van rechtsoverweging 4.1. wordt afgewezen. Het gevolg hiervan is dat er ook geen reden is om te bepalen dat Allianz een (aanvullend) voorschot aan [verzoeker] moet verstrekken, zodat dat verzoek ook wordt afgewezen.

Vergoeding (aanvullend voorschot) buitengerechtelijke kosten

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 5.000,- aan buitengerechtelijke kosten al dan niet in de vorm van een (aanvullend) voorschot. Allianz stelt zich op het standpunt dat dat verzoek om meerdere redenen moet worden afgewezen.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Los van het feit dat [verzoeker] het bedrag op geen enkele wijze heeft gespecificeerd en er dus niet kan worden beoordeeld of is voldaan aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets, bestaat er, nu het door [verzoeker] gevraagde onder I en II wordt afgewezen, geen aanleiding om de verzochte vergoeding aan buitengerechtelijke kosten toe te wijzen.

Kosten deelgeschil

[verzoeker] heeft verzocht Allianz te veroordelen in de kosten van deze procedure. Allianz heeft zich daar om meerdere redenen tegen verzet.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de aansprakelijkheid volgt dat er geen aanleiding is om Allianz te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil.

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de kosten van de deelgeschilprocedure moeten worden begroot, ook als een verzoek (gedeeltelijk) niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank (ook) de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets gebruiken. Dat betekent dat zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten redelijk moeten zijn. Begroting van de kosten kan alleen achterwege blijven als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daargelaten of van deze laatste situatie sprake is, zal de rechtbank in dit geval de kosten van het deelgeschil om een andere reden niet begroten. Het is namelijk wel aan [verzoeker] om de omvang van de kosten van de deelgeschillenprocedure te stellen en te bewijzen. Daartoe zal een (gedetailleerde) opgave van het gehanteerde uurtarief en ook het aantal gewerkte uren met daarbij een concrete beschrijving van de verrichte werkzaamheden onder vermelding van de data waarop de werkzaamheden zijn verricht (urenstaat) moeten worden overgelegd. [verzoeker] heeft nagelaten een dergelijk overzicht over te leggen. Dat betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure niet kunnen en zullen worden begroot.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken van [verzoeker] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand