RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11733948 \ CV EXPL 25-1812
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.A. Kerkdijk.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 21;- de conclusie van antwoord;
- de akte vermeerdering van eis van [eiser] van 30 december 2025 met producties 22 t/m 29;
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 3 oktober 2023 heeft [gedaagde] [eiser] benaderd met het verzoek om een offerte te verstrekken voor het verhuizen van inboedelgoederen vanaf de woning van [gedaagde] in [woonplaats 2] naar een nog aan te kopen woning in Zweden.
Op 5 oktober 2023 om 11.25 uur heeft [eiser] aan [gedaagde] gemeld dat de vorige dag een offerte voor de verhuizing aan haar is toegezonden. Op 5 oktober 2023 om 14.03 uur heeft [gedaagde] [eiser] een email verzonden met daarin onder meer de volgende passages: ‘Mijn man en ik hebben de offerte doorgenomen en komen tot de volgende vragen en opmerkingen: (…) de factuur dient twee werkdagen voor vertrek van onze verhuiswagen te zijn voldaan. Wat wordt hiermee precies bedoeld?
(…) Voorafgaand aan de presentatie van onze woonboerderij willen wij enige spullen in de tijdelijke opslag onderbrengen. (…) Wil je hiervoor svp een offerte maken? (…)’
Op dezelfde dag heeft [eiser] een email aan [gedaagde] verzonden waarin onder meer de volgende passages zijn opgenomen: (…) 2 dagen voor vertrek van onze vrachtwagen naar het buitenland, dus in dit geval gewoon uw woning, dient de betaling voltooid te zijn (…)
Hier komen uiteraard geen extra verhuiskosten voor bij. Maar de opslagkosten voor 1 container zijn als volgt: € 300,- opslagkosten per maand en € 300,- eenmalige handelingskosten.’
Uiteindelijk sluiten partijen op 23 oktober 2023 een overeenkomst voor wat betreft de verhuizing van de goederen van [gedaagde] door [eiser] naar Zweden. Ook spreken partijen af dat voorafgaand aan de verhuizing de goederen van [gedaagde] door [eiser] worden opgeslagen. Partijen spreken af dat [eiser] kisten maakt voor bepaalde inboedelgoederen van [gedaagde].
In de offerte van 23 oktober 2023, die gelijkluidend is aan de tussen partijen gesloten overeenkomst, staat op pagina 7:
‘Condities Europa(…)
Voorwaarden De factuur ontvangt u 1 maand voor de verhuizing, deze dient twee werkdagen voor vertrek van onze verhuiswagen te zijn voldaan. (…)’
Op pagina 9 van de offerte staat:
‘Tarieven
Verhuisprijs € 34.6966,20
Opslagkosten per maand € 300,00
Loodshandelingskosten (eenmalig) € 300,00
Verzekering tot € 35.000 + poliskosten € 565,00
Baby-vleugel € 300,00
Kisten (baby-vleugel, klok, spiegel) € 650,00
Subtotaal (excl. BTW) € 36.814,20
BTW Tarieven
21% € 7.612,33
Totaal (incl. BTW) € 44.426,53’
Op 6 juni 2023 is een deel van de inboedelgoederen door [eiser] bij [gedaagde] opgehaald en naar een loods in [plaats] gebracht.
Op 27 oktober 2023 is door [eiser] factuur E 13715 ter hoogte van € 2.985,00 naar [gedaagde] verzonden. Daarop staat:
‘(…)
Verhuizing 1e deel (…) € 2.000,00 21,00% € 2.000,00
Verzekering tot € 350.000 (…) € 565,00 € 565,00
+ poliskosten
Totaal exclusief BTW € 2.565,00
21 % BTW € 420,00
(…)
Totaal inclusief BTW € 2.985,00’
Op 24 juni 2024 is door [eiser] factuur E16263 ter hoogte van € 899,23 inclusief BTW naar [gedaagde] verzonden. Daarop zijn de posten ‘opslagkosten nov- 2023/ juni 2024’ ter hoogte van € 619,28 exclusief BTW en ‘Opslagverzekering nov- 2023/ juni 2024’ ter hoogte van € 140,00 opgenomen.
Met ingang van 1 juli 2024 is er maandelijks door [eiser] een factuur ter hoogte van € 380,50 (€ 317,50 inclusief BTW aan opslagkosten en € 17,50 aan opstalverzekering) aan [gedaagde] verzonden.
In juli 2024 is contact geweest tussen [eiser] en [gedaagde] over betaling van de facturen E13718 en E126263.
Op 31 mei 2025 heeft [gedaagde] [eiser] een email gestuurd met als onderwerp ‘Opzegging overeenkomst met [eiser]’. Daarin staat onder meer het volgende opgenomen: ‘(…) Allen, met verdriet en spijt deel ik u mede dat door de zeer slechte gezondheid van mijn man (…) sinds december 2024 onze Zweden- droom uit elkaar spat. Er is voor [naam] nog geen duidelijkheid op genezing. De prognose van de behandelend artsen in ziekenhuis (…) is minimaal 6 tot 12 maanden, met de kanttekening dat er geen garantie is op volledig herstel.(…)’
Op 19 december 2025 heeft [eiser] [gedaagde] een factuur gestuurd met de opslagkosten voor januari 2026 met daarin ook een post opgenomen met de omschrijving ‘Kisten’ met een bedrag ad € 786,50 inclusief BTW.
[gedaagde] heeft alle facturen, met uitzondering van de factuur van de maand juli 2024, onbetaald gelaten.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat – na eisvermeerdering betaling van de aan [gedaagde] verzonden en nog niet betaalde facturen over de periode van november 2023 tot en met januari 2026 met een totaalbedrag ad € 10.723,33, te vermeerderen met kosten en wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit overeengekomen maandelijkse opslagkosten tot en met mei 2025 en transportkosten van de inboedel van [woonplaats 2] naar de loods in [plaats] (samen € 7.679,33) en maandelijkse opslagkosten over de periode juni 2025 tot en met januari 2026 (€ 3.044,-). Ook vordert [eiser] betaling van toekomstige opslagkosten tot het moment dat de opslag van de goederen van [gedaagde] eindigt.
[eiser] heeft op 6 november 2023 een deel van de inboedel in opdracht van [gedaagde] getransporteerd naar een loods in [plaats] en volgens [eiser] is in dat verband afgesproken dat [gedaagde] daarvoor een vergoeding van € 2.420,-, (€ 2.000,- te vermeerderen met BTW) zou betalen. Dit is verdisconteerd in de opdrachtsom, aldus [eiser]. [gedaagde] is in ieder geval gehouden dit bedrag te voldoen als redelijk loon. Ook is volgens [eiser] afgesproken dat de opslagkosten van € 380,50 maandelijks door [gedaagde] zouden worden betaald, maar dat heeft [gedaagde] nooit gedaan. De inboedel wordt nog steeds opgeslagen in de loods in [plaats] en daarom blijven de maandelijkse opslagkosten door [gedaagde] verschuldigd tot het moment dat de opslag eindigt.
Daarnaast vordert [eiser] een verklaring voor recht inhoudende dat de overeenkomst tussen partijen is opgezegd, althans dat de overeenkomst wordt ontbonden. De overeenkomst tussen partijen is met de opzegging van [gedaagde] per email van 31 mei 2025 geëindigd, zo meent [eiser], en voor zover dat niet wordt gevolgd door de rechtbank stelt [eiser] dat ze de overeenkomst per datum dagvaarding opzegt. Voor zover de overeenkomst niet is geëindigd door opzegging moet deze worden ontbonden wegens onvoorziene omstandigheden die erin gelegen zijn dat [gedaagde] uiteindelijk niet zal verhuizen naar Zweden.
[eiser] vordert ook betaling van speciale kisten die voor [gedaagde] zijn gemaakt (een bedrag ad € 786,50) en tenslotte vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de opgeslagen inboedel binnen veertien dagen na betekening van het vonnis af te halen, waarna het [eiser] anders vrij staat om tot ontruiming en vernietiging van de zaken over te gaan.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] betwist dat is overeengekomen dat de opslagkosten maandelijks moeten worden betaald: de afspraak is dat de factuur twee werkdagen voor de verhuizing naar Zweden zou moeten worden betaald. Nu de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden, zijn de facturen met de maandelijkse opslagkosten niet opeisbaar. Over de transportkosten is afgesproken dat deze niet afzonderlijk in rekening worden gebracht en daarom ontbreekt de rechtsgrond voor betaling van die kosten. Voor zover de overeenkomst tussen partijen is geëindigd of wordt beëindigd, dan heeft [gedaagde] in ieder geval een termijn van vier weken nodig om haar inboedel op te halen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Samenvatting
Partijen hebben op 23 oktober 2023 met elkaar afspraken gemaakt over opslag van inboedelgoederen, transport van deze goederen van de woning van [gedaagde] naar een opslagplaats, over de werkzaamheden in verband met een voorgenomen verhuizing van [gedaagde] naar Zweden en over het maken van speciale kisten voor [gedaagde]. De kantonrechter zal bepalen dat deze overeenkomst tot een eind komt, dan wel zal komen en zal de vorderingen van [eiser] grotendeels toewijzen.
De algemene voorwaarden
In het midden kan blijven of en zo ja, welke algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. De uitkomst van deze discussie is namelijk niet relevant voor de beoordeling door de kantonrechter nu partijen over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden weliswaar gediscussieerd hebben maar geen van partijen in haar processtukken of tijdens de mondelinge behandeling een beroep op de algemene voorwaarden heeft gedaan.
Kwalificatie overeenkomst: gemengde overeenkomst
Partijen hebben met elkaar een overeenkomst gesloten inhoudende dat [eiser] in opdracht van [gedaagde] inboedelgoederen van [gedaagde] zou verhuizen naar een nog aan te kopen woning in Zweden, waarbij [eiser] voorafgaand aan die verhuizing een aantal inboedelgoederen voor [gedaagde] zou opslaan. Partijen hadden de bedoeling de overeenkomst als geheel uit te voeren en af te ronden doordat de goederen uiteindelijk naar Zweden verhuisd zouden worden en waarbij opslag van de inboedel daaraan voorafgaand kortstondig zou plaatsvinden. [gedaagde] zou het verschuldigde bedrag als geheel betalen kort voor de daadwerkelijke verhuizing naar Zweden. Omdat het inmiddels onzeker is of de verhuizing naar Zweden doorgaat en de inboedelgoederen al ruim twee jaar worden opgeslagen, is tussen partijen onduidelijk hoe de overeenkomst moet worden afgewikkeld en of en wanneer [gedaagde] voor de al uitgevoerde werkzaamheden moet betalen. Dit brengt mee dat moet worden beoordeeld welke opzegbepalingen op deze overeenkomst van toepassing zijn.
[eiser] vordert in deze procedure vergoeding voor de transportwerkzaamheden en zij wil worden ontslagen van haar verplichting om de inboedelgoederen van [gedaagde] nog langer te bewaren. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [eiser] zo dat de overeenkomst volgens haar bestaat uit twee delen met verschillende verplichtingen: de verhuisovereenkomst waarvoor een totaalbedrag is afgesproken en de aanvullende afspraak met betrekking tot de opslag van de inboedelgoederen waarvoor een maandbedrag is afgesproken. [gedaagde] heeft deze wederzijdse verplichtingen op zichzelf niet inhoudelijk weersproken. De kantonrechter kwalificeert de tussen partijen gesloten overeenkomst gelet op deze stellingen als een gemengde overeenkomst als bedoeld in artikel 6:215 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waarbij de overeenkomst kenmerken van een overeenkomst van opdracht heeft, namelijk voor wat betreft de verhuizing van de goederen naar Zweden, en ook kenmerken van bewaarneming, namelijk voor wat betreft de opslag van de goederen en de daarmee samenhangende kosten.
Einde van de verhuisovereenkomst
De kantonrechter zal bepalen dat het deel van de overeenkomst waarbij [eiser] in opdracht van [gedaagde] inboedelgoederen naar Zweden zou verhuizen per 31 mei 2025 is geëindigd en licht dat als volgt toe.
Een opdrachtgever kan een overeenkomst te allen tijde opzeggen. Van deze regeling kan in het geval van een particuliere opdrachtgever niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken. De kantonrechter begrijpt de door [gedaagde] op 31 mei 2025 aan [eiser] verstuurde email zo dat [gedaagde] de bedoeling heeft gehad om de overeenkomst tot verhuizing van de inboedelgoederen met [eiser] op te zeggen. Dit volgt ook mede uit de titel van de email (Opzegging overeenkomst met [eiser]) in combinatie met de inhoud van de brief inhoudende dat vanwege de zeer slechte gezondheid van de man van [gedaagde] verhuizing naar Zweden niet haalbaar lijkt te zijn. Door de opzegging van [gedaagde] op 31 mei 2025 is het deel van de overeenkomst dat ziet op de verhuizing van de inboedelgoederen van [gedaagde] naar Zweden geëindigd per die datum.
Voor zover door [gedaagde] tijdens de zitting is aangevoerd dat zij met verzending van de email niet de bedoeling had om het deel van de overeenkomst dat ziet op de verhuizing te doen eindigen (hetgeen overigens door [eiser] is weersproken), geldt dat dit niet komt vast te staan. Namens [gedaagde] is toegelicht dat zij in de periode rondom mei 2025 slecht nieuws had gekregen over de gezondheid van haar man en niet zo goed wist wat zij moest doen, maar dit maakt nog niet dat daaruit blijkt dat haar wil niet overeenstemde met haar verklaring in de e-mail. Zij heeft haar stelling dan ook onvoldoende onderbouwd en heeft evenmin andere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat haar wil en verklaring niet met elkaar correspondeerden. Dat [gedaagde] wellicht op een later moment anders is gaan denken over de mogelijkheid om toch nog naar Zweden te verhuizen doet daar niets aan af.
Nu is gebleken dat het deel van de overeenkomst tussen partijen dat ziet op de verhuizing van de inboedelgoederen van [gedaagde] naar Zweden per 31 mei 2025 is geëindigd door opzegging door [gedaagde], zal de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht in zoverre toewijzen.
Kosten voor de kisten
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] gehouden is de kosten van € 786,50 te betalen voor het maken van speciale kisten door [eiser] voor de verhuizing van [gedaagde].
Tussen partijen staat vast dat is overeengekomen dat [eiser] in verband met de verhuizing naar Zweden speciale kisten voor [gedaagde] zou maken voor het transport van een baby-vleugel, een klok en een spiegel en dat [gedaagde] daarvoor € 786,50 zou betalen. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de kisten zijn gemaakt en zij heeft [gedaagde] hiervoor een factuur gestuurd. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat zij niet wist dat de kisten al waren gemaakt, maar deze opmerking kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter niet als een betwisting van de gemaakte afspraak of van de verplichting om voor deze kisten te betalen. Nu dit deel van de overeenkomst is uitgevoerd door [eiser] moet [gedaagde] hiervoor betalen. Het verweer dat [gedaagde] hiervoor pas hoeft te betalen als ze gaat verhuizen, gaat niet meer op nu dit gedeelte van de overeenkomst door opzegging is geëindigd. Nu er geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat [gedaagde] niet gehouden is deze kosten te voldoen is de conclusie dat [gedaagde] de kosten van de kisten moet betalen.
Transportkosten
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] gehouden is een bedrag ad € 2.420,- te betalen voor het transport van de inboedel in [woonplaats 2] naar de loods in [plaats] op
6 november 2023 en licht dat als volgt toe.
Artikel 7:405 BW bepaalt dat een opdrachtgever loon verschuldigd is aan een opdrachtnemer die de overeenkomst beroepsmatig is aangegaan. Als er geen afspraken zijn gemaakt over de hoogte van het loon dan is de opdrachtnemer in ieder geval een op de gebruikelijke wijze berekend loon verschuldigd, althans een redelijk loon.
In het midden kan blijven of partijen een (afzonderlijk) bedrag zijn overeengekomen voor het transport van de inboedel van de woning van [gedaagde] te [woonplaats 2] naar de loods in [plaats] nu [gedaagde] in ieder geval een redelijk loon verschuldigd is voor het door [eiser] uitgevoerde transport. Vaststaat immers dat het transport van de inboedel heeft plaatsgevonden waardoor uitvoering aan de opdracht is gegeven. Over de hoogte van de vergoeding is door [eiser] gesteld dat € 2.420,- inclusief BTW een redelijk loon is voor het transport mede ten opzichte van het geoffreerde bedrag en zij heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar een specificatie van factuur E13715 waarin de transportkosten zijn opgenomen. [gedaagde] heeft het loon in dit verband niet gemotiveerd betwist. Namens haar is weliswaar aangevoerd dat de door [eiser] overgelegde specificatie niet is onderbouwd met achterliggende gegevens, maar zij heeft zelf niet gezegd wat zij een redelijk loon zou vinden voor het transport van de inboedel naar de loods terwijl namens [gedaagde] niet is betwist dat uit het systeem van de wet volgt dat bij het einde van de overeenkomst een redelijk loon verschuldigd is voor uitgevoerde werkzaamheden. In het licht van deze uitlatingen van partijen komt de kantonrechter het bedrag van € 2.420,- niet onredelijk voor als vergoeding voor het verrichte transport en daarom is [gedaagde] dus ook gehouden deze kosten te betalen.
Einde van de opslag van de goederen
De kantonrechter zal beslissen dat het gedeelte van de overeenkomst dat ziet op de opslag van de goederen eindigt op het moment dat [gedaagde] haar inboedelgoederen terugneemt.
Een overeenkomst tot bewaarneming komt tot een einde op het moment dat de bewaarnemer de goederen teruggeeft en de bewaargever de goederen terugneemt. De bewaarnemer kan onverwijlde terugneming van de zaak vorderen.
De kantonrechter begrijpt het zo dat [gedaagde] bij haar opzegging op 31 mei 2025 kennelijk niet de bedoeling had het deel van de overeenkomst dat ziet op de opgeslagen goederen te doen eindigen. Uit de houding van [gedaagde] blijkt namelijk dat zij er vanuit ging dat de opslag van de goederen vooralsnog gecontinueerd zou worden: in haar opzegging heeft zij niet gemeld op welke termijn zij haar goederen zou ophalen en na 31 mei 2025 heeft [gedaagde] ook geen contact meer opgenomen met [eiser] om bijvoorbeeld afspraken te maken over het ophalen van haar goederen. Ook [eiser] heeft geen einde gemaakt aan de opslag van de inboedel van [gedaagde] ondanks dat de verhuisovereenkomst door [gedaagde] was opgezegd. De kantonrechter stelt dan ook vast dat de bewaarnemingsovereenkomst nog niet is geëindigd nu er door partijen ook geen andere feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat deze overeenkomst al tot een einde is gekomen.
[eiser] vordert in deze procedure echter terugname van de goederen door [gedaagde] en de kantonrechter zal deze vordering toewijzen zodat daardoor een einde komt aan de overeenkomst voor zover die ziet op de bewaarneming van de inboedelgoederen.
Opslagkosten
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] € 8.683,83 aan [eiser] moet betalen aan opslagkosten over de periode van november 2023 tot en met februari 2026, te vermeerderen met € 380,50 voor iedere maand of gedeelte daarvan met ingang van de maand maart 2026 tot en met de maand waarin [gedaagde] haar goederen terugneemt althans de ontruiming van de loods plaatsvindt.
Ten aanzien van de opslagkosten zijn partijen het erover eens dat is overeengekomen dat [gedaagde] aan [eiser] maandelijks een bedrag van
€ 380,50 verschuldigd zou zijn voor de opslag van de inboedel van [gedaagde]. Over de hoogte van de maandelijkse vergoeding zijn zij het dus eens. Zij verschillen echter van mening over hetgeen is afgesproken over het moment van opeisbaarheid (en daarmee het moment van het ontstaan van de betalingsverplichting) van de maandelijkse opslagkosten. Volgens [eiser] is afgesproken dat deze kosten maandelijks betaald moeten worden terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de kosten pas twee werkdagen voor verhuizing naar Zweden betaald moesten worden.
Los van de vraag of partijen zijn overeengekomen dat er tussentijds gefactureerd en betaald moest worden, zijn partijen het er over eens dat de betalingsverplichting voor de opslagkosten in ieder geval ontstaat op het moment dat de overeenkomst eindigt. De kantonrechter zal bepalen dat [gedaagde] de goederen uiterlijk binnen vier weken na betekening van het vonnis aan [gedaagde] moet afnemen. De overeenkomst eindigt vervolgens bij afname van de goederen. Dit betekent dat [gedaagde] gehouden is de opslagkosten voor de periode van november 2023 tot en met de maand waarin zij de goederen afhaalt moet betalen. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] tot betaling van de achterstallige en toekomstige maandelijkse opslagkosten toewijzen, waarbij deze kosten tot en met februari 2026 op basis van de door [eiser] ingestelde vordering worden vastgesteld op € 8.683,83 (€ 7.679,33 -/- € 2.420 = € 5.259,33 + 9 maanden x € 380,50).
Termijn en plaats van ophalen inboedelgoederen
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] binnen vier weken na betekening van het vonnis de inboedelgoederen moet ophalen bij de loods in [plaats] waar de inboedelgoederen worden bewaard.
Voor wat betreft het moment van het terugnemen van de goederen geldt dat terugname in beginsel onverwijld dient te gebeuren indien dat wordt gevorderd. [eiser] heeft echter gevorderd dat [gedaagde] haar goederen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis komt ophalen terwijl [gedaagde] heeft verzocht haar een termijn van in ieder geval vier weken te geven waarbinnen zij haar inboedel moet terugnemen. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om te bepalen dat binnen vier weken na betekening van het vonnis de inboedelgoederen door [gedaagde] moeten worden opgehaald bij de loods in [plaats] waar de inboedelgoederen worden bewaard.
Voor wat betreft de plaats van het terugnemen van de goederen geldt dat nu partijen geen plaats van opslag zijn overeengekomen het [eiser] in zoverre vrijstond om te bepalen waar de goederen opgeslagen zouden worden en daardoor moeten de goederen ook op die plaats worden teruggenomen. De door [eiser] weersproken redenering van [gedaagde] dat de opgeslagen goederen bij [gedaagde] of op een door haar aan te wijzen locatie moeten worden afgeleverd omdat geen plaats voor opslag is overeengekomen, slaagt dan ook niet.
Als de inboedel niet binnen de door de kantonrechter te bepalen termijn is opgehaald dan staat het [eiser] vrij om de loods te ontruimen. Er is dan immers geen rechtsgrond meer op basis waarvan [eiser] gehouden is de inboedel van [gedaagde] te bewaren. Uit het feit dat [gedaagde] haar goederen niet tijdig na betekening komt ophalen mag [eiser] in dat geval de conclusie trekken dat [gedaagde] niet langer prijs stelt op haar eigendommen. Er is voor [eiser] dan geen postcontractuele zorgplicht meer om de inboedelgoederen van [gedaagde] te bewaren. De vordering van [eiser] ten aanzien van de vernietiging van de goederen zal echter worden afgewezen nu een rechtsgrond daarvoor niet is gesteld en daarvan ook niet is gebleken.
Wettelijke rente
[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd over het door haar gevorderde bedrag met ingang 14 mei 2025, althans vanaf de datum van verzuim.
De kantonrechter zal bepalen dat wettelijke rente over de kosten van de kisten en de transportkosten verschuldigd is vanaf de vonnisdatum nu het redelijk loon voor het transport bij dit vonnis wordt vastgesteld en van eerder verzuim in betaling van de kosten van de kisten niet is gebleken.
De kantonrechter zal de wettelijke rente over de opslagkosten afwijzen, omdat onzeker is of tijdig zal worden betaald. Eerst indien niet binnen vier weken na betekening van het vonnis de achterstallige opslagkosten worden betaald, zal de wettelijke rente met ingang van deze datum verschuldigd zijn.
Buitengerechtelijke kosten
De kantonrechter zal de gevorderde buitengerechtelijke (incasso)kosten afwijzen nu is gebleken dat de vorderingen opeisbaar zijn geworden ná 31 mei 2025, terwijl de incassowerkzaamheden zouden zijn verricht in de periode vóór 31 mei 2025.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.527,78
5. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat het deel van de overeenkomst tussen partijen dat ziet op de verhuizing van de inboedelgoederen van [gedaagde] naar Zweden per 31 mei 2025 is geëindigd door opzegging door [gedaagde];
verklaart voor recht dat het deel van de overeenkomst tot opslag van de goederen van [gedaagde] eindigt op het moment dat [gedaagde] haar inboedelgoederen terugneemt;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.683,83 aan maandelijkse opslagkosten voor de periode november 2023 tot en met februari 2026, te vermeerderen met € 380,50 per maand met ingang van de maand maart 2026 tot en met de maand waarin [gedaagde] haar goederen terugneemt althans de ontruiming van de loods plaatsvindt;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.206,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van
24 februari 2026 tot aan de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.527,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis haar inboedel te (laten) verwijderen uit de loods, bij gebreke waarvan het [eiser] vrij staat om de loods te ontruimen,
verklaart de beslissingen onder 5.3. tot en met 5.6. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.