ECLI:NL:RBOVE:2026:1046

ECLI:NL:RBOVE:2026:1046

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer C/08/324798 / HA ZA 24-454
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

In deze zaak gaat het om de financiële afwikkeling van de overdracht van een melkveebedrijf door partij A aan partij B. Op 25 juni 2025 is een tussenvonnis gewezen. Daarin is beslist dat de rechtbank de vorderingen van partij A grotendeels toe zal wijzen en dat zij van partij B de vorderingen zal toewijzen die zien op reparatie van de melktaxi en het corrigeren van de melkgeldnota. Partij A is toegelaten tot bewijslevering over het gebruik en de waarde van door partij B te vergoeden fosfaatrechten. In dit eindvonnis stelt de rechtbank de financiële afwikkeling van de overname definitief vast. Daarbij beslist zij dat partij B een bedrag van € 2.803,68 aan partij A moet betalen voor het gebruik van fosfaatrechten van laatstgenoemde. In totaal moet partij B daardoor nog € 23.132,47 aan partij A voldoen, plus buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Verder beslist de rechtbank dat zij hetgeen waarmee de eis in conventie is vermeerderd afwijst en dat partij B geen dwangsom verbeurt indien zij in de onmogelijkheid verkeert medewerking te verlenen aan de overdracht van rechten en verplichtingen uit de leaseovereenkomst van de RMH voermengwagen. In reconventie wordt beslist dat partij A een bedrag van € 13.071,19 plus wettelijke rente aan partij B moet betalen. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/324798 / HA ZA 24-454

Vonnis van 25 februari 2026

in de zaak van

1. [partij A 1],

te [vestigingsplaats 1],2. [partij A 2],

te [woonplaats 1] (Zweden),3. [partij A 3],

te [woonplaats 2] (Zweden),

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [partij A],

advocaat: mr. G.D. te Biesebeek,

tegen

1. [partij B 1],

te [vestigingsplaats 2],2. [partij B 2],

te [woonplaats 3],3. [partij B 3],

te [woonplaats 4],4. [partij B 4],

te [woonplaats 5],5. [partij B 5],

te [woonplaats 6],

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [partij B],

advocaat: mr. P.H.A. Mulder.

1. De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de financiële afwikkeling van de overdracht van een melkveebedrijf door [partij A] aan [partij B]. Op 25 juni 2025 is een tussenvonnis gewezen. Daarin is beslist dat de rechtbank de vorderingen van [partij A] grotendeels toe zal wijzen en dat zij van [partij B] de vorderingen zal toewijzen die zien op reparatie van de melktaxi en het corrigeren van de melkgeldnota. [partij A] is toegelaten tot bewijslevering over het gebruik en de waarde van door [partij B] te vergoeden fosfaatrechten.

In dit eindvonnis stelt de rechtbank de financiële afwikkeling van de overname definitief vast. Daarbij beslist zij dat [partij B] een bedrag van € 2.803,68 aan [partij A] moet betalen voor het gebruik van fosfaatrechten van laatstgenoemde. In totaal moet [partij B] daardoor nog € 23.132,47 aan [partij A] voldoen, plus buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Verder beslist de rechtbank dat zij hetgeen waarmee de eis in conventie is vermeerderd afwijst en dat [partij B] geen dwangsom verbeurt indien zij in de onmogelijkheid verkeert medewerking te verlenen aan de overdracht van rechten en verplichtingen uit de leaseovereenkomst van de RMH voermengwagen. In reconventie wordt beslist dat [partij A] een bedrag van € 13.071,19 plus wettelijke rente aan [partij B] moet betalen. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juni 2025,- de akte uitlating na tussenvonnis tevens akte vermeerdering van eis van [partij A],- de antwoordakte van [partij B].

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De verdere beoordeling

in conventie

Bij vonnis van 25 juni 2025, hierna: het tussenvonnis, heeft de rechtbank [partij A] opgedragen de door haar gevorderde vergoeding wegens het gebruik van haar fosfaatrechten nader met een berekening te onderbouwen. In haar na het tussenvonnis genomen akte heeft [partij A] die vergoeding becijferd op een bedrag van € 37.620,00. [partij B] heeft de berekening van [partij A] betwist en meent dat de vergoeding maximaal € 1.448,41, het bedrag van de verarming die [partij A] gekend heeft bij de ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [partij B], zou kunnen bedragen.

[partij A] heeft aan de hand van a) een lijst van de runderen die in de periode van 1 januari 2024 tot en met 27 februari 2024 geregistreerd waren op naam en onder het UBN-nummer van [partij A] en b) een lijst waarin van elk van die runderen vermeld staat hoe lang het op het bedrijf aanwezig was, tot welke fosfaatklasse het behoort en hoeveel fosfaatrechten daarvoor benut zijn, berekend dat [partij B] 2.280 kilogram fosfaatrechten van [partij A] gebruikt heeft. [partij A] vraagt per kilogram fosfaatrechten een vergoeding van € 16,50, omdat dat bedrag de gemiddelde leaseprijs van fosfaatrechten in de periode januari/februari 2024 was en het gebruikelijk is benutte rechten te vergoeden tegen een leaseprijs behorend bij de periode waarin de rechten daadwerkelijk benut zijn.

[partij B] stelt dat voor het vaststellen van de verrijking – in de vorm van gebruik van fosfaatrechten van [partij A] – uitgegaan dient te worden van het verschil tussen de gemiddelde fosfaatproductie per koe en de daarbij horende totaalproductie zonder registratie van het van [partij A] overgenomen vee op het relatienummer van [partij B] in de periode van 2 januari 2024 tot 27 februari 2024 en de gemiddelde fosfaatproductie per koe en de daarbij behorende totaalproductie met registratie van het van [partij A] overgenomen vee in genoemde periode. Volgens [partij B] is dat verschil 78,05 kilogram bij het jongvee en 91,87 kilogram bij het melkvee, in totaal 169,92 kilogram. In 2024 kunnen veehouders in geval van lease rechten voor de eerste 100 kilogram afromingsvrij overdragen, waarbij de waarde van de rechten € 2,25 per kilogram bedraagt. De prijs van de overige 69,92 kilogram kan op € 9,50 per kilogram gesteld worden. Het voorgaande levert een verrijking tot een bedrag van in totaal € 889,24 op, aldus [partij B].

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:212 BW is degene die ongerechtvaardigd is verrijkt, verplicht de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt. Deze schadevergoedingsverbintenis wordt begrensd door (i) de omvang van de verrijking, (ii) de omvang van de verarming en (iii) de redelijkheid, in die zin dat nooit meer kan worden toegewezen dan het laagste van deze bedragen.

In dit geval bestaat de verrijking uit het gebruik door [partij B] van fosfaatrechten die aan [partij A] toebehoorden. Om de omvang van de verrijking vast te stellen dient de vermogenstoestand van [partij B] vóór en na het gebruik van die fosfaatrechten te worden vergeleken. Dat betekent dat moet worden beoordeeld in hoeverre [partij B] minder fosfaatrechten heeft hoeven benutten doordat de runderen niet op 2 januari 2024, de datum van feitelijke levering, maar eerst op 27 februari 2024 op naam van [partij B] zijn geregistreerd.

De door [partij B] gehanteerde berekeningswijze sluit aan bij dit uitgangspunt en bij de door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gehanteerde systematiek. Daarbij vindt de berekening van de voor de productie benodigde fosfaatrechten plaats aan de hand van het gemiddeld aantal runderen dat in een kalenderjaar gehouden is, waarna dat gemiddelde vermenigvuldigd wordt met de vastgestelde norm(en) voor de verschillende categorieën melkvee. De berekening van [partij B] is daarmee in overeenstemming, terwijl die van [partij A] daarvan afwijkt. De rechtbank volgt [partij B] daarom in haar berekening en oordeelt dat [partij B] in de periode van 2 januari 2024 tot en met 27 februari 2024 in totaal 169,92 kilogram fosfaatrechten minder heeft hoeven benutten. De verrijking wordt dan ook hierop vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat voor de waarde van de fosfaatrechten moet worden gekeken wat de waarde van de fosfaatrechten was op het moment dat deze werden benut, dus in januari en februari 2024. De verplichting tot schadevergoeding ontstaat immers zodra het vermogen van de een ten koste van dat van de ander is verrijkt, zodat de omvang van die verbintenis als regel ook naar dit moment zal worden vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken door, zoals [partij B] aanvoert, naar de waarde aan het einde van het jaar te kijken omdat dan door de meeste veehouders de balans opgemaakt zou worden. Het is weliswaar juist dat de totale fosfaatproductie op basis van een kalenderjaar achteraf wordt vastgesteld, maar gedurende het jaar kan van de benodigde fosfaatrechten al een inschatting worden gemaakt en de fosfaatrechten kunnen ook op ieder moment in het jaar verhandeld worden. Uit de producties van [partij A] blijkt ook dat [partij A] eerder dan aan het einde van het jaar tot verkoop over is gegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] voldoende met stukken onderbouwd dat de waarde op het moment van gebruik ongeveer € 16,50 per kilogram fosfaat bedroeg. Nu [partij B] tegen de door [partij A] berekende prijs over de periode januari/februari 2024 verder niets heeft ingebracht, zal de rechtbank bij de waardering van de verrijking dit bedrag per kilogram aanhouden.

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de verrijking op een bedrag van in totaal (169,92 kilogram x € 16,50 =) € 2.803,68 zal worden vastgesteld.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of en in hoeverre [partij A] is verarmd. [partij B] heeft in productie 20 bij haar akte na tussenvonnis uitgerekend dat de verarming van [partij A] 78,05 kilogram betreft voor het jongvee en 1391,58 kilogram voor het melkvee. De rechtbank volgt haar hierin, nu de berekening op dezelfde wijze is uitgevoerd als bij de verrijking. Daarbij merkt zij op dat, omdat vaststaat dat de melkkoeien feitelijk al op 2 januari 2024 waren overgedragen, terecht is aangenomen dat er in 2024 geen melk is geleverd door [partij A]. De melkkoeien vallen daarom in de laagste fosfaatcategorie. De fosfaatrechten die in de periode van 2 januari 2024 tot en met 27 februari 2024 van [partij A] zijn benut komen hiermee op 1.469,63 kilogram.

[partij A] stelt dat zij door het gebruik van haar fosfaatrechten door [partij B] is verarmd, omdat zij deze niet meer zelf kon verhandelen of benutten. Als [partij B] de rechten niet had gebruikt, zou [partij A] de rechten aangewend hebben voor de 107 stuks jongvee die zij in 2024 door een derde heeft laten opfokken. Nu is daarbij gebruik gemaakt van de fosfaatrechten van het opfokbedrijf. De kosten daarvan zijn doorberekend in de door [partij A] te betalen opfokvergoeding, waarbij als uitgangspunt de gemiddelde leaseprijs per kilogram over de maanden januari en februari 2024 ter hoogte van € 16,50 per kilogram gehanteerd is, aldus [partij A]. [partij A] verwijst naar de rekeningen van het opfokbedrijf (productie 8 bij haar akte na tussenvonnis). Volgens [partij A] dient de waarde van de fosfaatrechten wat betreft de verarming dan ook op dit bedrag te worden gesteld.

De rechtbank stelt het volgende voorop. [partij A] vermeldt in haar akte na tussenvonnis dat zij op 31 december 2023 nog 13.516,21 kilogram fosfaat beschikbaar had en dat zij die rechten in de periode van februari tot mei 2024 middels een vijftiental transacties in delen, op 1.241 kilogram na, verkocht heeft. Aan het eind van 2024 had [partij A] dus 1.241 kilogram fosfaatrechten beschikbaar, waar voor 100 kilogram afromingsvrije rechten bij opgeteld kunnen worden. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat de verarming nooit meer kan zijn dan de waarde van 1.341 kilogram fosfaat.

Ten aanzien van de waarde overweegt de rechtbank voorts als volgt. [partij A] heeft weliswaar onbetwist gesteld dat voor de opfok van al haar jongvee ongeveer 1.500 kilogram fosfaatrechten nodig waren, terwijl [partij A] in 2024 al haar fosfaatrechten, op 1.241 kilogram na, verkocht heeft en uit voornoemde productie 8 van [partij A] blijkt ook dat [partij A] in 2024 maandelijks een opfokvergoeding verschuldigd was, maar nergens blijkt uit dat in de opfokvergoeding de door [partij A] genoemde leaseprijs is verdisconteerd en dat een ander bedrag afgesproken zou zijn als [partij B] geen fosfaatrechten van [partij A] had benut. Sterker nog, uit de facturen lijkt te volgen dat de vergoeding al was afgesproken voordat duidelijk was dat [partij B] fosfaatrechten van [partij A] zou gaan benutten. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat de door [partij A] gestelde kosten in causaal verband staan met het gebruik van fosfaatrechten door [partij B]. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat voor de waardering van de rechten voor de productie van 1.341 kilogram fosfaat de gemiddelde leaseprijs uit de periode januari/februari 2024 als uitgangspunt te hanteren valt.

[partij B] heeft in haar akte na tussenvonnis een berekening opgenomen voor de waardering van de fosfaatrechten die [partij A] zou hebben kunnen kopen in december 2024 om een tekort in verband met het benutten van haar fosfaatrechten door [partij B] aan te vullen (zie randnummers 17 tot en met 19). Dat laatste is niet van belang bij de beoordeling van het geschil, maar de waardering acht de rechtbank wel geschikt als grondslag voor het bepalen van de met de ongerechtvaardigde verrijking door [partij B] samenhangende verarming aan de zijde van [partij A]. De rechtbank gaat er namelijk van uit dat – nu [partij A] onbetwist heeft gesteld dat zij de rechten netto heeft verkocht – [partij A] de fosfaatrechten waarover zij toen nog beschikte, in december 2024 had kunnen verhandelen. De rechtbank gaat daarbij uit van lease, omdat [partij A] daar in haar berekening ook van uitgaat. [partij B] heeft bij haar berekening voldoende onderbouwd dat toen de leaseprijs voor de eerste 100 kilogram € 2,25 per kilogram bedroeg (zonder afroming) en € 9,50 per kilogram voor de daarop volgende hoeveelheid (met afroming). Het verhandelen in december 2024 door [partij A] van fosfaatrechten voor 1.341 kilogram fosfaat levert het volgende op. Na afroming van 10% blijven fosfaatrechten voor 1.341 -/- 134 = 1.207 kilogram fosfaat over. De leaseprijs van de eerste 100 kilogram daarvan is (100 x € 2,25 =) € 225,00, die van het restant is € 10.516,50 (1.107 kilogram à € 9,50). De totale leaseprijs bedraagt dan € 10.741,50. De verarming wordt op dit bedrag vastgesteld.

Voor zover [partij A] heeft aangevoerd dat zij door het benutten van fosfaatrechten door [partij B] over te weinig fosfaatrechten in 2024 zou beschikken en daardoor een bestuurlijke boete zou kunnen worden opgelegd, overweegt de rechtbank dat dit betoog niet kan leiden tot een hogere vaststelling van de verarming. Een dergelijk risico betreft een onzeker toekomstige omstandigheid en vormt geen daadwerkelijke vermindering van het vermogen van [partij A]. Niet is gesteld of gebleken dat aan [partij A] een boete is opgelegd of zal worden opgelegd.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende slotsom. Nu de aldus vastgestelde verarming hoger is dan de verrijking, kan op grond van artikel 6:212 BW slechts het bedrag van de verrijking worden toegewezen. De rechtbank zal [partij B] daarom veroordelen tot betaling aan [partij A] van € 2.803,68 als vergoeding van de schade geleden ten gevolge van de ongerechtvaardigde verrijking.

Vermeerdering van eis

In haar na het tussenvonnis genomen akte heeft [partij A] ook haar eis vermeerderd. Zij vordert thans ook dat de rechtbank [partij B] en haar vennoten hoofdelijk veroordeelt om aan [partij A] een bedrag van € 1.000,00 met rente te betalen als vergoeding voor de door [partij A] gemaakte onkosten voor de overschrijving van de biomassaregistratie. [partij A] wijst erop dat [partij B] zich bereid verklaard heeft hier een vergoeding voor te betalen en dat de rechtbank in het tussenvonnis onder 5.5. vermeldt dat zij het redelijk acht dat [partij B] de aan de correcte afronding van de biomassaregistraties over april tot december 2024 verbonden kosten voor haar rekening neemt.

[partij B] vindt dat de rechtbank deze vordering af moet wijzen. Zij voert aan dat zij bereid was en is om een vergoeding te betalen aan [partij A], maar dat zij nimmer een overzicht gekregen heeft van de door [partij A] aangewende tijd met vermelding van het uurtarief. [partij B] stelt nooit ingestemd te hebben met een vergoeding ter hoogte

van € 1.000,00.

De rechtbank is van oordeel dat [partij A] om een vergoeding voor de overschrijving van de biomassaregistratie te krijgen, een deugdelijke onderbouwing had moeten geven van de door haar gemaakte kosten. Dat heeft zij echter niet gedaan. De rechtbank zal de vordering waarmee [partij A] haar eis heeft vermeerderd dan ook afwijzen. De rechtbank voegt nog het volgende toe. [partij B] heeft geen bezwaar gemaakt tegen vermeerdering van eis. De rechtbank laat daarom de vraag of de eisvermeerdering toelaatbaar is, nu is het tussenvonnis reeds is beslist om de vordering met betrekking tot de biomassaregistraties buiten beschouwing te laten, onbesproken.

Leaseovereenkomst RMH voermengwagen

De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat zij de vordering in conventie die ziet op de medewerking van [partij B] aan de overdracht van rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de leaseovereenkomst van de RMH voermengwagen, zal toewijzen en tevens dat zij daarbij een dwangsom zal opleggen. [partij B] verzoekt de rechtbank thans die dwangsom op grond van artikel 611d Rv op te heffen. Zij voert daartoe aan dat zij niet aan de veroordeling zal kunnen voldoen, omdat de bank (BNP Paribas Leasing Solutions N.V.) heeft medegedeeld dat de leaseovereenkomst met [partij A] niet op naam van [partij B] wordt omgezet, ook omdat [partij B] de voermengwagen al vanaf 4 augustus 2025 niet langer gebruikt.

Na het nemen van de antwoordakte door [partij B] is bepaald dat de rechtbank vonnis zou wijzen. [partij A] heeft (dan ook) niet meer gereageerd op het verzoek van [partij B]. De rechtbank zal bepalen dat [partij B] de dwangsom die de rechtbank zal opleggen niet verbeurt, indien zij in de onmogelijkheid verkeert om te voldoen aan de veroordeling tot medewerking aan de overdracht van rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de leaseovereenkomst van de RMH voermengwagen. Op die wijze is [partij A] niet in haar belangen geschaad.

In samenhang met het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [partij A] onder B.2 toewijzen met de toevoeging dat de veroordeling slechts geldt met betrekking tot termijnen gedurende de werkelijke looptijd van het leasecontract van de voermengwagen vanaf 15 april 2025 en [partij A] die termijnen betaald heeft of betaalt aan de bank. Daarmee zijn partijen niet in hun belangen geschaad. De vordering van [partij A] strekt immers tot het verkrijgen van vergoeding van de door haar na de feitelijke overdracht van het bedrijf betaalde leasetermijnen, terwijl de rechtbank in het tussenvonnis al beslist heeft dat [partij B] gehouden is een vergoeding voor die door [partij A] betaalde termijnen te betalen.

in conventie en in reconventie

De RMH voermengwagen

In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds beslist dat zij het in conventie onder A I en II gevorderde zal toewijzen. Ook heeft de rechtbank in dat vonnis beslist dat zij het in conventie onder B 1 en 2 gevorderde zal toewijzen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis deze vier vorderingen ten onrechte vermeld als vorderingen in reconventie (r.o. 5.13). Het gaat, gezien de opsommingen in het tussenvonnis onder 4.1. en onder 4.4. om klaarblijkelijke misslagen. Ten slotte heeft de rechtbank al beslist dat zij het in reconventie onder B en C gevorderde zal afwijzen.

Verzekeringspremies Univé

In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds beslist dat zij het in conventie onder A III en VIII gevorderde zal toewijzen. Ook heeft de rechtbank beslist dat zij het onder B 3 (onder voorwaarde) zal toewijzen.

Erkende vorderingen

De rechtbank heeft in het tussenvonnis al beslist dat zij het in conventie onder A IV, V en VI zal toewijzen.

Conclusie conventie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in conventie [partij B] veroordelen tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 23.132,47: het totaal van € 23.735,92 (leasetermijnen voermengwagen), € 2.688,47 (verzekeringspremie vergister), € 3.604,25 (verzekeringspremie mesttank en voermengwagen), € 2.685,73 (Enexis vastrecht),

€ 10.943,71 (energiekosten januari 2024), € 24.200,00 (mesttank 2e deel), € 2.803,68 (fosfaatrechten) minus het ‘tegoed’ van [partij B] ter hoogte van € 47.529,29. De rechtbank zal [partij B] veroordelen tot het betalen van wettelijke rente over dat bedrag op een wijze zoals onder de beslissing vermeld.

De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen om aan een bepaalde verplichting te voldoen. Als de één (een deel) voldoet, hoeft de ander (dat deel) niet meer te voldoen.

Correctie melkgeldnota

In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat zij het in reconventie onder A 2 gevorderde zal toewijzen.

Reparatiekosten melktaxi

In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat zij het in reconventie onder A 3 gevorderde zal toewijzen.

Reparatiekosten ander materieel

In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat zij het in reconventie onder A 4 tot en met 6 gevorderde zal afwijzen.

Vergoeding mesttoename

In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat zij het in reconventie onder A 7 gevorderde zal afwijzen.

Het beslag

In het tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat zij het in reconventie onder D gevorderde zal afwijzen.

Conclusie reconventie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in reconventie [partij A] veroordelen tot betaling aan [partij B] van een bedrag van € 13.071,19: het totaal van € 182,40 (correctie melkgeldnota) en € 3.188,94 (reparatie melktaxi), te vermeerderen met het niet betwiste bedrag van € 47.529,29 dat [partij A] aan [partij B] verschuldigd is en te verminderen met het ‘tegoed’ van [partij A]. De rechtbank zal [partij A] veroordelen tot het betalen van wettelijke rente over dat bedrag op een wijze zoals onder de beslissing vermeld.

In haar vonnis van 25 juni 2025 heeft de rechtbank overwogen onder 5.22. dat partijen rekening dienen te houden met de noodzaak tot verrekening, nu [partij A] van het bedrag dat zij in conventie vordert een bedrag van € 47.529,29 als tegoed van [partij B] aftrekt en [partij B] van haar vordering een bedrag van € 37.829,44 als tegoed van [partij A] in aftrek brengt. Deze bedragen zijn opgenomen als onderdeel van de vorderingen: het bedrag van het tegoed van [partij B] als door [partij A] erkende bedragen en het bedrag van het tegoed van [partij A] onder de posten A IV, V en VI onder 4.1. in het tussenvonnis (vastrecht, energiekosten en mesttank 2e deel). In afwijking van wat de rechtbank overwogen heeft onder 5.22. in het vonnis van 25 juni 2025 levert hetgeen meer van de vordering van [partij A] op [partij B] in aftrek gebracht is dan wat van de vordering van [partij B] op [partij A] in aftrek is gebracht, te weten een bedrag van € 9.699,85, een schuld van [partij B] aan [partij A] op.

Buitengerechtelijke incassokosten

[partij A] vordert in conventie een veroordeling tot betaling van een vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.289,36. Dit deel van haar vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat voldoende is gesteld en onderbouwd, in het bijzonder met de brief van de advocaat van [partij A] aan [partij B] van 11 juli 2024, dat buitengerechtelijke

incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten overstijgt het in het Besluit bepaalde tarief, omdat een lagere hoofdsom wordt toegewezen dan is gevorderd. De rechtbank zal daarom het bedrag van € 1.006,32 toewijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar. Nu [partij A] niet heeft gesteld op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn betaald, zal de rechtbank de rente toewijzen met ingang van de dag van dagvaarding.

[partij B] vordert in reconventie veroordeling tot betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Omdat [partij B] deze vordering echter op geen enkele wijze onderbouwd heeft, is [partij A] geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

Proceskosten

In deze zaak gaat het om een geschil tussen partijen in verband met de financiële afwikkeling van de overname van het bedrijf van [partij A] door [partij B]. Ieder der partijen heeft vorderingen ingesteld omdat zij van mening waren dat haar wederpartij nog een of meer bedragen verschuldigd was. Deze vorderingen zijn in belangrijke mate toegewezen. Daarbij komt dat een deel van de vorderingen van beide partijen zag op door de wederpartij erkende verplichtingen, zodat het debat tussen partijen daar niet over ging. De rechtbank zal daarom zowel in conventie als in reconventie de proceskosten compenseren, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [partij B] en haar vennoten hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 23.132,47 aan [partij A], te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt [partij B] en haar vennoten hoofdelijk tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 1.006,32 als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt [partij B] en haar vennoten hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan overdracht van rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de leaseovereenkomst van de RMH voermengwagen, onder afgifte aan [partij A] van het vrijwaringsbewijs en op straffe van een dwangsom, tenzij [partij B] in de onmogelijkheid verkeert aan deze veroordeling te voldoen, van € 500,00 per dag voor elke dag dat [partij B] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,00,

veroordeelt [partij B] en haar vennoten hoofdelijk om per 15e van elke opvolgende maand aan [partij A] een leasetermijn van € 1.825,84 te betalen, waarvan de 1e termijn op 15 april 2025 vervalt en zulks gedurende maximaal 25 maanden, alsmede een slottermijn van € 30.822,00 op 15 mei 2027, welke veroordeling slechts geldt met betrekking tot termijnen gedurende de werkelijke looptijd van het leasecontract van de voermengwagen vanaf 15 april 2025 en [partij A] die termijnen betaald heeft of betaalt aan de bank, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, gerekend vanaf de dag dat [partij B] met betaling van de betreffende leasetermijn in verzuim is tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt [partij B] en haar vennoten hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, na ontvangst van [partij A] van de daarvoor benodigde documenten haar medewerking te verlenen aan het op haar naam registreren van het kentekenbewijs van de mesttank (kenteken LJN-99-K), onder afgifte aan [partij A] van het vrijwaringsbewijs en op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor elke dag dat [partij B] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,00,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart de beslissing in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

veroordeelt [partij A] tot betaling van een bedrag van € 13.071,19 aan [partij B], te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover, gerekend vanaf 31 juli 2024 tot aan de dag van volledige betaling,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart de beslissing in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?