RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.078220.25 (P)
Datum vonnis: 24 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu verblijvende in de PI [locatie] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. C.C. Polat, advocaat in Breukelen, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
in elk geval telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet.
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 2 september 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1: deelname aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (gewoonte)witwassen en/of de handel in en/of het vervoeren van verdovende middelen als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet, in de periode van 19 april 2019 tot en met 8 mei 2025;
feit 2: medeplegen van primair (gewoonte)witwassen subsidiair schuldwitwassen van geldbedragen van in totaal (ongeveer) € 44,5 miljoen en/of $ 5,8 miljoen in de periode van 19 april 2019 tot en met 18 november 2020;
feit 3: het samen met anderen dan wel alleen opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van ongeveer 360 kilogram hennep (hasjiesj) op 2 september 2020;
feit 4: het samen met anderen dan wel alleen opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 65 kilogram cocaïne op 26 november 2020, een hoeveelheid van 30 kilogram cocaïne op 1 januari 2021, een hoeveelheid van 3 kilogram cocaïne op 26 januari 2021 en een hoeveelheid van 428 (althans 402) kilogram cocaïne in de maanden februari en maart 2021.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 8 mei 2025 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Turkije en/of elders,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [naam 1] en/of [naam 2] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 18 november 2020, te Amsterdam en/of Rotterdam en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Turkije en/of (elders),
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
van een of meerdere voorwerpen, te weten
- een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) € 44,5 miljoen en/of US Dollar 5,8 miljoen, althans een of meerdere (zeer) grote geldbedrag(en)
a. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemd(e) voorwerp)en) voorhanden heeft gehad en/of
b. heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of
gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt;
3.
hij op of omstreeks 2 september 2020 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van ongeveer 360 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd
zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;
4.
hij op een of meer nader te noemen tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 te Rotterdam en/of Bussum en/althans (elders) in Nederland en/of in Turkije en/of elders,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk
meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (althans in elk geval/telkens) aanwezig heeft gehad en/of (telkens) heeft vervaardigd, en wel:
3. Het afdoeningsvoorstel
De overeenkomst
Op 29 januari 2026 is tussen verdachte en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van verdachte. Deze door partijen ondertekende overeenkomst met bijlagen is gevoegd bij dit vonnis.
Het afdoeningsvoorstel houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat:
de verdachte geen onderzoekswensen indient;
de verdachte geen bewijsverweren voert;
de verdachte geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen en de ten laste gelegde feiten op zitting niet ontkent;
de verdachte aanwezig zal zijn bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 10 februari 2026;
de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
de verdachte ermee instemt dat een afschrift van deze overeenkomst (en van de eventuele bijlage(n)) aan het Centraal Justitieel Incassobureau wordt verstrekt;
de verdachte een geldbedrag van € 500.000,- voorafgaand aan de zitting overdraagt aan de politie ter inbeslagname;
de verdachte voor zover nodig aangeeft betalingsbereid te zijn, in staat te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen voeren, zowel voor zijn financiële verplichtingen voortvloeiende uit de strafzaak als uit de ontnemingszaak;
de verdachte afziet van hoger beroep in geval de beslissing van de rechtbank overeenkomt met het voorgelegde afdoeningsvoorstel;
het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten;
het Openbaar Ministerie oplegging zal vorderen van de volgende straf: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en drie maanden en een geldboete ter hoogte van € 500.000,-, bij onvolledige of niet tijdige betaling te vervangen door 365 dagen vervangende hechtenis;
het Openbaar Ministerie zich zal onthouden van vervolging ten aanzien van soortgelijke Opiumwet of witwasdelicten gepleegd in de tenlastegelegde periode;
het Openbaar Ministerie zich zal onthouden van het instellen van een ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de tenlastegelegde feiten, indien de rechtbank overgaat tot het opleggen van de gevorderde geldboete;
het Openbaar Ministerie zal afzien van hoger beroep in geval de beslissing van de rechtbank overeenkomt met het voorgelegde afdoeningsvoorstel.
De beoordeling van het afdoeningsvoorstel
Bij de beoordeling van het afdoeningsvoorstel heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 10 februari 2026 is het hiervoor weergegeven afdoeningsvoorstel uitgebreid en indringend met verdachte besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat het voorstel inhoudt en wat de gevolgen daarvan voor hem en zijn strafzaak kunnen zijn. Hij heeft aangegeven volledig achter dit voorstel te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot dit voorstel te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
Het afdoeningsvoorstel komt daarmee voor een beoordeling door de rechtbank in aanmerking. De rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend is geweest, meer in het bijzonder wat betreft het bewijs en de straf.
Dat in acht nemend komt de rechtbank tot de volgende beoordeling van de strafzaak tegen verdachte.
4. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals uitgestreept in de dagvaarding in de door hem overgelegde definitieve Raamovereenkomst.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging wijst op de gemaakte procesafspraken en voert geen bewijsverweer. De verdachte betwist de ten laste gelegde feiten niet.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 2 het volgende.
De in de raamovereenkomst opgenomen gestreepte tenlastelegging met betrekking tot feit 2 komt tot een bewezenverklaring van schuldwitwassen (“redelijkerwijs moest vermoeden”), terwijl hij, verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank echter bewezen dat verdachte wist dat de tenlastegelegde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank komt op dat punt tot een andere bewezenverklaring dan in de raamovereenkomst staat vermeld. De rechtbank is van oordeel dat dit wel binnen de reikwijdte van het afdoeningsvoorstel past, nu het Openbaar Ministerie en de verdediging wel tot een bewezenverklaring van het een gewoonte maken van kwamen, hetgeen zich niet verhoudt met een bewezenverklaring van schuldwitwassen. Hiermee is de bewezenverklaring niet strijdig met de kern van het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 18 november 2020 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Turkije en/of elders,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [naam 1] en/of [naam 2] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
het medeplegen van (gewoonte)witwassen van aanzienlijke contante geldbedragen, en/of
de handel in en/of het vervoeren van (grote) hoeveelheden verdovende middelen als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 april 2019 tot en met 18 november 2020, te Amsterdam en/of Rotterdam en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Turkije en/of (elders),
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
van een of meerdere voorwerpen, te weten
- een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) € 44,5 miljoen en/of US Dollar 5,8 miljoen, althans een of meerdere (zeer) grote geldbedrag(en)
a. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of
b. heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of
gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt;
3.
hij op of omstreeks 2 september 2020 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van ongeveer 360 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd
zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 11, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;
4.
hij op een of meer nader te noemen tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 26 november 2020 tot en met 31 maart 2021 te Rotterdam en/of Bussum en/althans (elders) in Nederland en/of in Turkije en/of elders,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk
meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (althans in elk geval/telkens) aanwezig heeft gehad en/of (telkens) heeft vervaardigd, en wel:
op of omstreeks 26 november 2020, 65 (40 en 25) kilogram cocaïne, en/of
op of omstreeks 1 januari 2021, 30 kilogram cocaïne, en/of
op of omstreeks 26 januari 2021, 3 kilogram cocaïne, en/of
in of omstreeks de maand(en) februari/maart 2021, 428, althans 402 kilogram cocaïne,
in elk geval telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 55, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen;
feit 3
het misdrijf:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 4
het misdrijf:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform het afdoeningsvoorstel – gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren en drie (3) maanden met aftrek van voorarrest;
een geldboete ter hoogte van € 500.000,-, te vervangen door 365 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de gemaakte procesafspraken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht de strafeis van de officier van justitie te volgen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezig hield met (soft- en hard)drugshandel en witwassen. De rol van verdachte valt te omschrijven als opdrachtnemer. Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie heeft verdachte geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen, waaronder andersoortige criminaliteit, die de handel in (hard- en soft)drugs en witwassen met zich meebrengen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van grote geldbedragen. Dit is een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt er immers toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarmee de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig wordt aangetast. Dit feit werkt tevens faciliterend voor ander strafbaar handelen. Ook wordt hiermee de Staat, en daarmee ook de samenleving, benadeeld omdat over deze criminele inkomsten geen belasting wordt betaald. Verdachte heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een grote hoeveelheid hennep (hasjiesj) en de handel in cocaïne. In het algemeen geldt voor verdovende middelen, zowel hard- als softdrugs, dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt toegebracht. Met zijn handelen heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van verslavingen en het criminele drugscircuit en heeft verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 5 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit, te weten witwassen.
Verdachte heeft op de terechtzitting naar voren gebracht dat hij zijn verantwoordelijkheid wil nemen en dat hij de lopende strafzaak wil afsluiten.
De strafoplegging
Gelet op het voorgaande zou de rechtbank in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden achten. De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel in onderhavige zaak noopt tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Zij overweegt daartoe als volgt. Een matiging van de straf in dit geval is gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen nadere onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van het afdoeningsvoorstel geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in het afdoeningsvoorstel overeengekomen is onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. Daarnaast is de hoogte van de overeengekomen straf in soortgelijke zaken geen uitzondering. De in het afdoeningsvoorstel overeengekomen straf wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.
De rechtbank legt dan ook aan verdachte op:
een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 3 (drie) maanden met aftrek van voorarrest;
een geldboete ter hoogte van € 500.000,-.
De rechtbank stelt de bij de geldboete vervangende hechtenis op nul dagen, nu door de verdachte ter terechtzitting is gesteld en door het Openbaar Ministerie is bevestigd dat verdachte overeenkomstig de procesafspraken voorafgaand aan de zitting een geldbedrag van € 500.000,- heeft overgedragen aan de politie ter inbeslagname.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24c en 57 Sr en artikel 12a van de Opiumwet.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen;
feit 3
het misdrijf:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 4
het misdrijf:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 3 (drie) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 500.000,- (zegge: vijfhonderdduizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.