ECLI:NL:RBOVE:2026:1058

ECLI:NL:RBOVE:2026:1058

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 03-03-2026
Zaaknummer C/08/331521 / ES RK 25-2339
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Echtscheidingsprocedure. Zorgregeling. Bij toewijzing van één van de verzoeken, zal de andere ouder overbelast raken. Aanhouding beslissing in verband met hulpverlening. Kinderalimentatie. Zelfgekozen Inkomensverlies. De man heeft onvoldoende aangetoond dat hij niet in staat is om zijn oude salaris te verdienen. De man stelt zich op het standpunt dat hij door ziekte niet meer in staat is om 37,5 uur per week te werken en heeft gelet hierop zijn contract laten aanpassen naar 30 uur per week. Nu de man zich niet ziek heeft gemeld heeft hij zichzelf doorbetaling van salaris ontnomen, en doordat er geen bedrijfsarts of arbeidsdeskundige betrokken is geweest is er geen behoorlijk zicht op zijn mate van arbeids(on)geschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/331521 / ES RK 25-2339 (de bodemprocedure)

C/08/343387 / ES RK 26-24 (de voorlopige voorziening)

Echtscheiding

Beschikking van 20 februari 2026

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de vrouw of de moeder,

advocaat: mr. R.H. Broeksema,

tegen

[de vader] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de man of de vader,

advocaat: mr. S.M. Wolff.

1. De procedure

In de bodemprocedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 07 april 2025;

het exploot van de betekening van 16 april 2025, binnengekomen op 22 april 2025;

de op 22 april 2025 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Broeksema;

het verweerschrift met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 10 oktober 2025;

de op 10 oktober 2025 binnengekomen brief van mr. Broeksema;

de op 10 oktober 2025 binnengekomen brief van mr. Wolff;

de op 13 januari 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Broeksema;

het aanvullend verweer c.q. aanvullende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, binnengekomen op 26 januari 2026.

In de voorlopige voorziening

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 6 januari 2026;

het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 26 januari 2026.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat:

[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling kennisgenomen van de brief van mr. Wolff, met bijlagen, binnengekomen op 9 februari 2026.

[de kind 1] en [de kind 2] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun mening te geven.

2. De feiten

De man en de vrouw zijn op [datum] 2006 in [plaats] met elkaar getrouwd.

Zij zijn de ouders van:

[de kind 1] geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ;

[de kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] .

3. Het verzoek

In de bodemprocedure

De vrouw wendt zich tot de rechtbank met het verzoek om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] 2006 te [plaats] , uit te spreken;

b) te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van de kosten van haar levensonderhoud

maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 750,- dient te voldoen;

primair:

c) de bepalingen van het tussen partijen te sluiten ouderschapsplan op te nemen in deze beschikking door deze daaraan te hechten;

subsidiair: in het geval er geen ouderschapsplan overeengekomen kan worden:

d) te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn;

e) een zorgverdeling met betrekking tot de kinderen vast te stellen, inhoudende dat de kinderen in een week op/week af-regeling bij de vader respectievelijk de moeder zullen verblijven;

f) te bepalen dat indien [de kind 1] dit wenst de contactregeling kan worden aangepast waardoor zij meer bij de moeder verblijft, zulks in onderling overleg met elkaar te bepalen;

g) te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen telkens bij vooruitbetaling per kind per maand een bedrag van € 450,- dient te voldoen.

In de voorlopige voorziening

De vrouw zich wendt tot de rechtbank met het verzoek om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen telkens bij vooruitbetaling per kind per maand een bedrag van € 305,- dient te voldoen.

4. Het verweer en de zelfstandige verzoeken

In de bodemprocedure

De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van de door de vrouw verzochte primaire verzoeken:

a. het verzoek tot echtscheiding: tot referte;

b. het verzoek tot vaststelling partneralimentatie: tot afwijzing;

c. opneming ouderschapsplan in een in dezen te wijzen beschikking: tot referte zodra het

door beide partijen ondertekende ouderschapsplan voorhanden is;

ten aanzien van de door de vrouw verzochte subsidiaire verzoeken:

d. het verzoek hoofdverblijfbepaling: tot referte;

e. het verzoek zorgregeling: te bepalen dat [de kind 2] bij de man verblijft een weekeinde per

veertien dagen en de helft van de vakanties van de man, (inhoudende 10 dagen in de

zomervakantie, 1 a 2 dagen in de meivakantie, 1 dag in de herfstvakantie en 1 week in

de kerstvakantie, met ruimte voor [de kind 2] en vader om gezamenlijk de

(thuis)voetbalwedstrijden van PEC Zwolle bij te wonen, ook als dit in het weekeinde

van de moeder valt en voor [de kind 1] momenteel geen regeling vast te leggen;

f. voor [de kind 1] momenteel geen regeling vast te leggen;

g. het verzoek bepaling kinderalimentatie: dit te stellen op een bijdrage van de man aan

de vrouw groot € 97,00 voor [de kind 1] en € 86,00 voor [de kind 2] , per maand.

Kosten rechtens.

In de voorlopige voorziening

De man verzoekt de rechtbank om ten aanzien van de vrouw ter bepaling van de kinderalimentatie dit te stellen op een bijdrage van de man aan de vrouw van groot maximaal € 97,- voor [de kind 1] en maximal € 86,- voor [de kind 2] per maand.

5. De beoordeling

Het ontbreken van het ouderschapsplan

Het is de ouders nog niet gelukt een ouderschapsplan te maken. In een ouderschapsplan staan de afspraken over de kinderen, zoals wanneer de kinderen bij wie zijn en hoe de ouders elkaar op de hoogte houden over de kinderen. Als de ouders geen ouderschapsplan hebben gemaakt, neemt de rechtbank geen beslissing totdat zij zo’n plan hebben gemaakt. De rechtbank kan daarop een uitzondering maken als niet van de ouders kan worden verwacht dat zij samen een ouderschapsplan maken.

De rechtbank bepaalt dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken inhoudelijk worden behandeld. De rechtbank vindt namelijk dat van de ouders niet kan worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken.

De echtscheiding

De rechtbank zal de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitspreken, omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De vrouw en de man zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.

De hoofdverblijfplaats

De ouders zijn het erover eens dat [de kind 1] en [de kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder moeten krijgen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De zorgregeling

De rechtbank zal de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling aanhouden en legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

Het gezin als geheel maar ook de individuele gezinsleden gaan door een roerige periode. Bij de vader is in juni 2024 darmkanker vastgesteld. Niet alleen fysiek, maar ook op mentaal vlak heeft de vader het moeilijk gehad. Sinds het feitelijk uiteengaan van de ouders in januari 2025 is het contact tussen de vader en [de kind 1] verslechterd en inmiddels is er al ruim negen maanden geen contact meer. [de kind 1] verblijft sinds juni 2025 volledig bij de moeder. De vader is hier erg verdrietig over, maar wil [de kind 1] ook niet dwingen tot contact. Trias is wekelijks betrokken bij [de kind 1] , maar de ouders zien beiden dat dit nog geen effect heeft voor het contactherstel met de vader. De moeder staat volledig achter het contactherstel en doet ook haar best om [de kind 1] hierin te stimuleren. Over [de kind 2] hebben de ouders al langer zorgen. [de kind 2] volgt therapie bij Trias voor onder andere zijn agressie. De ouders vermoeden dat [de kind 2] een vorm van autisme heeft. Tot op heden is er nog geen diagnose gesteld. [de kind 2] verwijt de moeder dat de ouders uit elkaar zijn gegaan. Hij toont volgens de moeder forse gedragsproblematiek in haar richting, zowel verbaal als fysiek. [de kind 2] verblijft (sinds juni 2025) een weekend per veertien dagen bij de vader en de rest van de tijd bij de moeder. Voor de moeder is deze situatie niet meer vol te houden. De moeder mist hierin de steun van de vader. De vader ziet dat het niet goed gaat tussen de moeder en [de kind 2] . Het lukt hem vanwege zijn gezondheid niet om [de kind 2] meer dan een weekend per veertien dagen bij hem te laten verblijven. Voor hem is deze zorgregeling het maximaal haalbare. De moeder heeft de noodklok geluid richting de hulpverlening, maar krijgt weinig tot geen gehoor.

De moeder is overbelast in de zorg voor de kinderen en de vader heeft onvoldoende draagkracht om de moeder hierin te ondersteunen. Bij toewijzing van één van de verzoeken, zal de andere ouder overbelast raken in de zorg voor de kinderen. Het heeft daarom de voorkeur dat de ouders samen met de hulpverlening een concreet plan maken over hoe dit voorkomen kan worden. Daarbij kan gedacht worden aan het structureel inschakelen van het netwerk of van bijvoorbeeld een steungezin. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden om samen met de ouders in gesprek te gaan met de hulpverlening (Trias en het Sociaal Wijkteam) om de noodzaak van de situatie nog meer onder de aandacht te brengen. Ook het contactherstel tussen de vader en [de kind 1] kan daarin worden meegenomen. De ouders hebben aangegeven hiervan gebruik te willen maken. De rechtbank zal daarom in afwachting hiervan nog geen zorgregeling vaststellen en de zaak aanhouden voor de duur van ongeveer drie maanden. De huidige zorgregeling die de ouders hebben afgesproken, kan voorlopig worden voortgezet. Met de kanttekening dat de rechtbank de noodkreet van de moeder heeft gehoord en het belangrijk vindt dat zij op korte termijn wordt ontlast om uitval te voorkomen.

De kinderalimentatie

Wat de rechtbank zal beslissen

De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 307,- per maand voor [de kind 1] en € 178,- per maand voor [de kind 2] aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. Dit betekent dat een deel van het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.

Hoewel de beslissing over de zorgregeling wordt aangehouden, zal de rechtbank een eindbeslissing nemen ten aanzien van de kinderalimentatie. De rechtbank verwacht dat, indien er in de komende periode wijzigingen zullen plaatsvinden met betrekking tot de zorgregeling en dus in de zorgkorting, partijen in staat zijn om in onderling overleg de berekening op dit punt aan te passen.

De ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. De rechtbank vindt dat de man vanaf de datum van deze beschikking de kinderalimentatie moet betalen, omdat de vrouw geen ingangsdatum heeft verzocht en de datum van de beschikking in dat geval gebruikelijk is.

De behoefte van [de kind 1] en [de kind 2]

De rechtbank stelt de behoefte van [de kind 1] en [de kind 2] vast op een bedrag van € 643,- per kind per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de behoefte van [de kind 1] en [de kind 2] per 2025 € 615,- bedraagt. Voor het inkomen van de vrouw zijn zij in hun berekeningen uitgegaan van de gemiddelde winst van 2022 tot en met 2024 van de onderneming van de vrouw van € 23.114,- bruto per jaar. Voor het inkomen van de man zijn zij uitgegaan van € 49.212,- bruto per jaar. Het kindgebondenbudget bedroeg € 301,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen afgerond € 643,- per kind per maand en dus € 1.286,- in totaal.

De draagkracht van beide ouders

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.

De draagkracht van de man

Tussen partijen is in geschil of er aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is. Voor de beantwoording van de vraag of rekening moet worden gehouden met het inkomensverlies aan de zijde van de man, moet eerst worden beoordeeld of het inkomensverlies voor herstel vatbaar is. Bij een bevestigend antwoord, zal de rechtbank rekening houden met het oude inkomen van de man. Bij een ontkennend antwoord, zal de vraag aan de orde komen of het inkomensverlies verwijtbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat het inkomensverlies voor herstel vatbaar is, althans in dit geval moet worden weggedacht. De man werkte aanvankelijk 37,5 uur per week. In juni 2024 is bij de man darmkanker geconstateerd. De man stelt zich op het standpunt dat hij sinds zijn operaties en chemo-traject niet meer in staat is om 37,5 uur per week te werken, reden waarom de man sinds 24 maart 2025 zijn contracturen heeft aangepast en sindsdien 30 uur per week werkt. De keuze van de man om zijn contracturen in die situatie aan te laten passen in plaats van zich (gedeeltelijk) ziek te melden, is volgens de rechtbank opmerkelijk. In de keuze van de man heeft hij kennelijk niet zijn financiële verantwoordelijkheid richting de kinderen meegewogen. De man verklaart hierover dat hij, ook vanuit loyaliteit richting zijn werkgever, zich liever volledig wil inzetten voor een 30-urige werkweek in plaats van de Ziektewet in te gaan. Als de man in die redenering wordt gevolgd heeft hij zichzelf het recht ontnomen om (in ieder geval gedurende zijn volledige eerste ziektejaar) zijn volledige salaris doorbetaald te kijgen. Daarnaast is er nu als gevolg van dit gedeeltelijke ontslag geen behoorlijk zicht op zijn mate van arbeids(on)geschiktheid. Doordat de man zich niet ziek heeft willen melden, is er geen bedrijfsarts of arbeidsdeskundige betrokken geweest die de arbeidspotentie van de man heeft kunnen vaststellen. De rechtbank wil niet afdoen aan de gezondheidsproblemen van de man, maar is het met de vrouw eens dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet in staat is om zijn oude salaris te verdienen. De verklaring van de huisarts en van de werkgever van de man zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot deze conclusie te komen. Een huisarts is geen bedrijfsarts of arbeidsdeskundige en dus niet bevoegd om hierover te oordelen. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de werkgever, die daarnaast mogelijk een eigen belang bij het gedeeltelijk ontslag van de man had. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het uren-/inkomensverlies zelfgekozen en voor herstel vatbaar is.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank rekenen met het oude inkomen van de man bij een 37,5-urige werkweek.

Tussen partijen is daarnaast in geschil of uitgegaan moet worden van de werkelijke woonlasten van de man. De man stelt zich namelijk op het standpunt dat zijn werkelijke woonlasten van € 1.310,- per maand hoger zijn dan het woonbudget en dat gelet hierop uitgegaan moet worden van zijn werkelijke woonlasten. De vrouw betwist niet dat de man hogere woonlasten heeft, maar betwist wel dat uitgegaan moet worden van deze hogere woonlast. De man heeft zelf gekozen voor een woning met een hoge huurprijs. Daarnaast hebben partijen allebei circa € 100.000,- ontvangen aan overwaarde uit de woning. De man kan hier volgens de vrouw op interen.

De rechtbank zal uitgaan van het woonbudget en dus niet van de werkelijke, hogere, woonlasten van de man. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de hogere woonlasten van de man niet duurzaam zijn. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij op zoek is naar een andere woning met lagere woonlasten. De man staat ingeschreven bij een woningbouwvereniging en reageert actief op woningen. De rechtbank weegt hier ook in mee dat in het geval zal worden uitgegaan van een hogere woonlast, de ouders niet volledig in de behoefte van de kinderen kunnen voorzien.

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 626,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. De man heeft zijn jaaropgaaf 2024 en loonstroken uit 2024 overgelegd waaruit zijn loon volgt op basis van een werkweek van 37,5 uur. Hieruit volgt dat de man een inkomen had van € 49.212,- per jaar. De rechtbank heeft berekend dat dit voor de man € 3.229,- netto per maand is.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [de kind 1] en [de kind 2] .

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven (het woonbudget). Dat komt hier neer op (30% van 3.229 =) € 969,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.365,- per maand.

Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (3.229 -/- 969 -/- 1.365 =) € 895,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 626,- per maand (€ 313,- per kind per maand).

De draagkracht van de vrouw

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 558,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen van de vrouw. Tussen partijen is in geschil van welke inkomensgegevens uitgegegaan moet worden. De man beroept zich op de overeenkomst in productie 8, waaruit volgt dat:

‘Voor de berekening van eventuele alimentatieverplichtingen en- betalingen is afgesproken dat uitsluitend de jaarcijfers van 2024 van de onderneming van [de moeder] zullen worden gebruikt. Daarnaast is overeengekomen dat een bedrag van € 175,- per maand aan contante betalingen wordt meegenomen in de berekeningen’.

De man stelt zich op het standpunt dat van deze inkomensgegevens uitgegaan moet worden in de draagkrachtberekening van de vrouw. De vrouw betwist het standpunt van de man.

De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt en overweegt hierover als volgt. Partijen hebben geen kinderalimentatie vastgesteld in de overeenkomst, maar hebben wel afspraken gemaakt over met welk inkomen van de vrouw gerekend moet worden in het geval er nog kinderalimentatie wordt vastgesteld. Hoewel het dus niet direct gaat over een wijziging van de kinderalimentatie, sluit de rechtbank wel aan bij de jurisprudentie hierover en dus over het afwijken van de wettelijke maatstaven ten nadele of ten gunste van de kinderen. Uit de in de voetnoot genoemde uitspraken volgt dat partijen de vrijheid hebben om afspraken te maken over de kinderalimentatie, maar dat deze vrijheid wel wordt begrensd. In die zin dat bij het maken van de afspraken niet ten nadele van de kinderen mag worden afgeweken, ook niet als deze afspraken bewust zijn gemaakt. De rechtbank is dan niet gebonden aan dat wat partijen hebben afgesproken over de kinderalimentatie. Hieruit volgt ook dat wel in het voordeel van de kinderen mag worden afgeweken van de wettelijke maatstaven als partijen dit bewust hebben afgesproken. In dat geval moet de rechtbank dus uitgaan van dat wat partijen hebben afgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om een afwijking in het voordeel van de kinderen. In de overeenkomst wordt namelijk niet, zoals gebruikelijk, uitgegaan van een gemiddelde winst over de periode van drie jaren. Uitgaande van de jaarcijfers van de vrouw 2022 tot en met 2024, zou dat leiden tot een gemiddelde winst van € 23.114,-. Door uit te gaan van alleen de jaarcijfers van 2024 met de daarbij behorende winst van € 31.122,- en contante betalingen van € 175,- per maand, wordt ten voordele van de kinderen afgeweken. Het zou namelijk leiden tot een hogere draagkracht van de vrouw. De man heeft niet gesteld dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Het is de rechtbank niet duidelijk met welke achterliggende gedachte deze afspraak tot stand is gekomen. De rechtbank kan daarnaast uit de overeenkomst niet zonder meer opmaken dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dit betekent dat de rechtbank niet zal uitgaan van dat wat partijen hebben afgesproken in de overeenkomst en zal uitgaan van de hieronder genoemde inkomensgegevens van de vrouw volgens de (invulling van) de wettelijke maatstaven.

Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 28.187,- per jaar. Ter onderbouwing hiervan heeft de vrouw het fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting overlegd met betrekking tot 2023 ( € 21.629,-) en 2024 (€ 31.122,-). Voor de winst van 2025 is de vrouw uitgegaan van de winst- en verliesrekening waaruit een resultaat volgt van afgerond € 31.809,-. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank van deze winst zal uitgaan. De rechtbank heeft berekend dat dit voor de vrouw € 3.089,- netto per maand is.

Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [de kind 1] en [de kind 2] .

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 3.089 =) € 927,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.365,- per maand.

Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (3089 -/- 927 -/- 1.365 =) € 797,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 558,- per maand.

De verdeling van de kosten

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

Zo’n vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen net niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [de kind 1] en [de kind 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.184,- per maand, terwijl de kosten van [de kind 1] en [de kind 2] € 1.286,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 102,- per maand tekort.

Zorgkorting

Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.

[de kind 2] verblijft op dit moment een weekend per veertien dagen bij de man.

Volgens de Expertgroep Alimentatie past daarbij een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 161,- per maand. [de kind 1] verblijft op dit moment niet bij de man. De ouders zetten zich allebei in voor [de kind 1] om tot contactherstel te komen. De rechtbank is van oordeel dat ter stimulatie van het contact een zorgkorting moet worden toegepast van 5%, dus € 32,- per maand.

Maar omdat er hier een klein tekort aan draagkracht is, zou het niet eerlijk zijn als de man deze korting volledig mag toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 51,- per maand en € 26,- per kind per maand. Voor [de kind 2] betekent dit dat de man € 136,- in mindering mag brengen op zijn draagkracht en dus afgerond € 178,- per maand moet betalen aan kinderalimentatie (313 -/- 136). Voor [de kind 1] betekent dit dat de man € 7,- in mindering mag brengen op zijn draagkracht en dus afgerond € 307,- per maand moet betalen aan kinderalimentatie (313 -/- 7).

De alimentatie moet vooruit worden betaald

De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

De voorlopige voorziening

Nu de rechtbank een beslissing zal nemen over de kinderalimentatie in de bodemprocedure, heeft de vrouw geen belang meer bij een beslissing in de voorlopige voorziening. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.

6. De beslissing

De rechtbank:

In de bodemprocedure c/08/ 311521 / ES RK 25-2339

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum] 2006 in [plaats] ;

bepaalt dat [de kind 1] en [de kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;

bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking:

een bedrag van € 307,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de kind 1];

een bedrag van € 178,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de kind 2];

bepaalt dat de man deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;

houdt de beslissing met betrekking tot de zorgregeling aan en verzoekt de raad om uiterlijk op 8 mei 2026 een briefrapport op te sturen naar de rechtbank;

verzoekt de advocaten om uiterlijk op binnen twee weken te reageren op het briefrapport, de gevolgen voor de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en het verdere verloop van de procedure;

In de voorlopige voorziening C/08/343387 / ES RK 26-24

wijst het verzoek van de vrouw af.

Dit is de beslissing van (kinder)rechter mr. A.M. Koene, tot stand gekomen in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de raad voor de kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. K.J. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?