RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11828757 \ CV EXPL 25-1351
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
DRECHTSTEDEN ADVOCATEN B.V.,
te Sliedrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Drechtsteden Advocaten,
gemachtigde: mr. M.G.G. de Bruin,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1. De zaak in het kort
Drechtsteden Advocaten heeft met [gedaagde] als consument een overeenkomst gesloten voor het verrichten van juridische werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde]. [gedaagde] heeft grotendeels nagelaten om hiervoor te betalen. Drechtsteden Advocaten vordert dat [gedaagde] de door haar gestuurde facturen betaalt samen met de rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] is niet verschenen, zodat de kantonrechter tegen hem verstek heeft verleend. In dat geval wijst zij de vordering van Drechtsteden Advocaten toe, tenzij deze haar onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De kantonrechter oordeelt dat Drechtsteden Advocaten niet heeft gesteld en onderbouwd op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende essentiële (pre)contractuele informatieplichten. Zij heeft daarnaast niet gesteld en onderbouwd of de (verdere) werkzaamheden door haar zijn voortgezet op basis van een prijsafspraak of een uurtarief. De kantonrechter zal Drechtsteden Advocaten in de gelegenheid stellen zich hierover met stukken onderbouwd uit te laten. Als de werkzaamheden zijn voortgezet op basis van een uurtarief, zal Drechtsteden Advocaten daarnaast in de gelegenheid worden gesteld om de stukken te overleggen waaruit volgt dat zij aan [gedaagde] die informatie heeft gegeven zodat [gedaagde] in staat is gesteld om de totale kosten in te schatten die voor hem uit deze overeenkomst voortvloeien.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 juli 2025 met producties;
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. Het geschil
Drechtsteden Advocaten vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van € 15.145,64 aan hoofdsom, te vermeerderen met primair de contractuele rente en subsidiair de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf de vervaldatum van de facturen, althans vanaf 5 juni 2025 dan wel vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling. Drechtsteden Advocaturen vordert verder dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 926,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling. Drechtsteden Advocaten vordert tot slot dat [gedaagde] de kosten van deze procedure betaalt.
Drechtsteden Advocaten legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Zij stelt dat ze in opdracht van [gedaagde] juridische werkzaamheden heeft verricht in een geschil tussen [gedaagde] en zijn ex-echtgenote. De tussen partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de opdrachtbevestiging die Drechtsteden Advocaten samen met de Algemene Voorwaarden aan [gedaagde] heeft verstrekt. Drechtsteden Advocaten heeft voor de door haar verrichte werkzaamheden aan [gedaagde] facturen gestuurd van in totaal € 15.571,90 inclusief btw. [gedaagde] heeft een bedrag van € 426,26 betaald, zodat er nog een bedrag van € 15.145,64 inclusief btw openstaat. Drechtsteden Advocaten stelt dat zij op 21 mei 2025 aan [gedaagde] een ingebrekestelling heeft gestuurd en [gedaagde] een termijn van veertien dagen heeft gegeven om de openstaande facturen te betalen, waarbij zij tevens de rente en de buitengerechtelijke incassokosten heeft aangezegd.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van Drechtsteden Advocaten.
4. De beoordeling
Tegen [gedaagde] is verstek verleend, omdat hij niet is verschenen in de procedure. In dat geval wijst de rechter een tegen de gedaagde ingestelde vordering toe, tenzij de vordering hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). De door Drechtsteden Advocaten ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn door [gedaagde] niet weersproken.
Ambtshalve toetsing
In deze zaak gaat het over de betaling van facturen door [gedaagde] als consument. Drechtsteden Advocaten stelt dat zij met [gedaagde] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten voor het verrichten van juridische werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde].
i. informatieplichten
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 november 2021 overwogen dat (1) de rechter in zaken met consumenten ambtshalve moet onderzoeken of aan bepaalde essentiële informatieplichten is voldaan en (2) dat de rechter een sanctie moet toepassen als sprake is van een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten.
Drechtsteden Advocaten heeft niet toegelicht op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen. Ook heeft Drechtsteden Advocaten niet gesteld dat zij aan de (pre)contractuele informatieplichten heeft voldaan. Dit zal zij in het vervolg in de dagvaarding moeten stellen en onderbouwen. De kantonrechter zal Drechtsteden Advocaten in de gelegenheid stellen om zich hierover onderbouwd uit te laten. De kantonrechter verwijst Drechtsteden Advocaten naar de landelijke Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten.
ii. (on)eerlijke bedingen
de algemene voorwaarden
De kantonrechter moet daarnaast ambtshalve toetsen of de bedingen die in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden staan en waarover partijen niet hebben onderhandeld, niet oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen.
De kantonrechter moet allereerst artikel 6 van de Algemene Voorwaarden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen toetsen. In dit artikel is een rente- en incassobeding opgenomen, waarin staat:
‘[…] 6. Wanneer de cliënt/consument, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, de declaraties niet tijdig betaalt, is die cliënt vanaf de vervaldatum, althans vanaf het moment dat het verzuim is ingetreden, de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd. De rente over het opeisbare bedrag wordt berekend vanaf het moment dat de cliënt in verzuim is tot het moment van voldoening van het volledige bedrag. Daarnaast is Drechtsteden Advocaten gerechtigd buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen volgens de geldende staffel Buitengerechtelijke incassokosten (BIK). […]’
De kantonrechter stelt vast dat artikel 6 van de Algemene Voorwaarden een oneerlijk incassobeding bevat. Het beding wekt namelijk de suggestie dat de consument de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is bij het niet tijdig betalen van de declaraties, terwijl de wettelijke regeling bepaalt dat een vruchteloze aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW moet zijn verstuurd voordat de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd worden. Daarmee wijkt het incassobeding ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (meer specifiek artikel 6:96 lid 6 BW) die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van Richtlijn oneerlijke bedingen. Drechtsteden Advocaten kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. De kantonrechter wijst de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten daarom af.
De kantonrechter heeft het rentebeding ook getoetst. Zij heeft dat niet oneerlijk bevonden, zodat de kantonrechter dit beding om die reden in stand laat.
het kostenbeding
De kantonrechter moet daarnaast het kostenbeding (het beding waarin Drechtsteden Advocaten de kosten voor haar diensten heeft vermeld) ambtshalve toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. In dit geval vordert Drechtsteden Advocaten dat [gedaagde] een bedrag van € 15.145,64 inclusief btw betaalt op grond van nakoming van de betalingsverplichting die voor [gedaagde] uit de overeenkomst van opdracht voortvloeit.
Het kostenbeding is een kernbeding. Kernbedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen als deze niet transparant zijn. Het transparantievereiste moet ruim worden opgevat: het kostenbeding moet niet alleen formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, maar ook op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria uiteenzetten op welke wijze de kosten voor de te verrichten dienstverlening worden vastgesteld. Het gaat erom dat de consument vóór het sluiten van de overeenkomst in staat wordt gesteld om de financiële consequenties in te schatten die voor hem uit dat beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor deze diensten zal moeten betalen. Bij die beoordeling neemt de kantonrechter alle relevante feitelijke gegevens in aanmerking rond de sluiting van de overeenkomst.
In zijn arrest van 12 januari 2023 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie – onder meer – overwogen dat een kostenbeding op basis van een uurtarief zonder verdere precisering niet transparant is, omdat de consument in dat geval niet in staat wordt gesteld om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien. Het is voor een advocaat moeilijk of zelfs onmogelijk om op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, het aantal uren te voorspellen dat nodig zal zijn om deze diensten te verlenen, en dus ook de totale daadwerkelijke kosten daarvan. Maar dat neemt niet weg dat een advocaat aan de consument vóórdat de overeenkomst wordt gesloten die informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen, met volledige kennis van enerzijds de mogelijkheid dat dergelijke gebeurtenissen zich voordoen en anderzijds de gevolgen die deze kunnen hebben voor de duur van de betreffende juridische diensten. Een advocaat is daartoe immers tuchtrechtelijk ook gehouden. Deze informatie, die kan variëren naargelang zowel het voorwerp en de aard van de juridische diensten waarin de overeenkomst voorziet als de toepasselijke beroeps- en gedragsregels, moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Daarbij kan worden gedacht aan een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld.
Drechtsteden Advocaten heeft op 19 oktober 2023 aan [gedaagde] een opdrachtbevestiging gestuurd, waarin staat:
‘[…] Ik stel daarom voor dat ik voorlopig maximaal 5 uur aan deze zaak besteed, waarbij het hiervoor genoemde uurtarief wordt gehanteerd. Binnen deze tijd kan ik mij een beeld vormen over het te verwachten verdere verloop van deze zaak. Op basis daarvan kan ik vervolgens bekijken of voor het vervolgtraject met jou een prijsafspraak kan worden gemaakt of dat de behandeling op uurbasis wordt voortgezet. […]’
Drechtsteden Advocaten heeft vervolgens aan [gedaagde] maandelijks facturen gestuurd voor de werkzaamheden die zij in de periode van februari 2024 tot en met februari 2025 heeft verricht. Drechtsteden Advocaten heeft een elftal facturen overgelegd die [gedaagde] volgens haar grotendeels onbetaald heeft gelaten, maar zij heeft niet gesteld en onderbouwd of de (verdere) werkzaamheden op basis van een prijsafspraak of een uurtarief zijn voortgezet. Dit blijkt ook niet uit de stukken. De kantonrechter zal Drechtsteden Advocaten in de gelegenheid stellen zich hierover met stukken onderbouwd uit te laten. Als de werkzaamheden zijn voortgezet op basis van een uurtarief, zal Drechtsteden Advocaten daarnaast in de gelegenheid worden gesteld om de stukken te overleggen waaruit volgt dat het te verwachten verdere verloop van de zaak met [gedaagde] is besproken en [gedaagde] dus in staat is gesteld om de totale kosten in te schatten die voor hem uit deze overeenkomst voortvloeien.
Indien Drechtsteden Advocaten aan deze opdracht niet of niet volledig voldoet, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Rv de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 10 maart 2026 voor het nemen van een akte door Drechtsteden Advocaten over wat is vermeld onder 4.4 en 4.11;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.