RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11997548 \ CV EXPL 25-3569
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] verhuurt met ingang van 25 november 2021 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 1.278,22 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere keren aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
3. Het geschil
[eiser] vordert in de dagvaarding – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 17.044,07 aan huurachterstand t/m november 2025, buitengerechtelijke kosten en rente.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eiser] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[gedaagde] erkent de huurachterstand, maar wil graag in de woning blijven wonen. [gedaagde] voert aan dat hij vanwege zijn persoonlijke en financiële omstandigheden niet in staat is geweest de achterstallige huurbedragen te voldoen. Als het mogelijk is wil hij graag in de woning blijven. Per januari 2026 is [gedaagde] weer in loondienst bij een bedrijf in Deventer en zou hij weer betalingen kunnen doen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden.
In artikel 25.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van de wet en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit) en dat mag niet. Consumenten zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid moet hebben gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten.
Het beding verwijst weliswaar naar de wettelijke bepalingen, maar dat neemt niet weg dat de gedaagde partij op grond van dat beding in principe verplicht is om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door de eisende partij gemaakte kosten te voldoen onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. Het beding heeft dus een aanzienlijk bredere strekking dan wat aan de consumenten op grond van de wet in rekening mag worden gebracht, tenminste de bewoording van het beding maakt onvoldoende duidelijk dat niet wordt afgeweken van dwingendrechtelijke consumentenbeschermende bepalingen. Het beding is daarmee onredelijk bezwarend en wordt vernietigd. Omdat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten volledig moeten worden afgewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gesteld dat de huurachterstand tot en met februari 2026 is opgelopen tot € 20.650,00. [gedaagde] heeft deze huurachterstand tot en met februari 2026 erkend. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
De omvang van de huurachterstand is zodanig dat ook de vordering tot ontbinding en ontruiming toewijsbaar is.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling, onder verband van vonnis, een betalingsregeling getroffen. Partijen zijn het eens over het volgende:
De huurachterstand tot en met februari 2026 bedraagt € 20.650,00;
[gedaagde] betaalt m.i.v. februari 2026 € 750,00 per maand aan aflossing;
[gedaagde] betaalt voor 1 maart 2026 de huur (€ 1.278,22) voor de maand maart 2026;
[gedaagde] ontruimt het gehuurde en levert de sleutels in op 31 maart 2026 om 16:00 uur in het gehuurde aan [eiser] of zijn makelaar;
Indien [gedaagde] zich aan de gemaakte afspraken houdt, dan neemt [eiser] de proceskosten voor eigen rekening.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij (voorwaardelijk) in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
dagvaarding € 144,47
griffierecht € 732,00
salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x tarief € 432,00)
nasalaris € 144,00
totaal € 1.884,47
5. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk 31 maart 2026 (16:00 uur) het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser],
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser]:
- € 20.650,00 aan achterstallige huur tot en met februari 2026,
- € 1.278,22 zijnde huur voor de maand maart 2026,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten begroot op € 1.884,47, indien aan één
van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
[gedaagde] betaalt niet of niet tijdig de maandelijkse termijnen van € 750,00, met ingang van februari 2026 totdat de hiervoor onder (5.3. genoemde) huurachterstand volledig is betaald;
[gedaagde] betaalt niet of niet tijdig de huur voor de maand maart 2026;
[gedaagde] ontruimt de woning niet voor 31 maart 2026 (16:00 uur) en/of levert de sleutels niet tijdig in;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.