RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/338963 / HA ZA 25-327
Vonnis in incident van 14 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij A] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. S. Oedayrajsingh Varma,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij B] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.G. Oolderink-Olthof.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [partij A] (d.d. 15 september 2025), met 9 producties;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid (d.d. 12 november 2025), met producties 11 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord in het incident van [partij A] (d.d. 10 december 2025).
Aansluitend is vonnis bepaald in het incident.
2. Feiten
Op 5 oktober 2021 heeft [partij B] een offerte gestuurd aan [partij A] (hierna: ‘de offerte’). De offerte heeft betrekking op de fabricage en aflevering van kozijnen, door [partij B] in opdracht van [partij A]. In de offerte staat onder meer het volgende:
“Voor deze vrijblijvende offerte gelden onze algemene voorwaarden.”
Onderaan op de laatste bladzijde van de offerte staat – in kleiner lettertype – het volgende:
“Op al onze aanbiedingen, contracten en leveringen zijn van toepassing de Algemene Verkoopvoorwaarden voor de Timmerfabrieken in Nederland, zoals deze voorwaarden, die door de Nederlandse Bond van Timmerfabrieken ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam zijn gedeponeerd, op de datum van aanbieding of aanvaarding der opdracht luiden. Een exemplaar wordt u op aanvraag toegezonden.”
De offerte is door [partij A] mondeling geaccepteerd op 27 oktober 2021.
Bij e-mail van 1 november 2021 heeft [partij B] de aanvaarding van de offerte door [partij A] schriftelijk bevestigd. [partij B] schrijft onder meer het volgende:
“Bedankt voor de opdracht. In de bijlage vind je de algemene voorwaarden en het kozijnblad welke wij gebruiken voor productie.”
Artikel 9.2 van een document met als titel “Algemene Verkoopvoorwaarden” (hierna: ‘algemene voorwaarden’), die als bijlage aan de e-mail van 1 november 2021 zijn gehecht, staat het volgende:
“Geschillen die ontstaan naar aanleiding van deze voorwaarden of de overeenkomst waar deze op van toepassing zijn of overeenkomsten die daaruit voortvloeien zullen, bij uitsluiting van de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in het arbitragereglement van de Raad van Arbitage voor de Bouw, zoals deze drie maanden voor de dag van het tot stand komen van de overeenkomst luiden.”
3. Het geschil
[partij A] vordert in de hoofdzaak – verkort weergegeven – een veroordeling van [partij B] tot betaling van € 29.528,16, ten titel van nakoming van ongedaanmakingsverbintenissen (na een ontbinding) en aanvullende schadevergoeding.
[partij A] legt aan haar vordering in de hoofdzaak het standpunt ten grondslag dat [partij B] ten opzichte van haar is tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen die voor haar voortvloeien uit een tussen hen gesloten overeenkomst. De stelling van [partij A] is dat [partij B] haar ondeugdelijke kozijnen heeft geleverd.
[partij B] heeft – vóór alle weren in de hoofdzaak – een incident opgeworpen. [partij B] betoogt in het incident dat de rechter zich onbevoegd moet verklaren op grond van artikel 1022 Rv, omdat tussen partijen een overeenkomst tot arbitrage is gesloten. [partij B] verwijst daarbij naar artikel 9.2 algemene voorwaarden.
[partij A] voert verweer in het incident. [partij A] neemt het standpunt in dat artikel 9.2 algemene voorwaarden niet van toepassing is op de tussen haar en [partij B] tot stand gekomen overeenkomst. De conclusie van [partij A] is dat de rechter in deze zaak wel bevoegd is en dat de incidentele vordering van [partij B] daarom moet worden afgewezen.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst en vooraf op het incident te beslissen, omdat in het incident de bevoegdheid van de rechter ter discussie wordt gesteld.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
Cruciaal bij de beoordeling is of partijen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden zijn overeengekomen. Bij de beantwoording van die vraag gelden de maatstaven die ook in het algemeen gelden voor het tot stand komen van een overeenkomst, zoals neergelegd in de artikelen 3:33 BW en 3:35 BW.
Waar het om gaat in deze zaak is of [partij B] er, onder de gegeven omstandigheden, op basis van verklaringen en/of gedragingen van [partij A], gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [partij A] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De rechtbank stelt vast dat in de offerte twee keer wordt verwezen naar algemene voorwaarden die van toepassing zouden zijn. De rechtbank is het met [partij A] eens dat de verwijzing naar “onze algemene voorwaarden” in het lichaam van de offerte onvoldoende duidelijk is, maar daar staat tegenover dat onderaan op de slotbladzijde van de offerte door [partij B] wel concrete algemene voorwaarden worden genoemd, te weten die van de Nederlandse Bond van Timmerfabrieken.
De offerte van [partij B] is op 27 oktober 2021 door [partij A] aanvaard. Door [partij A] is niet gesteld dat zij bij die aanvaarding richting [partij B] heeft aangegeven dat zij niet gebonden wilde zijn aan de algemene voorwaarden waarnaar op de slotbladzijde van de offerte door [partij B] was verwezen. Ook anderszins is dit niet gebleken.
Daarbij komt dat door [partij B] onbetwist is aangevoerd dat zij als bijlage bij de e-mail van 1 november 2021 de (in haar ogen) van toepassing zijnde algemene voorwaarden naar [partij A] heeft gestuurd, waarbij in diezelfde e-mail ook uitdrukkelijk is aangegeven dat de als bijlage meegestuurde algemene voorwaarden van toepassing waren op de tussen hen gesloten overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat [partij A] vervolgens naar aanleiding hiervan in contact is getreden met [partij B] met de mededeling dat zij niet akkoord was met de toepasselijkheid en/of inhoud van de toegestuurde algemene voorwaarden.
Gelet op de hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.5 van dit vonnis, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [partij B] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [partij A] akkoord was met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Artikel 9.2 maakt daarom onderdeel uit van de contractsinhoud tussen partijen.
[partij A] heeft nog het standpunt ingenomen dat zij niet gebonden is aan artikel 9.2 algemene voorwaarden, omdat zij vóór of tijdens het door haar gegeven akkoord op de offerte geen kennis heeft kunnen nemen van die algemene voorwaarden. Dit standpunt wordt door de rechtbank verworpen. Zelfs als het standpunt van [partij A] juist zou zijn, stuit dit af op artikel 6:232 BW, waaruit volgt dat kennis (bij de wederpartij) van de inhoud van algemene voorwaarden niet van belang is bij de beantwoording van de vraag of algemene voorwaarden in een concreet geval van toepassing zijn.
[partij A] heeft ook nog aangevoerd dat [partij B] niet aan de terhandstellingsverplichting van de algemene voorwaarden heeft voldaan. Ook dat standpunt van [partij A] is onjuist. De discussie over terhandstelling van algemene voorwaarden speelt een rol in het geval dat de wederpartij de vernietiging inroept van een beding in algemene voorwaarden (artikel 6:233 BW), maar niet in het geval de wederpartij betwist dat algemene voorwaarden van toepassing zijn. Dat zijn twee te onderscheiden zaken. In deze procedure heeft [partij A] alleen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden ter discussie gesteld, en niet (ook) de vernietiging van een beding uit de algemene voorwaarden ingeroepen.
De conclusie is dat, naar het oordeel van de rechtbank, door [partij A] een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat deze overeenkomst tot arbitrage ongeldig is. Gelet daarop verklaart de rechtbank zich – in de hoofdzaak – onbevoegd om van dit geschil kennis te nemen (artikel 1022 Rv). De incidentele vordering wordt toegewezen en de hoofdzaak eindigt daardoor.
Proceskosten
[partij A] is in het incident in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident veroordeeld. De proceskosten van [partij B] in het incident worden begroot op € 614,00 (1 punt × tarief II). De nakosten worden alleen in de hoofdzaak toegewezen, gelet op het feit dat zowel beslissing in het incident als in de hoofdzaak zijn opgenomen in dit vonnis.
Door de toewijzing van de incidentele vordering van [partij B] eindigt ook de hoofdzaak. Omdat [partij A] de zaak aanhangig heeft gemaakt bij een niet bevoegde rechter, wordt [partij A] in de proceskosten (inclusief nakosten) in de hoofdzaak veroordeeld. De proceskosten van [partij B] in de hoofdzaak worden begroot op:
- griffierecht € 2.995,00
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 3.173,00
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde toe,
veroordeelt [partij A] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij B] begroot op € 614,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
in de hoofdzaak
verklaart zich onbevoegd om van deze zaak kennis te nemen.
veroordeelt [partij A] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten in de hoofdzaak, aan de zijde van [partij B] begroot op € 3.173,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, verhoogd met € 92,00 in geval van betekening, waarbij geldt dat de betekeningskosten slechts verschuldigd zijn indien [partij A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over genoemde bedragen met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.