ECLI:NL:RBOVE:2026:119

ECLI:NL:RBOVE:2026:119, Rechtbank Overijssel, 14-01-2026, C/08/332261 / HA ZA 25-134

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer C/08/332261 / HA ZA 25-134
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

In de kern gaat dit geschil over de vraag of gedaagde 1 en/of gedaagde 2 onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van eiser. Eiser en gedaagde 1 waren (via een STAK) certificaathouders van het bedrijf, daarnaast was gedaagde 1 enig bestuurder van het bedrijf en gedaagde 2 was werknemer van het bedrijf. Volgens eiser hebben gedaagde 1 en gedaagde 2 het bedrijf failliet laten gaan, om concurrerende werkzaamheden te kunnen uitvoeren in een nieuw opgerichte onderneming. Daardoor heeft eiser schade geleden, die hij vergoed wil zien. Ook hebben gedaagde 1 en gedaagde 2 volgens eiser boetes verbeurd wegens overtreding van de aandeelhoudersovereenkomst. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser zijn verwijten aan het adres van gedaagde 1 en gedaagde 2 onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zijn vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/332261 / HA ZA 25-134

Vonnis van 14 januari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. M. Koelemeijer,

tegen

1. [gedaagde 1],

te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2],

te [woonplaats 3],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],

advocaat: mr. J.F. Schulte.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 29 producties- de conclusie van antwoord met 3 producties- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- het bericht van 25 november 2025 met productie 4 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]- het bericht van 26 november 2025 met productie 5 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]- het bericht van 27 november 2025 met productie 30 t/m 35 van [eiser]- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bezwaar gemaakt tegen de akte houdende producties 30 t/m 35 van [eiser] wegens strijd met de goede procesorde. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaat het om onrechtmatig verkregen stukken die daarnaast al maanden in het bezit van [eiser] zijn.

Het bezwaar wordt verworpen, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de akte houdende producties niet in hun procesbelang zijn geschaad. Het gaat om stukken die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al bekend waren en zij hebben voldoende gelegenheid gehad om daarop ter zitting te reageren. Het enkele feit dat het mogelijk gaat om onrechtmatig verkregen bewijs, maakt dit niet anders.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Samenvatting

In de kern gaat dit geschil over de vraag of [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [eiser]. [eiser] en [gedaagde 1] waren (via een STAK) certificaathouders van [bedrijf 1], daarnaast was [gedaagde 1] enig bestuurder van

[bedrijf 1] en [gedaagde 2] was werknemer van [bedrijf 1]. Volgens [eiser] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [bedrijf 1] failliet laten gaan, om concurrerende werkzaamheden te kunnen uitvoeren in een nieuw opgerichte onderneming. Daardoor heeft [eiser] schade geleden, die hij vergoed wil zien. Ook hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgens [eiser] boetes verbeurd wegens overtreding van de aandeelhoudersovereenkomst. De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] zijn verwijten aan het adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zijn vorderingen worden afgewezen. Die beslissing is gegrond op de volgende feiten en beoordeling.

3. De feiten

[bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]) was een producent en handelaar op het gebied van belettering van diverse objecten. Alle aandelen in [bedrijf 1] worden sinds 2019 gehouden door de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 1] (hierna: STAK). [eiser] is bestuurder en 47,5% certificaathouder van de STAK. [gedaagde 1] is bestuurder en 52,5% certificaathouder van de STAK. Daarnaast was [gedaagde 1] bestuurder van [bedrijf 1]. [gedaagde 2] was tot december 2024 werknemer van [bedrijf 1].

[eiser] was eigenaar en sinds 2006 verhuurder van het pand waarin [bedrijf 1] was gevestigd. Vóór 2021 was een huurachterstand ontstaan, waarover een aflossingsafspraak was gemaakt.

In 2021 ontstond een geschil tussen [eiser] en [gedaagde 1]. Er zijn diverse pogingen gedaan tot bemiddeling, die niet hebben geleid tot een duurzame oplossing.

[bedrijf 1] is op 12 maart 2025 in staat van faillissement verklaard met de aanstelling van mr. Luttikhuis als curator.

Op 9 juni 2023 werd [bedrijf 2] B.V. (met KvK nummer [nummer 1], hierna: [bedrijf 2]) opgericht met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als (indirect) bestuurders. Daarnaast werd op 20 maart 2025 [bedrijf 2] B.V. (met KvK nummer [nummer 2], hierna: [bedrijf 2]) opgericht met [gedaagde 2] als bestuurder.

4. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld (al dan niet als groep in de zin van art. 6:166 BW) jegens [eiser] en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade. Daarnaast vordert [eiser] de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 82.412,82, vermeerderd met rente en een veroordeling tot betaling van schade, nader op te maken bij staat. Ten slotte vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, waaronder € 1.701,73 aan beslagkosten, vermeerderd met rente.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] (kort gezegd) ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opzettelijk het faillissement van [bedrijf 1] hebben veroorzaakt en onwil hebben gehad om de vorderingen van [eiser] op [bedrijf 1] te voldoen. Ook is onrechtmatig geconcurreerd. [eiser] stelt als gevolg daarvan schade te hebben geleden ter hoogte van de onbetaalde vorderingen en het waardeloos worden van zijn certificaten in (indirect) [bedrijf 1]. Verder zijn bepalingen uit de aandeelhouders- en certificaathoudersovereenkomst (hierna: aandeelhoudersovereenkomst) overtreden, waardoor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] boetes zijn verbeurd geraakt.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij de aandeelhoudersovereenkomst hebben overtreden. Volgens hen is het faillissement van [bedrijf 1] veroorzaakt door de kosten van zieke werknemers en een door het geschil tussen partijen ontstane impasse. De vorderingen van [eiser] zijn niet betaald vanwege betalingsonmacht.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling van de vorderingen, nader ingegaan.

5. De beoordeling

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld op grond van de artikelen 2:9 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:162 BW. Volgens [eiser] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld door:

betalingsonwil te veroorzaken bij [bedrijf 1];

crediteuren van [bedrijf 1] selectief te betalen;

[bedrijf 1] onrechtmatig te beconcurreren;

het faillissement van [bedrijf 1] te bewerkstelligen.

De rechtbank overweegt dat de vordering, voor zover deze is gegrond op artikel 2:9 BW, wordt afgewezen. Artikel 2:9 BW betreft de zogenaamde interne bestuurdersaansprakelijkheid van de bestuurder ten opzichte van de rechtspersoon.

[eiser] treedt niet op namens [bedrijf 1] maar in hoedanigheid van certificaathouder en schuldeiser, zodat deze grondslag niet van toepassing is. Daarnaast was [gedaagde 2] geen bestuurder. [eiser] heeft deze grondslag ook niet verder uitgewerkt in zijn dagvaarding. De rechtbank zal de vordering hierna toetsen aan de andere aangevoerde grondslag van artikel 6:162 BW.

Volgens vaste rechtspraak is in beginsel alleen de vennootschap aansprakelijk voor schade die ontstaat wanneer zij niet aan haar verplichtingen voldoet. Een bestuurder kan, onder bijzondere omstandigheden, naast de vennootschap aansprakelijk zijn. In dat geval moet de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt van de schade die wordt geleden door de schuldeiser van de vennootschap. In de rechtspraak zijn verschillende situaties uitgewerkt waarin een bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden. Hiervoor geldt een hoge drempel.

Verwijt a. betalingsonwil

[bedrijf 1] had tot en met december 2024 een huurachterstand van € 32.931,72. Deze huurachterstand is (grotendeels) ontstaan voor 2016. Voor de achterstand werd in 2021 een betalingsregeling getroffen waarbij [bedrijf 1] maandelijks € 1.000,- afloste aan [eiser]. Daarnaast huurde [bedrijf 1] het pand van [eiser], waarvoor een maandelijkse huur moest worden betaald van € 2.135,65 (incl. btw). [bedrijf 1] heeft de huur vanaf de tweede helft van december 2024 tot aan datum faillissement (12 maart 2025) niet betaald.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] heeft bewerkstelligd dat [bedrijf 1] haar betalingsverplichtingen voor de huur en de huurachterstand niet meer nakwam en verwijst naar jurisprudentie. [eiser] wijst er op dat [bedrijf 1] ten tijde van de weigering om te betalen nog beschikbare kredietruimte had en dat bedrijfseconomische redenen om de huur(achterstand) niet te betalen, ontbraken. Er werd niet betaald met het oogmerk [eiser] te benadelen. Ten aanzien van de betalingsonwil stelt [eiser] dat de rechtbank hierbij de bewijslast moet omkeren dan wel dat [gedaagde 1] ‘een verzwaarde motiveringsplicht dan wel twistplicht’ zou moeten dragen. [gedaagde 1] moet aannemelijk maken dat [bedrijf 1] niet kon betalen, omdat hij als bestuurder en mede-certificaathouder de beslissingsbevoegdheid en volledige zeggenschap had over [bedrijf 1].

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betwist dat er sprake is van (persoonlijk verwijtbare) betalingsonwil. Volgens hen was er sprake van betalingsonmacht. Vanaf mei 2024 werd de financiële situatie onhoudbaar en was er geen uitzicht op een oplossing mede door het tussen [eiser] en [gedaagde 1] ontstane geschil, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Er waren langdurig zieke werknemers, terwijl daarvoor geen verzekering was afgesloten. Eind november 2024 verliet ‘key werknemer’ [gedaagde 2] [bedrijf 1] en in januari 2025 sommeerde [eiser] [bedrijf 1] om een bedrag van ruim 36 duizend euro te voldoen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] benoemen dat [gedaagde 1] al geruime tijd wees op de slechte financiële situatie, en op 13 januari 2025 een liquiditeitsprognose van de accountant van [bedrijf 1] naar [eiser] stuurde, waaruit bleek dat [bedrijf 1] binnen één week niet meer aan haar financiële verplichtingen kon voldoen. Ter zitting hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betoogd dat het in deze omstandigheden verder gebruik maken van de kredietfaciliteit van [bedrijf 1] onverantwoord was en juist zou kunnen leiden tot aansprakelijkheid. [eiser] had toegang tot het boekhoudsysteem en tot medio 2024 ook tot de bank van [bedrijf 1]. Van een omkering van de bewijslast kan volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen sprake zijn.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] zo, dat hij betoogt dat sprake is geweest van een aan [gedaagde 1] als bestuurder van [bedrijf 1] te persoonlijk te verwijten onrechtmatige betalingsonwil. Volgens [eiser] moet [gedaagde 1] aannemelijk maken dat [bedrijf 1] niet kon betalen, omdat [gedaagde 1] als bestuurder en mede-certificaathouder de beslissingsbevoegdheid en volledige zeggenschap had over [bedrijf 1]. De rechtbank ziet geen aanleiding om van de bewijslastverdeling van artikel 150 Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) af te wijken, zoals [eiser] heeft voorgesteld. Uit artikel 150 Rv volgt dat een andere verdeling van de bewijslast kan voortvloeien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid of uit enige bijzondere regel. Volgens vaste rechtspraak kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden overgegaan tot omkering van de bewijslast op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechter moet hiervan terughoudend gebruik maken, het moet gaan om uitzonderlijke gevallen. [eiser] heeft, mede gelet op zijn eigen (informatie)positie ten opzichte van [bedrijf 1], onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijkende verdeling van de stelplicht en/of het bewijsrisico rechtvaardigen. Een van de hoofdregel afwijkende verdeling van de bewijslast vloeit in dit geval ook niet voort uit enige bijzondere regel in de zin van artikel 150 Rv. Dat betekent dat het aan [eiser] is om zijn verwijt dat er sprake was van betalingsonwil met voldoende feiten en omstandigheden te staven, nu hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Van een verzwaarde stelplicht (of informatieplicht) aan de zijde van [gedaagde 1] kan naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake zijn. Niet gesteld of gebleken is dat van [gedaagde 1] in de gegeven omstandigheden kan worden verlangd dat hij (meer) feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van de betwisting van de stellingen van [eiser] (op wie de bewijslast rust). [eiser] heeft bovendien niet gesteld dat het hier bij uitstek gaat om tot het domein van [gedaagde 1]/[bedrijf 1] behorende informatie waartoe hij zelf geen toegang had.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser], in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2], onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van een onrechtmatige betalingsonwil waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Ten aanzien van [gedaagde 2] heeft [eiser] niet gesteld of onderbouwd welke rol hij zou hebben gespeeld bij de verweten betalingsonwil en waarom hij hier als werknemer van [bedrijf 1] op de gestelde grondslag verantwoordelijk voor zou zijn. Ten aanzien van [gedaagde 1] oordeelt de rechtbank dat het niet (volledig) gebruiken van een kredietfaciliteit niet met zich brengt dat sprake is van betalingsonwil. Een krediet is geleend geld, dat niet toebehoort aan de onderneming. Dat kan niet blindelings worden benut, zeker niet in de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geschetste penibele financiële situatie waarin [bedrijf 1] zich eind 2024/begin 2025 bevond. Andere financiële feiten of omstandigheden zijn niet gesteld. Ter zitting stelde [eiser], onder verwijzing naar de door hem overgelegde productie 25, nog dat de omzet van [bedrijf 1] niet terugliep. De rechtbank kan die verwijzing niet volgen, nu productie 25 een mailwisseling tussen de advocaten van partijen is waarin geen omzetinformatie staat. De rechtbank wijst dit deel van de vordering af.

Verwijt b. selectieve betaling

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld doordat [gedaagde 1] in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1], kenbaar maakte aan de lessor van een door [bedrijf 1] geleasede machine, dat hij het volledige openstaande bedrag van € 16.500,- zou terugbetalen. Daardoor was voor [gedaagde 1] voorzienbaar dat [eiser] geen betaling van zijn vordering zou ontvangen en in zijn verhaal zou worden gefrustreerd. [gedaagde 1] had volgens [eiser] een persoonlijk belang bij deze betaling doordat hij deze machine wenste te gebruiken bij de geplande doorstart in een andere onderneming. Van dit handelen valt [gedaagde 1] als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt te maken, aldus [eiser].

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten onrechtmatige selectieve betalingen te hebben verricht. Zij voeren aan dat [gedaagde 1] als bestuurder alle crediteuren gelijk heeft behandeld, rekening houdend met de wettelijk erkende redenen van voorrang. [eiser] incasseerde zowel de leaseverplichtingen van [bedrijf 1] voor zijn eigen machine als voor die van de andere lessor. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat deze verplichtingen gelijk zijn behandeld. Volgens hen was het faillissement van [bedrijf 1] vanaf 15 mei 2025 ‘op den duur onafwendbaar’ en waren er op dat moment diverse (soorten) crediteuren. [gedaagde 1] zegt daarover dat hij ervoor koos de lopende verplichtingen te voldoen uit overlevingsbelang van [bedrijf 1] en dat hij geen andere keuze kon maken, omdat [eiser] niet zijn contractueel verplichte toestemming gaf voor het staken van [bedrijf 1].

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betwist een persoonlijk belang te hebben gehad bij de betaling van het leasebedrag.

De rechtbank overweegt dat ook ten aanzien van dit verwijt van selectieve betaling, niet is gesteld of gebleken welke rol [gedaagde 2] hierbij heeft gespeeld, zodat de vordering tegenover hem wordt afgewezen.

Bij [gedaagde 1] gaat het om de aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap tegenover een schuldeiser, omdat deze wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval kan er grond zijn voor aansprakelijkheid van de bestuurder naast de vennootschap, onder andere wanneer de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Daarvoor is vereist dat, mede gelet op de verplichting van de bestuurder tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Tegen deze achtergrond kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder aan de orde zijn in het geval hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap in ernstige financiële moeilijkheden een schuldeiser heeft betaald met voorrang boven andere schuldeisers.

Er bestaat echter geen algemene regel op grond waarvan een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij geen rekening houdt met eventuele preferenties. Het staat (een bestuurder van) een vennootschap dan ook in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. Aansprakelijkheid kan wel aan de orde zijn als sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals in geval van een betaling waarbij de bestuurder persoonlijk baat heeft.

Ter zitting werd desgevraagd toegelicht dat het niet alleen ging om een betalingstoezegging, maar dat het leasebedrag daadwerkelijk is terugbetaald aan de lessor. Wanneer dat bedrag is betaald en welke betalingsverplichting daarmee precies is voldaan, is door [eiser] niet gesteld. Evenmin heeft [eiser] gesteld vanaf welk tijdstip (peildatum) het faillissement van [bedrijf 1] volgens hem onafwendbaar was, zodat selectieve betalingen na dat moment mogelijk als onrechtmatig hebben te gelden. Hierdoor kan niet worden getoetst welke betalingen in die periode wél en niet zijn gedaan en hoe deze zich verhouden tot de betaling van het leasebedrag en de door [gedaagde 1] gegeven verklaring over de betalingen. Verder lag het op de weg van [eiser] om te stellen dat hij door het voldoen van het leasebedrag nadeel heeft geleden, bijvoorbeeld doordat een inbreuk is gemaakt op de betalingsvolgorde. Door het ontbreken van deze informatie, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig selectieve betalingen waarvan [gedaagde 1] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiser] heeft dat, gezien de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2], onvoldoende onderbouwd gesteld.

Verwijt c. onrechtmatige concurrentie

[eiser] verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij onrechtmatig hebben geconcurreerd met [bedrijf 1] door feitelijk de activiteiten van [bedrijf 1] over te hevelen naar

[bedrijf 2]. [gedaagde 1] bewerkstelligde dat opdrachten die eerder bij [bedrijf 1] kwamen, door [bedrijf 2] werden ontvangen, uitgevoerd en gefactureerd. [gedaagde 1] spande zich wel in voor [bedrijf 2], maar niet voor [bedrijf 1]. Zo was de website van [bedrijf 1] zwaar verouderd, maar liet [gedaagde 1] een nieuwe website bouwen voor [bedrijf 2], aldus [eiser]. Als gevolg daarvan is de omzet van [bedrijf 1] gekelderd. Klanten werden via de website van [bedrijf 1] doorgeleid naar de website van [bedrijf 2]. Verder maakte [bedrijf 2] gebruik van het klantenbestand, het pand, de machines en werknemers van [bedrijf 1], zonder toestemming van [eiser] en zonder huur te betalen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten onrechtmatig te hebben geconcurreerd. Zij wijzen erop dat er geen concurrentiebeding en/of relatiebeding staat in de aandeelhouders-overeenkomst ([gedaagde 1]), dan wel de arbeidsovereenkomst (Siegerink). Het stond hen daarom vrij om concurrerende activiteiten te verrichten. De werkzaamheden voor

[bedrijf 2] werden verricht buiten de arbeidsuren voor [bedrijf 1]. [gedaagde 1] heeft [eiser] in oktober 2023 verteld over ongunstige marktontwikkelingen en de noodzaak om te investeren in [bedrijf 1], onder meer ter vernieuwing van de website. [eiser] wenste daaraan niet mee te werken, zodat [gedaagde 1] zijn ideeën heeft uitgewerkt in [bedrijf 2]. [bedrijf 2] verkoopt verlichte textielframes, dat een product is dat [bedrijf 1] niet verkocht. Om ook omzet voor [bedrijf 1] te genereren, gaf [bedrijf 2] als klant aan [bedrijf 1] de opdracht om de frames te bouwen, waarvoor [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] een meer dan marktconforme prijs betaalde. Nadat [bedrijf 1] failleerde, heeft

[bedrijf 2] de activa van [bedrijf 1] gekocht en heeft in overleg met de curator nog enige tijd gebruik gemaakt van het pand van [bedrijf 1]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wijzen erop dat ook de curator van [bedrijf 1] heeft geconcludeerd dat [bedrijf 2] een product verkoopt dat niet eerder door [bedrijf 1] werd gemaakt en dat de vervaardiging van dat product werd uitbesteed aan [bedrijf 1] zodat zij daar financieel voordeel uit haalde.

Naar het oordeel van de rechtbank is onrechtmatig handelen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens [eiser] in de vorm van onrechtmatige concurrentie door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegenover [bedrijf 1] onvoldoende aannemelijk geworden. Zelfs als ervan uit wordt gegaan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concurrerend hebben gehandeld, hetgeen zij betwisten, dan is dit niet als onrechtmatig aan te merken. Daarvoor is in de eerste plaats relevant dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitdrukkelijk niet contractueel zijn gebonden aan een non-concurrentiebeding. Om die reden stond het hen in beginsel vrij om concurrerend te handelen met [bedrijf 1]. Zonder non-concurrentiebeding kan sprake zijn van onrechtmatig handelen wanneer wordt gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm ex artikel 6:162 lid 2 BW. In dat kader heeft [eiser] naar voren gebracht dat op basis van de feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat [gedaagde 1] de opzet had om [eiser] te benadelen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde e-mail van 16 oktober 2023 blijkt dat [gedaagde 1] zijn plannen ‘om te overleven op de signmarkt’ en lichtbakprofielen heeft besproken met [eiser], maar dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de realisatie van die plannen binnen [bedrijf 1] en de daarvoor benodigde investeringen. [gedaagde 1] schrijft zich daarom genoodzaakt te zien deze plannen in een ander bedrijf te realiseren en waarschuwt [gedaagde 1] daarbij voor de nadelige gevolgen. Pas daarna hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [bedrijf 1] opdrachten gegeven om verschillende bestellingen van het nieuwe product te produceren, waardoor [bedrijf 1] daarvan financieel voordeel heeft genoten, zo constateerde ook de curator. Waar [eiser] stelt dat de website van [bedrijf 1] was doorgelinkt naar de website van [bedrijf 2], voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat dit slechts voor een korte periode was en dat enkel het nieuwe product van [bedrijf 2] was gelinkt. Geen van partijen heeft deze door haar ingenomen stellingen voldoende onderbouwd. De stelplicht en het bewijsrisico liggen bij [eiser], die dus onvoldoende heeft gesteld. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen voor zover zij gegrond zijn op onrechtmatige concurrentie worden afgewezen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een zogeheten ‘corporate opportunity’ hebben ontnomen aan

[bedrijf 1], dit betoog faalt nu [gedaagde 1] (zoals hiervoor beschreven) deze zakelijke kans eerst heeft gepoogd binnen [bedrijf 1] te realiseren.

Verwijt d. bewerkstelligen van het faillissement van [bedrijf 1]

Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] [bedrijf 1] opzettelijk ‘laten doodbloeden’ om zich te kunnen ontdoen van [eiser] als certificaathouder. [gedaagde 1] heeft de activiteiten van [bedrijf 1] overgeheveld naar [bedrijf 2] en daarmee onrechtmatig geconcurreerd. Er zijn bij [bedrijf 1] ernstige liquiditeitsproblemen veroorzaakt en er is per 31 januari 2025 betalingsonmacht gemeld bij de Belastingdienst zodat surseance van betaling werd aangevraagd. Daardoor stelt [eiser] schade te hebben geleden in de vorm van waardeverlies van zijn certificaten. [gedaagde 2] heeft het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] bevorderd, door met [bedrijf 2] een overnamedeal te sluiten met de curator van [bedrijf 1] en een doorstart te realiseren.

De rechtbank is van oordeel dat ook dit verwijt aan het adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet kan slagen. Tussen partijen staat vast dat sinds 2021 een conflict bestond tussen [eiser] en [gedaagde 1]. Zij hebben, ook onder leiding van bemiddelaars, verschillende pogingen gedaan om hun conflict op te lossen. Dat is niet gelukt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onderbouwd toegelicht dat [gedaagde 1] sinds 2021 [eiser] informeerde over het feit dat [bedrijf 1] onder druk stond door ongunstige (markt)ontwikkelingen en dat een koerswijziging en investeringen nodig waren. De rechtbank verwijst ook naar de e-mail van 16 oktober 2023 (zie hiervoor rov. 5.16.), waaruit blijkt dat actief naar oplossingen werd gezocht binnen [bedrijf 1]. Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onbetwist gesteld dat [bedrijf 1] twee langdurig zieke werknemers had, voor welke kosten geen verzekering bestond. De situatie binnen [bedrijf 1] wordt ook beschreven in een brief van de curator van [bedrijf 1] van 25 november 2025. Daarin staat dat er vanaf 2021 langzamerhand een onwerkbare situatie is ontstaan. De liquiditeitsdruk zou overkomelijk en oplosbaar zijn geweest als beide aandeelhouders bereid waren geweest tot investeringen. Door het geschil ontbrak daarvoor de basis en bereidheid. Het gebrek aan noodzakelijke investeringen en de langdurig zieke werknemers veroorzaakten liquiditeitsdruk die de hoofdoorzaak van het faillissement vormde, aldus de curator. Verder schrijft de curator dat de bedrijfsactiviteiten van en via [bedrijf 2] niet de oorzaak zijn geweest van het faillissement. Hoewel [eiser] benadrukt dat hij hierover niet is gehoord door de curator, heeft [eiser] deze omstandigheden ook niet gemotiveerd betwist. Gelet daarop, kan de stelling van [eiser] niet worden gevolgd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het faillissement van [bedrijf 1] veroorzaakt hebben, laat staan dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Het handelen van [gedaagde 2] en groepsaansprakelijkheid

[eiser] betoogt dat [gedaagde 2] tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld door het handelen van [gedaagde 1] te faciliteren en daarvan te profiteren, door zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen in het zicht van het ‘georkestreerde’ faillissement, te concurreren met [bedrijf 2] en een overnameovereenkomst aan te gaan met de curator.

De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet onrechtmatig hebben gehandeld, zodat [gedaagde 2] dat niet (onrechtmatig) heeft kunnen faciliteren, dan wel daarvan heeft kunnen profiteren. Dat geldt ook voor het beconcurreren, zie rov. 5.16. Het opzeggen van een arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de daarvoor geldende contractuele afspraken zoals de opzegtermijn, staat een werknemer vrij. Ook stond het [gedaagde 2] vrij om met [bedrijf 2] (die geen partij is in deze procedure) een overeenkomst met de curator van [bedrijf 1] aan te gaan. [eiser] had dit zelf ook mogen doen. De conclusie is dat [gedaagde 2] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

Nu [gedaagde 1] noch [gedaagde 2] volgens de rechtbank onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser], kan ook geen sprake zijn van groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW. Deze vordering wordt afgewezen.

Het gevorderde bedrag van € 83.412,82

[eiser] vordert € 83.412,82 aan schade van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Ter onderbouwing van dit bedrag verwijst [eiser] ongespecificeerd naar een beslagrekest met 21 producties die grotendeels hetzelfde zijn als de producties bij de dagvaarding. [eiser] laat het daarmee aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de rechtbank om de opbouw en onderbouwing van dit hoge bedrag te destilleren uit omvangrijke stukken. Dat is een onjuiste gang van zaken. Evenwel verandert dit niets aan de uitkomst van deze zaak, gelet op het volgende.

Desgevraagd bevestigde [eiser] tijdens de zitting dat het gevorderde bedrag bestaat uit:

€ 36.688,94 aan huurachterstand

€ 7.474,77 aan huurachterstand van medio december 2024 t/m maart 2025

€ 20.000,00 aan boetes wegens schendingen van de aandeelhoudersovereenkomst

€ 19.249,11 aan verhoging van de hoofdsom volgens de beslagsyllabus.

Posten a. b. en d.

Deze posten worden afgewezen nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser]. Bij gebrek aan een andere aangevoerde grondslag, worden deze delen van de vordering afgewezen.

Post c. boetes

[eiser] betoogt dat [gedaagde 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de artikelen 3 lid 1 sub i en 12 lid 3 aandeelhoudersovereenkomst. In de eerste plaats doordat [bedrijf 2] inkocht van [bedrijf 1] en verkocht met een winstmarge aan klanten van [bedrijf 1], terwijl over deze duurzame samenwerking geen vergadering van aandeelhouders bijeen is geroepen en geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. In de tweede plaats doordat [gedaagde 1] vertrouwelijke (niet-openbare) informatie van [bedrijf 1], zoals klanten en prijzen van producten, heeft gebruikt ten behoeve van [bedrijf 2] en heeft doorgespeeld aan [gedaagde 2] en de beoogde nieuwe investeerder. Ter zitting lichtte [eiser] toe dat klanten van [bedrijf 1] online werden doorgelinkt naar [bedrijf 2] en dat vertrouwelijke informatie over producten, prijzen en het klantenbestand werd gedeeld. [gedaagde 1] heeft voor elk van deze overtredingen een boete verbeurd van € 10.000,-, aldus [eiser].

[gedaagde 1] stelt voorop dat voor deze boetes nooit een ingebrekestelling is verstuurd, waardoor op grond van artikel 14 lid 2 aandeelhoudersovereenkomst, de boetes niet verschuldigd zijn geraakt. Daarnaast betwist [gedaagde 1] dat hij de aandeelhoudersovereenkomst heeft overtreden. Volgens [gedaagde 1] was geen sprake van een (duurzame) samenwerking, maar van een opdrachtrelatie met een klant.

[bedrijf 2] ontving van [bedrijf 1] facturen voor haar productiewerkzaamheden. Er was geen gezamenlijk doel of gezamenlijke activiteit. Volgens [gedaagde 1] had [bedrijf 2] haar eigen klanten en werden prijzen online bepaald. Er zijn geen klanten of (prijs)informatie doorgespeeld. [bedrijf 2] haalde haar eigen klanten binnen en die klanten voerden zelf hun informatie in.

De rechtbank constateert dat van [gedaagde 2] boetes worden gevorderd, terwijl hij geen partij is bij de aandeelhoudersovereenkomst. Om die reden slaagt dat deel van de vordering niet. Ten aanzien van [gedaagde 1] overweegt de rechtbank als volgt.

In de relevante artikelen van de aandeelhoudersovereenkomst staat (voor zover van belang):

“Artikel 3BESLUITVORMING

1. (…) De navolgende besluiten zullen slechts mogen worden genomen met algemene stemmen in een algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap, waarin alle aandeelhouders aanwezig of vertegenwoordigd zijn:

(…)

i. (duurzame) samenwerking met andere ondernemingen en vennootschappen en de beëindiging daarvan;”

“Artikel 12

(…)

3. Geheimhouding en publiciteit

a. Partijen en/of (een) op welke wijze dan ook gelieerde (rechts)perso(o)n(en) zullen vertrouwelijke informatie betreffende:

- de andere Partijen,

- (een) op welke wijze dan ook met deze andere Partijen gelieerde (rechts-)perso(o)n(en)

- deze Overeenkomst of daaruit voortvloeiende of daarmee verbandhoudende overeenkomsten,

niet gebruiken, vermenigvuldigen of aan een derde openbaren.”

“Artikel 14(…) 2. Boete

a. Wanneer een partij één of meer van de in deze overeenkomst opgenomen bepalingen (…) ondanks ingebrekestelling niet stipt nakomt, zal zij ten behoeve van de wederpartijen gezamenlijk een boete verbeuren ter grootte van tienduizend euro (€ 10.000,00) voor iedere overtreding, onverminderd het recht van de wederpartij nakoming en/of schadevergoeding te vorderen. De boete zal dadelijk en ineens verschuldigd zijn door het enkele verzuim, zonder dat enige formaliteit of rechterlijke tussenkomst nodig zal zijn.”

Los van de discussie over de ingebrekestelling en de vraag of de boete, gelet op de formulering van artikel 14, wel volledig zou kunnen toekomen aan [eiser], geldt het volgende.

Partijen zijn het oneens over wat moet worden verstaan onder de in artikel 3 aandeelhoudersovereenkomst genoemde ‘(duurzame) samenwerking’, meer in het bijzonder over de vraag of daarvoor een gezamenlijk doel vereist is. De aandeelhoudersovereenkomst geeft daarvan geen uitleg. Wel blijkt uit de overige onder artikel 3 genoemde situaties dat het gaat om voor de vennootschap zeer belangrijke gebeurtenissen, zoals de uitgifte en verkoop van aandelen, benoeming en ontslag van directeuren, het wijzigen van de statuten en het aanvragen van surseance of faillissement. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter zitting toegelicht hoe de werkzaamheden voor [bedrijf 2] werden verricht: [bedrijf 2] gaf

[bedrijf 1] een opdracht voor het bouwen van een frame. [bedrijf 1] bouwde dat frame met haar bedrijfsmiddelen en leverde dat aan [bedrijf 2]. [bedrijf 1] factureerde de werkzaamheden marktconform en met winstmarge aan [bedrijf 2]. Op haar beurt factureerde [bedrijf 2] aan haar eindklant. [eiser] heeft deze gang van zaken niet (onderbouwd) weersproken, maar voerde aan dat [bedrijf 1] hierdoor de winst misliep die door [bedrijf 2] werd genoten. Er is niet gebleken dat er tussen [bedrijf 1] en

[bedrijf 2] aangaande deze werkzaamheden een overeenkomst is gesloten, die de individuele opdrachten oversteeg. In deze omstandigheden heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze werkvorm kan worden aangemerkt als ‘(duurzame) samenwerking’. Dat zou betekenen dat voor elke (lange termijn)klant van [bedrijf 1] waarvoor opdrachten werden uitgevoerd, een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders met algemene stemmen (oftewel: unaniem) moet worden genomen. Dat zou onwerkbaar zijn. Het had op de weg van [eiser] gelegen om – in het licht van de betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – toe te lichten welke elementen maken dat sprake was van een (duurzame) samenwerking in de zin van artikel 3 en hoe zo’n samenwerking moet worden onderscheiden van de ‘normale’ klant/opdrachtrelatie.

Dat [gedaagde 1] zowel betrokken was bij [bedrijf 1] als bij [bedrijf 2], is daarvoor onvoldoende. Het gebruik van de bedrijfsmiddelen van [bedrijf 1] bij de uitvoering van een opdracht was gangbaar en daarvoor heeft zij gefactureerd en betaald gekregen. De rechtbank concludeert dat van overtreding van artikel 3 aandeelhoudersovereenkomst geen sprake is.

De rechtbank constateert dat verschillende begrippen uit artikel 12 lid 3 aandeelhoudersovereenkomst, zoals ‘Partijen’ en ‘vertrouwelijke informatie’ niet zijn gedefinieerd in de aandeelhoudersovereenkomst. Op basis van het gevoerde partijdebat begrijpt de rechtbank dat beide partijen ervan uitgaan dat informatie van [bedrijf 1] over klanten en prijzen onder het begrip ‘vertrouwelijke informatie betreffende de andere Partijen’ (sub a) valt. De rechtbank zal daar ook van uitgaan.

[gedaagde 1] heeft betwist dat er informatie over klanten en prijzen is ‘doorgespeeld’.

[gedaagde 1] heeft erkend dat de site van [bedrijf 1] was doorgelinkt naar de site van [bedrijf 2], maar beperkter dan [eiser] stelt. Dit zou gedurende enkele dagen en enkel voor het beperkte (nieuwe) product van [bedrijf 2] zijn geweest, aldus [gedaagde 1].

Wanneer de klant dan wilde bestellen, vulde de klant zelf zijn gegevens in op de website van [bedrijf 2]. De prijzen werden online via een calculator bepaald en waren openbaar. Partijen zijn het oneens over de duur en omvang van het ‘doorlinken’. Nu geen van partijen haar stellingen daarover heeft onderbouwd, kan de rechtbank daarover niets vaststellen. Door [eiser] is niet weersproken dat klanten zélf hun eigen gegevens invulden en dat zij dit deden op de website van [bedrijf 2]. Dat betekent dat [gedaagde 1] niet zelf informatie van [bedrijf 1] heeft ‘gebruikt, vermenigvuldigd of aan een derde heeft geopenbaard’ in de zin van artikel 12 lid 3 aandeelhoudersovereenkomst. [eiser] heeft niet verder toegelicht waarom deze handelingen vallen onder artikel 12 lid 3 aandeelhoudersovereenkomst. Hoe en welke vertrouwelijke informatie zou zijn doorgegeven aan [gedaagde 2] en ‘de beoogde nieuwe investeerder’ is evenmin gespecificeerd of onderbouwd. De vorderingen worden daarom afgewezen.

Verwijzing schadestaat

De door [eiser] gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt afgewezen, omdat er in dit vonnis geen grondslag voor de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is vastgesteld.

Beslagkosten

De gevorderde beslagkosten worden, gelet op het bovenstaande, met de vorderingen van [eiser] afgewezen.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht

1.374,00

- salaris advocaat

2.428,00

(2 punten × € 1.214,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.980,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.980,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?