RECHTBANK Zwolle
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11850822 \ CV EXPL 25-2527
Vonnis van 3 maart 2026
in de zaak van
1. [eiseres] ,2. [eiser] ,beiden wonende te [woonplaats 1], Spanje ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.J.A. Weda,
tegen
1. de vennootschap onder firma [naam vof] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 1] ,vennoot, wonende te [woonplaats 2] ,3. [gedaagde 2] , vennoot, wonende te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,gemachtigde: mr. H.G. Ruis.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2025 met producties 1 t/m 8,- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 6,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- aanvullende producties 7 en 8 van [gedaagden] ,
- de akte wijziging van eis van 28 januari 2026 met producties 9 t/m 13 van [eisers] ,- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de spreekaantekeningen van mr. Weda en van mr. Ruis, voorgedragen en overgelegd ter zitting van 28 januari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Waar de zaak over gaat
Het gaat in deze procedure om het paard [naam paard] , dat als jong veulen door [eiseres] is aangekocht en voor stalling en verzorging in november 2023 naar [naam vof] is gebracht. In februari 2025 ging het niet goed met het paard. Er was onder andere sprake van een bloedwormeninfectie. Het jonge paard is vanuit [naam vof] in februari 2025 naar een gespecialiseerde paardenkliniek in [plaats] gebracht waar het voor langere tijd is opgenomen. Het paard is in de loop van 2025 hersteld. Volgens [eisers] is [naam vof] tekortgeschoten in haar zorgplicht. Zij vordert in verband daarmee in deze procedure schadevergoeding.
3. De feiten
[naam vof] houdt zich bezig met het opfokken en houden van paarden.
[eiseres] is de moeder van [eiser] . Zij wonen in Spanje.
Op 1 november 2023 heeft [eiser] een koopovereenkomst met een derde ondertekend voor de aankoop van een veulen genaamd [naam paard] , geboren op [geboortedatum] 2023. Het veulen is daarna ondergebracht bij [naam vof] .
Op 12 december 2023 heeft [naam vof] een e-mailbericht gestuurd naar [eisers] met in de bijlage een document genaamd ‘Opfokovereenkomst [naam vof] ’.
In de opfokovereenkomst is onder andere het volgende bepaald:
Ontwormen
Artikel 10
Het veulen wordt 4x per jaar ontwormd. De kosten van het ontwormen zijn niet bij de standaardprijs inbegrepen en worden afzonderlijk aan de klant/eigenaar in rekening gebracht. Het veulen wordt ontwormt met de kuur die op dat moment door de dierenarts word voorgeschreven.
(…)
Dierenarts
Artikel 12
* In overleg met de klant/eigenaar, bepaalt de opfokker of het veulen medische verzorging of behandeling door een dierenarts nodig heeft. In beginsel geschiedt deze verzorging of behandeling door de dierenarts van de opfokker, tenzij de klant/eigenaar bij het aangaan van deze overeenkomst uitdrukkelijk aangeeft een andere dierenarts te wensen.
* In noodgevallen heeft de opfokker op grond van deze overeenkomst toestemming van de klant/eigenaar om de dierenarts van de opfokker in te schakelen. Of er sprake is van een noodgeval is ter beoordeling van de opfokker.
* De kosten van de veterinaire verzorging of behandeling zijn niet in de opfokprijs inbegrepen en worden rechtstreeks door de dierenarts aan de klant doorberekend, dan wel door de opfokker afzonderlijk aan de klant in rekening gebracht.
De facturen van [naam vof] voor de opfok van [naam paard] zijn door [eiseres] betaald.
Op 10 juli 2024 heeft [eiseres] het paard bezocht bij [naam vof] .
Tussen [eiseres] en [gedaagde 1] (gedaagde sub 2) is gecommuniceerd via Whatsapp. Op 15 juli 2024 laat [eiseres] aan [gedaagde 1] weten dat haar man en vrienden, op basis van de foto’s die ze hen heeft laten zien, van mening zijn dat [naam paard] er mager uitziet. [eiseres] vraagt of [gedaagde 1] een dierenarts naar het paard wil laten kijken en of hij het paard wil ontwormen op dat moment en daarna nogmaals na 20 dagen. [gedaagde 1] laat op 29 juli 2024 weten dat het paard twee keer ontwormd is en dat de dierenarts het paard heeft gezien en dat het paard gezond is.
Op 18 december 2024 deelt [gedaagde 1] aan [eiseres] mee dat hij een tandarts naar het paard heeft laten kijken in verband met diastase. Later die dag bericht [eiseres] aan [gedaagde 1] dat zij de tandarts heeft gesproken. Op 19 december 2024 in de avond deelt [gedaagde 1] aan [eiseres] mee dat hij de dierenarts naar het paard heeft laten kijken en geeft hij het telefoonnummer van de dierenarts door. In de periode daarna wordt er meermaals over en weer gecommuniceerd over de gezondheid van het paard. De communicatie eindigt op 12 februari 2025.
Op 12 februari 2025 wordt het veulen door [naam vof] naar Paardenkliniek [plaats] gebracht. Daar is vastgesteld dat het paard een bloedwormeninfectie en een salmonella besmetting heeft. Het paard is daar tot oktober 2025 gebleven.
Bij brief van 25 april 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] [naam vof] en haar vennoten aansprakelijk gesteld voor door hen geleden en nog te lijden schade.
4. Het geschil
[eisers] vorderen – na wijziging van eis -:
hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 15.508,34, alsmede
veroordeling van [gedaagden] tot betaling van nadere schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met rente daarover vanaf 25 april 2025 tot aan de dag van volledige betaling
veroordeling van gedaagden tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten
veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.
Ter onderbouwing van de vordering stelt de gemachtigde van [eisers] dat
[naam vof] is tekortgeschoten in de uitvoering van een mondeling gesloten bewaarnemingsovereenkomst, omdat het paard niet is teruggegeven in dezelfde staat als waarin [naam vof] het paard heeft ontvangen. [naam vof] heeft niet de zorg verleend die op grond van de op haar rustende zorgplicht verwacht mag worden. [eisers] houden [naam vof] aansprakelijk voor de kosten die als gevolg daarvan zijn gemaakt en de schade die daar in de toekomst nog uit zal voortvloeien.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van
[eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De opfokovereenkomst
Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de zorg en de stalling van het jonge paard [naam paard] . Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat het gaat om de opfokovereenkomst die door [naam vof] op 12 december 2023 aan [eisers] is toegezonden. [eiser] [eiseres] heeft op de zitting verklaard dat zij de tekst van de overeenkomst heeft laten vertalen en dat zij de overeenkomst heeft ondertekend. Volgens [eisers] hebben zij daarna de ondertekende overeenkomst teruggestuurd naar [naam vof] , maar daarbij is kennelijk iets mis gegaan want het ondertekende stuk is niet aangekomen bij [naam vof] . Uit de verklaringen van partijen begrijpt de kantonrechter echter dat zowel [naam vof] als [eiser] [eiseres] de bedoeling hadden om deze opfokovereenkomst aan te gaan. [eiser] is als eigenaar van het paard de overeenkomst aangegaan en de betalingen aan [naam vof] zijn door [eiseres] gedaan. De kantonrechter gaat er daarom, anders dan de gemachtigde van [eisers] , vanuit dat deze overeenkomst tussen deze partijen tot stand is gekomen. Beoordeeld wordt dan ook of [naam vof] is tekortgeschoten in de nakoming van deze opfokovereenkomst.
De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van bewaarneming, als bedoeld in artikel 7:600 BW. Omdat de toevertrouwde zaak in dit geval een jong paard betreft, is echter sprake van een bijzondere vorm van bewaarneming. De hoofdverplichting van [naam vof] bestaat niet alleen uit het teruggeven van het paard als het ongeveer drie jaar oud is, maar ook uit het verzorgen (opfokken) van het jonge paard. Vast staat dat het paard moet worden teruggegeven, maar op voorhand kan niet met zekerheid worden gezegd dat het paard in dezelfde staat zal kunnen worden teruggegeven, als waarin het is afgegeven. Er zal sprake zijn van natuurlijke processen die zich voordoen in de jaren waarin het paard wordt opgefokt, waarmee niet altijd rekening kan worden gehouden. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is dan ook niet of [naam vof] het paard in exact dezelfde staat heeft teruggegeven, maar of zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht in de tijd waarin het paard bij haar was ondergebracht. Deze zorgplicht is omschreven in artikel 7:602 BW en in dit geval wordt daaraan verder inhoud gegeven door de afspraken die partijen in de opfokovereenkomst hebben gemaakt (zie hiervoor onder 3.5). Indien komt vast te staan dat [naam vof] niet aan deze zorgplicht heeft voldaan, is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de opfokovereenkomst.
Zorgplicht
[eisers] hebben gesteld dat [naam vof] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.. [eisers] maken aan [naam vof] het verwijt (1) dat het paard niet tijdig en niet adequaat is ontwormd en (2) dat het paard niet tijdig de benodigde veterinaire zorg heeft gekregen. Volgens hen is het paard als gevolg daarvan zodanig ziek geworden dat het moest worden behandeld bij de paardenkliniek in [plaats], waardoor [eisers] schade heeft geleden.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat geen sprake is van schending van de zorgplicht aan de zijde van [naam vof] , waardoor geen sprake is van een tekortkoming aan
haar zijde. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht.
Wormenkuur
Als onderbouwing voor hun eerste verwijt stellen [eisers] dat uit het feit dat [naam paard] een wormeninfectie heeft opgelopen, blijkt dat hun paard bij [naam vof] niet goed tegen wormen behandeld is. Uit de door [naam vof] overgelegde facturen, waarop ontwormingsmiddelen staan die door “ [bedrijf 1] ” aan [naam vof] in rekening zijn gebracht, valt niet op te maken dat die middelen ook aan hun paard zijn toegediend, aldus [eisers] De kantonrechter volgt die redenering van [eisers] niet. Uit de bedoelde facturen in combinatie met communicatie via Whatsapp (zoals door [naam vof] is overgelegd) - waarin [gedaagde 1] aan [eiseres] meedeelt dat [naam paard] zelfs extra ontwormd is op verzoek van [eiseres] - en de overgelegde verklaringen (van respectievelijk [naam 1] - de hoefsmid- , [naam 2] , [naam 3] en de dierenarts) volgt dat de paarden bij [naam vof] regelmatig een wormenkuur krijgen en dat dit ook bij [naam paard] is gebeurd. Bovendien heeft [naam vof] onweersproken aangevoerd dat een paard een besmetting kan oplopen, ook wanneer regelmatig een wormenkuur wordt toegediend.
Veterinaire zorg
Het andere verwijt van [eisers] gaat erover dat [naam vof] onvoldoende (tijdige) veterinaire zorg heeft ingeroepen. Ook daarin volgt de kantonrechter [eisers] niet.
[naam vof] heeft aangevoerd dat zij in juli 2024 op verzoek van [eiseres] de dierenarts naar het paard heeft laten kijken. De dierenarts heeft toen geconstateerd dat het paard gezond was. Dit is door [eisers] niet weersproken. In de stukken van partijen en tijdens de mondelinge behandeling is door partijen geen melding gemaakt van noemenswaardige problemen met het paard in de periode tussen juli en december 2024, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat het paard in die periode gezond was en geen veterinaire zorg nodig had.
Op 18 december 2024 heeft [naam vof] een tandarts naar het paard laten kijken, omdat het paard niet goed at. Volgens [naam vof] stelde de tandarts vast dat het jonge paard last had van zogenaamde diastasen (spleten tussen tanden en kiezen) wat het eten bemoeilijkt en de tandarts heeft het gebit van het paard toen behandeld (gereinigd). Daarnaast heeft [naam vof] het voer voor het paard aangepast. Deze gang van zaken is door [eisers] niet weersproken. [gedaagde 1] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij het zelf lastig vond om in de Engelse taal uit te leggen wat er aan de hand was. Daarom heeft hij [eiseres] het telefoonnummer van de tandarts gegeven zodat zij zelf contact kon opnemen met de tandarts om te horen wat er aan de hand was. Dat [eiseres] toen met de tandarts contact heeft gehad, blijkt uit de Whatsapp communicatie van 18 december 2024 om 13:43:38 uur. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] verklaard dat zij op dat moment door de tandarts gerustgesteld is. [naam vof] wijst er bovendien op dat later bij de paardenkliniek in [plaats] is opgemerkt dat het gebit van het paard netjes was behandeld, hetgeen door [eisers] niet is betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit deze gang van zaken niet volgen dat [naam vof] veterinaire zorg – in dit geval aan het gebit - aan het paard heeft onthouden.
Uit de conclusie van antwoord blijkt dat [naam vof] vervolgens op 19 december 2024 ook de dierenarts naar het paard heeft laten kijken, omdat het paard een negatieve energiebalans vertoonde. Ook dat is blijkens de Whatsapp berichten direct meegedeeld aan [eiseres] en het telefoonnummer van de arts is doorgegeven zodat [eiseres] zich door de arts kon laten informeren. Dit is door [eisers] niet weersproken. Uit het verweer van
[naam vof] volgt dat de dierenarts op 22 december 2024 weer naar het paard heeft gekeken. De dierenarts heeft daarna weer met [eiseres] gesproken en heeft meegedeeld dat er sprake was van een wormeninfectie, waarvoor een behandeling is ingezet. Verder voert [naam vof] aan dat zij in december 2024 het voer voor het paard heeft aangepast in de hoop dat het paard ander voer beter zou kunnen verwerken. Ook dit is door [eisers] niet weersproken. Daarbij heeft [naam vof] ook gehoor gegeven aan het verzoek van [eisers] in januari 2025 om het paard een deken te geven. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de feiten en omstandigheden die door [naam vof] zijn aangevoerd en door [eisers] niet zijn weersproken dat [naam vof] zich in december 2024 en januari 2025 actief bezighield met de zorg voor het paard.
Paardenkliniek
Volgens [naam vof] leek het op 10 januari 2025 wat beter te gaan met het paard; het paard at wat beter. Uit de Whatsapp berichten volgt dat [naam vof] dat ook aan [eisers] heeft bericht. Maar in februari 2025 gaat het volgens [naam vof] toch weer slechter met het paard. Dat leidt tot de situatie op 12 februari 2025. Volgens [eiseres] heeft zij er die dag bij [naam vof] op aangedrongen dat het paard naar een kliniek werd gebracht, maar
[naam vof] betwist dat. Volgens [naam vof] nam [gedaagde 1] van [naam vof] het initiatief om het paard naar een kliniek te brengen omdat de toestand van het paard telkens iets leek te verbeteren, maar dan toch weer verslechterde. [naam vof] wijst op de door haar bij conclusie van antwoord overgelegde Whatsapp conversatie van partijen. Daaruit volgt dat [gedaagde 1] op 12 februari 2025 in de ochtend als eerste een spraakoproep met [eiseres] heeft gehad. Daaruit lijkt te volgen dat [naam vof] het initiatief heeft genomen, ook al wordt dat door [eiseres] betwist. Wat hier ook van zij, in elk geval staat vast dat het paard diezelfde dag door [naam vof] naar de kliniek in [plaats] is gebracht. Daar is geconstateerd dat het paard een bloedwormeninfectie en een salmonellabesmetting had.
Slotconclusie
Hoewel vast staat dat er vanaf december 2024 terecht zorgen over de gezondheid van het paard waren, kan uit de hiervoor beschreven gang van zaken niet worden opgemaakt dat [naam vof] onvoldoende voor het paard heeft gezorgd, dan wel daarmee te laat is geweest. [naam vof] heeft [naam paard] in de gaten gehouden en heeft op verschillende momenten medische verzorging ingeroepen en het paard laten onderzoeken en behandelen door een tandarts en een dierenarts. Zij heeft dat ook steeds besproken met [eiseres] . Daarbij is van belang dat de situatie van [naam paard] soms verbeterde en dan weer verslechterde. Toen duidelijk werd dat de gezondheidssituatie van het paard niet structureel verbeterde, heeft [naam vof] [naam paard] naar een paardenkliniek gebracht. [naam vof] heeft daarmee gehandeld conform artikel 12 van de opfokovereenkomst. Bovendien is hiervóór vastgesteld dat [naam vof] voldoende heeft onderbouwd dat het paard volgens afspraak ontwormd is.
Het enkele feit dat het paard ziek is geworden, leidt niet tot de conclusie dat [naam vof] is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Van belang is of [naam vof] in alle situaties die zich met het paard hebben voorgedaan in de periode dat [naam vof] de zorg had voor het paard, zich als een goed bewaarnemer heeft gedragen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval geweest. Er is dan ook geen sprake van een tekortkoming aan de zijde van [naam vof] en er bestaat geen grond voor een verplichting tot betaling van schadevergoeding door [naam vof] .
De vordering van [eisers] tot vergoeding van schade en verwijzing naar de schadestaat procedure zal worden afgewezen.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
6. De beslissing
De kantonrechter,
wijst de vorderingen van [eisers] af,
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026. (ap)